dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

Geïnteresseerd in historie?
Wordt ook lid van de
Historische Vereniging
Zuidoost Drenthe.
Aanmelden >>

Open Monumentendag
13 en 14 september 2014
Lees meer >>

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Enquête dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot


Nieuw Schoonebeek: Omhoog


Inleiding:

Bij het begin van de vorige eeuw was Drenthe met rond 40.000 inwoners een zeer dun bevolkt gebied. Op iedere vierkante kilometer woonden nog geen zeventien mensen. Hoogvenen sloten het van de buitenwereld af. De ontginning van die venen en de heidegebieden op de zandgronden kwam pas langzaam en laat op gang. Nadat in de 17de eeuw een begin was gemaakt met het afgraven van de venen bij Smilde en Hoogeveen zou pas in de 19de eeuw de vervening goed op gang komen. Dat ging gepaard met een relatief sterke groei van de bevolking. In de periode 1795-1899 nam de bevolking van Nederland toe met 171%, die van Drenthe groeide met 274%.

Van alle kanten stroomden nieuwe bewoners naar het 'olde Lantschap'. In het westen stichtte de Maatschappij van Weldadigheid koloniën in Vledder en Veenhuizen. Vrije kolonisten kwamen er op af, maar er werden ook wezen, vondelingen, landlopers en bedelaars voornamelijk uit het westen van het land, geplaatst. De grootschalige ontveningen trokken veenarbeiders aan, vooral uit Friesland en Groningen. Op de afgegraven venen vestigden zich veenkoloniale boeren, vaak afkomstig uit Groningen. De veengebieden van zuidoost Drenthe werden het nieuwe vaderland van Munsterlanders en Hannoveranen die uit het Emsland waren 'weggedrukt'. Op meestal kleine landbouwbedrijven op het bovenveen vonden zij een nieuw bestaan.

Over een kleine groep van die Duitse emigranten gaat dit artikel: de Emslanders, die Nieuw-Schoonebeekers werden.


Duitse kolonisten:

Zoals in vele gebieden van west Europa vond ook rond 1750 in het Emsland een sterke bevolkingsgroei plaats. Vooral landarbeiders en 'Heuerleute' (kleine pachters) kregen het daardoor moeilijk. De graanprijzen stegen terwijl de lonen gelijk bleven. De eigengeërfde boeren hadden de keuterbedrijven van de 'Heuerleute' nodig voor hun eigen kinderen. Pachten werden opgezegd en de kleine pachters waren landlozen geworden. De 'Hollandgängerei' bracht wel wat verlichting, maar geen oplossing. Steeds sterker werd de druk die de onderlaag van de plattelandssamenleving op haar geestelijke, maar tegelijk ook wereldlijke heer, de bisschop van Münster, begon uit te oefenen. De landloze groepen hadden hun oog laten vallen op het Boertanger Moor, een reusachtig veengebied tussen Ems en Hondsrug, waar zij zich op Munsterlands gebied als kolonisten wilden vestigen. Voor de bisschop als landsheer was de oplossing niet eenvoudig. De grens tussen zijn territorium en dat van de Republiek lag in het Boertanger Moor niet precies vast en bovendien was niet de bisschop, maar de markegemeenschap van de aanpalende Emsdorpen eigenaar van de woeste gronden.

Na het grensverdrag van 1784 tussen het bisdom Münster en de Republiek en enige aandrang van de bisschop op zijn onderdanen in de Emsdorpen, ontstond er in de daarop volgende jaren een aantal koloniën juist oostelijk van de Nederlandse grens tussen Ter Apel en de zuidoostelijke punt van Drenthe. De kolonisten kregen hun percelen door loting toegewezen, voor allen even groot en met voor ieder ook gelijke gebruiksrechten voor het weiden van vee en het steken van turf en plaggen op de gemeenschappelijke gronden. En al waren zij nu vrije boeren, gemakkelijk hadden de kolonisten het niet. Alle materialen, ook die voor de bouw van hun boerderijen, moesten uit de 'thuisdorpen' worden aangevoerd. Die lagen drie uur gaans naar het oosten. In de winter waren de veenwegen zelfs te voet nauwelijks begaanbaar. De agrarische mogelijkheden waren beperkt: schapen houden op de heide die het hoogveen bedekte en boekweitverbouw op de afgebrande bovenlaag van het veen.

Kolonisten die bij een diepje woonden, konden rundvee weiden en hooi winnen op de groengronden langs dat riviertje. Schapen en rundvee moesten voor de mest zorgen, die de verbouw van rogge en aardappelen mogelijk maakte. Geen overbodige weelde, want de boekweitverbouw op de maagdelijke veengrond kon vaak zeer hoge opbrengsten geven, maar was uitermate kwetsbaar.

Op korte termijn omdat een vroege nachtvorst de hele oogst kon vernielen, op langere termijn omdat de boekweit verbouw een roofbouw was, die de bodem voor lange tijd uitputte. En geen boekweit betekende in deze zelfvoorzieningslandbouw geen pap en geen pannenkoek, twee alledaagse voedingsmiddelen.

Problemen waren er ook met het weiden van het vee op de groengronden. De kolonisten van Twist, juist tegen de zuidoostelijke punt van Drenthe, hadden met de Schoonebeeker boeren een gemeenschappelijk weidegebied langs wat in Munsterland de Aa, in Nederland het Schoonebeeker Diep heette. In dat gemeenschappelijk weidegebied, het Compascuum, was in 1784 de grens niet vastgelegd. Schoonebeeks vee verdwaalde op het Twister kerkhof. Munsterlanders die het veen ontwaterden, bezorgden de Schoonebeeker boeren wateroverlast en bezondigden zich ook nog eens aan particuliere hooi winning op de gemeenschappelijke weidegronden. Bij die 'grensincidenten' waren de Twister kolonisten in het voordeel. Zij woonden immers vlak bij het omstreden gebied. Het grenstraktaat van 1824 tussen Nederland en het Koninkrijk Hannover (de bisschop van Münster was inmiddels wereldlijk heer af) legde de grens in het toenmalige Compascuum vast. Maar toen waren de eerste Duitse kolonisten Nederland reeds binnengetrokken.


Schoonebeeker boeren:

De tegenspelers van de Twister kolonisten op Nederlands gebied waren de Schoonebeeker boeren, maar die woonden twee uur gaans verder in westelijke richting. Op hun gemeenschappelijke weidegronden in de uiterste zuidoost punt van Drenthe, graasde jong- en mestvee. In het koude jaargetijde was dit vee ondergebracht in zogenaamde booën, veestallen van hout en riet, waarin een gedeelte was afgeschoten voor de booheer. Die leefde daar het grootste gedeelte van het jaar een soort kluizenaarsbestaan alleen met het vee. Rond 1800 stonden er enkele tientallen van die booën in dit gebied.

Onder de aanhoudende druk van de Twister kolonisten gingen de Schoonebeeker boeren er geleidelijk aan toe over hun aandelen in de gemeenschappelijke markegronden te verkopen, vaak na ze eerst een aantal jaren te hebben verpacht aan Emslandse kolonisten. Zo ontstond er vanaf 1814 op de scheiding van groengronden en hoogveen een langgerekt zich van oost naar west uitstrekkend streekdorp met boerenplaatsen van ruim 200 meter breed en ongeveer 3 km lang.

Beschikte de nieuwe kolonist niet over voldoende vermogen, dan werd een deel van de plaats door een of meerdere andere gegadigden gekocht. De vestiging was een zaak van particulier initiatief. Dit in tegenstelling tot die van de kolonisten aan de andere kant van de grens waar een landsheerlijke commissie enkele tientallen jaren eerder op verlichte wijze alles strak had geregeld, van bedrijfsomvang tot de hoogte van de erfpacht.


De eerste kolonisten:

De nieuwe kolonisten die zich vanaf de grens in westelijke richting vestigden, waren:
jaar van vestiging familiegegevens
1 tussen 1821-1824 Joseph Scherpen (*Meppen 28-12-1794), met vrouw Euphemia Maria Otten (*Meppen 22-12-1800) en één kind.
2 1814 of 1815 Jacob Muss (*Fullen) met vrouw Gesine Lammers (*Hesepe) met vijf kinderen. Na vertrek van deze familie in 1845, vestigden zich hier Bernard Heinrich Smits (*Wesuwe 1820) met vrouw Catharina Margaretha Borgman (*Lindloh 1828).
3 1815 Herman Henrie Nijenstein (*Wijhe 01-05-1763) met vrouw Elisabeth Schepers (*Hesepe) met twee kinderen.
4 ca 1816 Johan Herbert Harbers (*Hesepe 1783) met vrouw Elisabeth Gesina Tonnies (*Dalum 1784) met drie kinderen.
5 1814 Bernard Hendrik Rolfers (*Hesepe 1786) met vrouw Euphemia Maria Wolken (*Hesepe 1787)
6 voor 1815 Johan Heinrich Kuper (*Schepsdorf 1760) met vrouw Euphemia Adelheid Schepers (*Klein Hesepe 1761) en vier kinderen.
7 1814 of 1815 Gerard Pöttker (*Rühler Twist) met vrouw Maria Elisabeth Beenen (*Rühler Twist).

Na vertrek van deze familie in 1840 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Johan Herman Borgman (*Wesuwe 1815) met vrouw Maria Gesina Ellerman (*Lindloh 1823).

8 1817 Gerard Heinrich Schwieters (*Rühler Twist 1794) met vrouw Anna Helena Meiners (*Rühler Twist 05-01-1801).
9 1817 Johan Hinrich Meiners (*Hesepe 1767) met vrouw Anna Catharina Holthus (*Thüne 1768).
10 1817 Johan Heinrich Köne (*12-12-1790) met vrouw Maria Gesiena Meiners en twee kinderen.

Na vertrek van deze familie in 1845 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Lucas Groninger (*Lindloh 1813) met vrouw Anna Gertrud Tholen (*Schwattenberg 1820).

11 tussen 1816-1820 Friederich Kerperien (*Hesepe 03-01-1791) met vrouw Anna Helena Wolken (*Hesepe 1790) en één kind.

Na vertrek van deze familie in 1840 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Johan Heinrich Hüders (*Fullen 1808) met vrouw Gertrud Brünning (*Fullen 1812).

12 1840 Johan Gerhard Beerling (*Ruhle 02-02-1809) met vrouw Euphemia Margaretha Brünning (*Klein Fullen 25-11-1814).
13 1826 Herman Heinrich Wolken (*Hesepe 1798) met vrouw Euphemia Adelheid Robben (*Boekhoff 1803).
14 1818 Bernard Heinrich Lommers (*Hesepe 1778) met vrouw Maria Walburga Kuper (*Hesepe 1794).
15 1828 Johan Hinrich Schuilen (*Kohlhoff 1802) met vrouw Anna Maria Roschen (*Hesepe 1806).
16 1826 Johan Herman Gelshorn (*Hesepe 1777) met zuster Anna Maria Gelshorn.

Na overlijden van Johan Herman Gelshom (†21-11-1830) kwam als erfgenaam op deze plaats Johan Heinrich Leveling (*Hesepe 10-10-1802) met vrouw Helena Adelheid Sicking (*Dalum 1800).

17 tussen 1817-1820 Gerard Steffens (*Scheerhorn 07-11-1777) met vrouw Maria Adelheid Gelshorn (*Hesepe 1768) en zeven kinderen.
18 voor 1825 Johan Gerhard Lubbers (*Hesepe 1780) met vrouw Anna Maria Kuis (*Lingen 1792).
19 tussen 1816-1822 Herman Heinrich Diers met vrouw Anna Helena Foeken (*Geeste).

Na vertrek van deze familie naar Duitsland vestigde zich in 1937 op de oostelijke helft van deze plaats Bernard Hendrik Wenneker (*Hesepe 1805) met vrouw Maria Helena Hüer (*Fullen 1806) en één kind en in 1842 op de westelijke helft Johan Gerhard Ahlers (*Fullen 1813) met vrouw Maria Calharina Kennepohl (*Fullen 1812) met één kind.

20 tussen 1815-1822 Johan Heinrich Wessels (*Geeste 1773) met vrouw Maria Calharina Temmen (*Geeste 1775) met vier kinderen, één zuster en twee ouders.
21 ca 1830 Johan Bernard Ströer (*Hesepe 1792) met vrouw Elisabeth Wieben (*Fullen 16-11-1799) met vier aangenomen kinderen.
22 1822 Gerhard Heinrich Düsing (*16-11-1799) met vrouw Margarelha Ströer (*Hesepe 1795).
23 tussen 1819-1822 Jan Geert Beerling (*Fullen 07-02-1799) met vrouw Maria Gesiena Schreurs (*Ruhle 02-02-1799) met één kind.
24 1819 of 1822 Johan Bernard Borg (*Plantlüne 1787) met vrouw Anna Margaretha Twenning (*Emsbüren 1788) met twee kinderen.
25 voor 1823 Johan Bernard Blaue (*Fullen 1780) met vrouw Euphemia Maria Möller (*Fullen 1779) met één kind.
26 tussen 1840-1844 Johan Herman Gosefort (*Haren 11-07-1807) met vrouw Maria Aleida Rooske (*Hesepe 14-07-1816).
27 1843 Johan Gerhard ter Haar (*Klein Ringe 1819) met vrouw Maria Calharina Mars (*Twist 28-10-1816).
28 1835 Herman Hinrich Kuhl (*Wesuwe 1800) met vrouw Anna Catharina Blocks (*Fullen 1797).
29 1821 Johan Bernard Jansen, met vrouw Margaretha Adelheid Bekel.

Na vertrek van deze familie naar Duitsland vestigden zich hier in 1840 Herman Heinrich Töller (*Haren 01-04-1803) met vrouw Maria Calharina Voordes (*Asschendorf 1803) met vijf kinderen.

30 voor 1821 Johan Heinrich Staverman (*1789) met vrouw Anna Gesiena Temmen.

Na overlijden Staverman (†14-9-1824) trouwde Anna Gesiena Temmen met Herman Bernhard Kuis (*Biene 1786). Na vertrek van deze familie in 1840 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Hermann Heinrich Ahlers (*Wesuwe 1799) met vrouw Anna Elisabeth Slepers (*Wesuwe 1801).

31 tussen 1822-1824 Johan Hermann Wubbels (*Gross Fullen 08-03-1775) met vrouw Anna Calharina Hüders (*Gross Fullen 1778) met zes kinderen.

Na het huwelijk van de dochter Maria Helena Wubbels op 18-04-1840 met Johan Bernard Sommer (*Veldhausen 24-06-1814) vestigden zich hier ook diens ouders Gerard Theodoor Sommer (*Lingen 1781 en Euphemia Aleida Rakers (*Ootmarsum 1780).

Na vertrek van deze familie in 1866 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Gerrit Jan Koers (*Gramsbergen 1814) met vrouw Hermine Geerlink (*Emlichheim 1823) met zeven kinderen.

32 tussen 1832-1834 Herman Bernard Alfers (*Lingen 1792) met vrouw Anna Gesiena Reusman (*Bakkum 1799) met vier kinderen.
33 ca 1835 Johan Herman Bekel (*Hesepe 05-08-1800) met vrouw Anna Catharina Wubbels (*1810)
34 1848 Mathias Köhnen (*Wesuwe 1826) met vrouw Anna Margaretha Dust (*Bramhar 1818.

Na vertrek van deze familie in 1857 naar Hongarije vestigden zich hier op de oostelijke helft Steffen Stevens (*Asschendorf 1825) met vrouw Anna Helena Ellerman (*Lindloh 1835) en op de westelijke helft Johan Bernard Tholen (*Lindloh 1831) met vrouw Euphemia Margaretha Arling (*Lindloh 1834).

35 1868 Johan Gerhard Voppen (*Hesepe 24-01-1803) met vrouw Anna Catharina Sicking (*Dalum 15-11-1806) met twee kinderen en één broer.
36 ca 1840 Bernard Hendrik Albers (*Biene 1792) met vrouw Euphemia Aleida Piepel (*Biene 06-01-1802) met drie kinderen en één broer.
37 ca 1860 Johan Hendrik Kempker (*26-3-1824) met vrouw Elisabeth Herbers (*Hesepe 1822).
38 1841 Bernard Backers (*Wildervank 1813) met vrouw Anna Angela Pollman (*Neu Ringe 1812).
39 ca 1830 Bernard Heinrich Schoemakel (*Hohen Dalme 1774) met vrouw Maria Anna Finder (*Westrum 1794) met één kind.
40 1832 Wilhelm Jaske (*Biene 1780), Euphemia Margaretha Jaske (*Biene), Anna Maria Jaske (*Biene 18-04-1831), Bernard Hendrik Jaske (*Biene 1777) met vrouw Anna Margaretha Kruse (*Biene 06-01-1803).

Verder woonden hier in: Theodoor Piepel (*Biene 1767) met vrouw Gesiena Adelheid Hillen (*Schepsdorf 1769) met twee kinderen.

41 tussen 1830-1835 Johan Wilhelm Finder (*Westrum 1802) met vrouw Maria Catharina Thien (*Rühler Twist 1795) met vier kinderen.

Na vertrek van deze familie in 1845 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Casper Husman (*Schwattenberg 1803) met vrouw Anna Maria Schröer (*Lindloh 1794).

42 voor 1846 Gerhardus Kramer (*Hesepe 21-12-1802) met vrouw Elisabeth Schepers (*Hesepe 29-10-1802) met één kind.
43 voor 1846 Jan Berend Bölle (*Fullen 1811) met vrouw Maria Catharina Müter (*Fullen 10-05-1804) met één kind.
44 1834 Johan Hinrich Holterhinke (*Hesepe 04-04-1806) met vrouw Anna Margaretha Niehers (*Hesepe 05-11-1809).
45 1831 Geert Harm Herbers (*Lingen 11-08-1787) met vrouw Anna Maria Bekel (*Hesepe 14-10-1795).
46 1835 Johan Bernard Kämpker (*Meppen 1791) met vrouw Anna Margaretha Albers (*Löningen 1802) met vijf kinderen.

Na vertrek van deze familie in 1868 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Johan Heinrich Möhlman (*Wesuwe 1815) met vrouw Anna Helena Korte (*Wesuwe 1817) met drie kinderen.

47 1837 Gerhard Herman Rakers (*Rühler Twist 10-10-1808) met vrouw Anna Margaretha Wubbels (*Fullen 16-03-1814).

Na vertrek van deze familie in 1868 naar de Verenigde Staten vestigden zich hier Johan Bernard Hummeldorf (*Gross Fullen 1828) met vrouw Anna Adelheid Wolken (*1829) met vier kinderen.

48 tussen 1816-1819 Bernard Mars (*Geeste 1780) met vrouw Helena Hävel (*Meppen 1789) met twee kinderen.
49 1839 Johan Herman Borgman (*Wesuwe 06-12-1798) met vrouw Anna Aleida Ellerman (*Lindloh 24-04-1805.
50 tussen 1820-1830 Lucas Lammers (*Hesepe 1765) met vrouw Anna Maria Regina Gelshorn (*Hesepe 30-12-1770.

Na splitsing van deze plaats in 1869 vestigden zich hier eveneens Jan Schröder (*Laar 1823) met vrouw Anna Jozefina Mittendorf (*Laar 1828) met zes kinderen.

51 1836 Johan Heinrich Arens (*Versen 1812) met vrouw Maria Thecla Wilmes (*Rütenbrock 1810).
52 1834 Johan Heinrich Temmen (*Meppen 1808) met vrouw Catharina Backers (*Wildervank 1813).
53 1832 Johannes Georg Borgman (*Wesuwe 1781) met vrouw Adelheid Deiman (*Dankern 03-04-1803).
54 1829 Rudolf Koop (*Wesuwe 1803) met vrouw Margaretha Aleida Wilmes (*Rütenbrock 1804).
55 1829 Herman Heinrich Kohnen (*Altenberge 1799) met vrouw Catharina Adelheid Röckers (*Volsel 17-04-1803).

In 1841 is deze plaats verkocht en gesplitst. Op de westelijke helft vestigden zich toen Johan Bernard Wessels (*Altenberge 1812) met vrouw Margaretha Adelheid Ellerman (*Lindloh 1810).

Na verkoop van de oostelijke helft aan de markegenoten van Zuidbarge en Noordbarge, is deze in 1852 gesplitst en verkocht aan Jan Harm Wellen (*Lingen 1826) met vrouw Maria Helena Borgman (*Lindloh 1831) en Herman Bernard Wellen (*Bawinkel 1814) met vrouw Anna Helena Mars (*Dalen 1822).

56 1829 Herman Hendrik Borgman met vrouw Maria Ellerman (*Lindloh).
57 1887 Johan Gerard Arens (*Klein Ringe 21-02-1848 met vrouw Anna Margaretha Smeman (*Emlichheim 09-11-1855).
58 1817 Bernard Jacob Roosken (*Hesepe 1766) met vrouw Anna Maria Wehkamp (*Backum 1782.

De agrarische mogelijkheden en problemen in de nieuwe kolonie verschilden niet van die in de Duitse koloniën. Slechts in één opzicht waren sommige kolonisten beter af: hun eerste onderdak vonden ze in de met de grond gepachte of aangekochte boo. Minder gelukkigen begonnen vaak met de bouw van een schuur en huisden daarin een tijd lang samen met het vee. Er zijn nog steeds families die daaraan de huisnaam 'Schuren' hebben te danken.

Kerkelijk behoorden de nieuwe bewoners voorlopig nog tot de parochie Twist. Ze werden er in de eerste tijd als 'Colonist in Booëndorf' in de kerkregisters vermeld. Zoals soms in nieuwe nederzettingen, regelden de pioniers hun zaken op eigen wijze. In 1825 weigerden ze ondanks de gemaakte afspraken, bij te dragen aan de bouw van een nieuwe kerk in Twist. Ook de jaarlijkse kerk bijdrage werd door menigeen niet of veel te laat betaald. Men wenste een eigen parochiekerk, maar die kwam er pas in 1849. Daarvoor werd er gedoopt en getrouwd aan de andere kant van de grens. Omdat een kerkelijk huwelijk daar volstond (de Burgerlijke Stand was na de Napoleontische tijd afgeschaft), dacht een aantal kolonisten dat de zaken in Nederland niet anders lagen. Hun burgerlijke huwelijken vonden we pas in de registers van de Burgerlijke Stand van Dalen ná de geboorte van enkele kinderen. Want tot die gemeente bleven de dorpen (Oud-)Schoonebeek en het in Nieuw Schoonebeek herdoopte Booëndorf tot 1884 behoren. Vanaf 1884 vormden ze samen de gemeente Schoonebeek.


Oud- en Nieuw- samen?:

Elk van de beide dorpen bleef zijn eigen leven leiden in deze uithoek van Nederland. De verbindingen met de buitenwereld ontbraken nagenoeg geheel en een verharde weg tussen Coevorden en Oud-Schoonebeek kwam er pas in 1879, die tussen Oud- en Nieuw-Schoonebeek werd aangelegd in 1905.

Economisch en maatschappelijk waren er grote verschillen tussen de bewoners. In Oud-Schoonebeek woonde sinds eeuwen een groot aantal, redelijk welvarende, eigengeërfde boeren. De Nieuw-Schoonebeeker kolonisten waren pas kort baas op eigen erf, de meeste voor het eerst en hun financiële mogelijkheden waren over het algemeen beperkt. In Oud-Schoonebeek waren reeds generaties lang achterneef en achternicht en neef en nicht met elkaar getrouwd. Bijna iedereen was familie van elkaar. De eerste generatie Nieuw-Schoonebeekers was voor 20% geboortig uit Groot- en Klein Hesepe en voor de rest uit verschillende Emsdorpen en ook uit de aangrenzende Duitse koloniën. De onderlinge verwantschap was er minder sterk. Er werd nog al wat buiten het dorp getrouwd, met name in Duitsland. De gezinnen waren over het algemeen groter dan in Oud-Schoonebeek. Tenslotte was er het verschil in godsdienst. De inwoners van Oud-Schoonebeek waren hervormd of gereformeerd, de Emslandse kolonisten zonder uitzondering katholiek.


Vertrek naar het verre:

Zoals in vele veendorpen in Drenthe bleken ook in Schoonebeek de nieuwkomers meer vooruitstrevend dan de bewoners van het oude dorp. Ze hadden weinig te verliezen. Vanaf 1840 vertrokken sommigen van de eerste generatie kolonisten als landverhuizer naar Amerika, van de tweede en derde generatie zouden er velen volgen.

Waarom trokken zij weg uit Nieuw-Schoonebeek? Waren het de misoogsten aan het einde van de 40er jaren van de vorige eeuw? De vrees voor uitputting van hun grond door de boekweitcultuur? Het karige bestaan? In de 'Staten van Landverhuizers naar Noord Amerika of andere Overzeesche Gewesten' vinden we als motivering meestal 'hoop op een beter bestaan' en een enkele keer 'het zoeken van fortuin'.

Ongetwijfeld zal de emigratie aan de andere kant van de grens naar Amerika, een rol hebben gespeeld. In de herfst van 1840 venrokken vanuit Twist acht gezinnen, in totaal 60 personen naar de Nieuwe Wereld. Twee gezinnen daarvan waren afkomstig uit Nieuw-Schoonebeek. De reis ging eerst naar Bremen en van daar met de driemaster 'Rebecca' naar New Orleans. De groep voer per stoomboot de Mississippi en de Missouri op en vestigde zich in het dorp Taos in de staat Missouri, waar nog talrijke afstammelingen van de landverhuizers van 1840 leven.

Over de bestemming van de meeste Nieuw-Schoonebeeker emigranten is niet veel bekend. In de eerder genoemde 'Staten' komt in de meeste gevallen geen exacte bestemming voor; we vonden enkele malen Michigan en St. Louis en verder Ohio. Emigratie naar Michigan vanuit het katholieke Nieuw-Schoonebeek is weinig waarschijnlijk, omdat daarheen voornamelijk Christelijk gereformeerden vertrokken. Nagelaten familiepapieren melden nog een vertrek naar Illinois. Opvallend is dat volgens de 'Staten' tien inwoners van Nieuw-Schoonebeek naar Hongarije emigreerden.

Gezien de overwegend agrarische afkomst van de emigranten en de ontwikkelingen in de Verenigde Staten in de periode van emigratie, die tussen 1840 en 1895 viel, mag worden aangenomen dat het gros zich in het Midden Westen heeft gevestigd.

Ook over de gevolgde reisroute ontbreken verdere gegevens. Het ligt voor de hand dat in de meeste gevallen Bremen de haven van vertrek is geweest. Men onderhield immers nog talrijke betrekkingen met het Emsland en de afstand naar Bremen was ongeveer gelijk aan die naar Amsterdam.

Van de uit Nieuw Schoonebeek vertrokken emigranten is de volgende lijst samengesteld:

   
1840 Herman Heinrich Borgmann (*Schwartenberg 1802) met vrouw Maria Ellerman (* Lindloh 1801) en vijf kinderen.
Friederich Kerperin (*Hesepe 03-01-1791) met vrouw Anna Helena Wolken (*Hesepe 1790) en vijf kinderen. Met de "Rebecca".
Herman Bernhard Kuis (*Biene 1786) met vrouw Anna Gesina Temmen, twee zonen en drie dochters.
Gerhard Pöttker met vrouw Maria Elisabeth Beenen en vier kinderen. Met de "Rebecca".
Hermann Heinrich Wolken (*04-08-1799) met vrouw Euphemia Adelheid Robben (*1803) en drie kinderen.

1845 Berend Hendrik Achteren (30 jaar, landbouwer) met vrouw Maria Elisabeth Borgmann, twee kinderen en een dienstbode. Naar Michigan.
Jan Berends Bruins (44 jaar, landbouwer) met vrouw, vijf kinderen en schoonmoeder. Naar Michigan.
Johann Wilhelm Finder (*Westrum 1802, landbouwer) met vrouw Maria Catharina Thien (*Rühler Twist 1795) en zeven kinderen. Naar Michigan.
Jan Berends Taalken (30 jaar, arbeider) met vrouw en één kind. Naar Michigan.
Jan Hindrik Wessels (*11-10-1812, landbouwer) met vrouw Anna Margarethe Köhne (*Haselüne 23-05-1814) vier kinderen, schoonmoeder, schoonzus en twee dienstboden. Naar Michigan.

1847 Johan Eilers(* Aschendorf 1815, met vrouw Gesina Adelheid Rasz geb.Fullen 1811, één zoon en één dochter.

1849 Harm Hendrik Lammers (23 jaar, landbouwer). Naar St.Louis.
Jan Berend Lammers (*07-03-1828, landbouwer) Naar St.Louis.

1855 Bernardinus Harm Bakker (*08-02-1812, smid) met vrouw Anna Pollmann (*27-01-1812) en vier kinderen.
Theodorus Benedictus Wernerus Brentano (26 jaar, landbouwer) met vrouw.
Jan Geert Harbers (*17-11-1825, landbouwer) met vrouw en vijf kinderen.
Maria Margaretha Pleis (25 jaar, dienstmeid).
Margaretha Sluiter (44 jaar, winkeldochter).

1856 Bernard Hendrik Alvers (28 jaar, landbouwer).
Jan Berends Grönninger (*11-01-1824, landbouwer) met vrouw Anna Helena Neënstein (*09-10-1832).
Berend Kamphuis (44 jaar, arbeider).
Maria Margaretha Lammers (*02-10-1830, zonder beroep).
Gezina Aleida Nijenstein (19 jaar, zonder beroep).

1857 Gerard Josef Bösken (36 jaar, arbeider) met vrouw Susanna Margarethe Bollmer en vijf kinderen.
Thomas Anton Wernerus Theodorus Brentano (33 jaar, landbouwer).
Johan Christiaan Heinrich Grote (30 jaar, landbouwer).
Mathias Köhnen (*Wesuwe 1826, landbouwer) met vrouw Anna Margaretha Dust (*Bramhar 1818) en vier kinderen. Naar Hongarije.
Berend Hendrik Mars (25 jaar, landbouwer) Naar Hongarije.

1858 Johan Heinrich Huesmann (24 jaar, timmerman). Naar Hongarije.
Geert Hendrik Scholte (22 jaar, kleermaker). Naar Hongarije.
Jan Hendrik Steffens (24 jaar, landbouwer). Naar Hongarije.

1865 Harm Berend Wessels (*Rutenbroek (Hannover) 14-02-1838).

1866 Geert Berend Alfers (*Dalen 10-08-1834, timmerman).
Johan Herman Kempker (*24-06-1834) met vrouw Anna Gesina Borgman (*14-12-1840) en één zoon.
Bernard Mars (*Geeste 1780) met vrouw Helena Hävel (*Meppen 1789) en twee zonen.
Maria Gesina Scharpen (*Dalen 16-04-1841, dienstmeid) met haar tante zegger Jan Joseph Scharpen (*04-11-1856).
Jan Berend Sommer (*Veldhausen (Hannover) 24-06-1814) met vrouw Maria Helena Wubbels (*Fullen) twee zonen en zes dochters en Jan Hendrik Lommers (*Hesepe 19-01-1808).
Jan Harm Steffens (*Nijenhuis (Hannover) 15-04-1811, akkerbouwer) met vrouw Helena Margaretha Wessels (*11-06-1815) vier zonen en drie dochters.
Hermannus Wellen (*Bawinkel (Hannover) 25-07-1814, akkerbouwer) met vrouw Helena Mars (*1822) één zoon en twee dochters.
Jan Harm Wellen (*Lingen (Hannover) 16-05-1826, akkerbouwer) met vrouw Maria Helena Borgman (*19-02-1831) twee zonen en twee dochters.

1867 Berend Hendriks Lammers (27 jaar, kleermaker).
Jan Geert Lammers (18 jaar, dienstknecht).
Jan Harm Rakers (28 jaar, dienstknecht).
Johannes Hermannus Wessels (*03-10-1849).

1868 Maria Catharina Herbers (*Dalen 16-11-1846) met haar broer Geert Harm Rudolf Herbers (*Dalen 20-09-1850, zonder beroep).
Maria Aleida Kempker (*Dalen 09-04-1850).
Jan Berend Kempker (*Meppen 06-02-1791, akkerbouwer) met vrouw Anna Margaretha Albers (*Löningen 1802) en zoon Berend Hendrik.
Gerard Herman Rakers (*Rühler Twist 16-10-1808, akkerbouwer) met vrouw Anna Margaretha Wubbels (*Fullen 16-03-1814) drie zonen en drie dochters.
Jan Berend Temmen (*Dalen 26-12-1837, akkerbouwer).

1869
Jan Harm Herbers (*Dalen 15-05-1833, landbouwer). Naar Breese, Illinois.
Jan Harm Lammers (*Hesepe 02-04-1809, akkerbouwer) met zoon Gerhard Christian (*Twist 14-11-1831), schoondochter Angela Adelheid Ellermann (*Lindloh 15-09-1825), twee kleinzonen en drie kleindochters.

1871 Jan Hendrik Kempker (*Dalen 26-03-1822, akkerbouwer) met echtgenote Anna Maria Borgman (*27-04-1832), vier zonen en vier dochters.

1872 Benedictus Möller (22 jaar, dienstknecht).

1873 Andries Lovers (35 jaar, dienstknecht).

1874 Berend Hendrik Scherpen (*Dalen 22-11-1832, akkerbouwer). Naar St.Louis.
Johan Hendrik Wessels (*Dalen 26-05-1848, akkerbouwer). Naar Ohio.

1880 Gerardus Hermanus Herbers (*Dalen 08-09-1857). Naar Breese, Illinois.
Rudolphus Herbers (*Dalen 28-03-1863). Naar Breese, Illinois.
Maria Margaretha Aleida Herbers (*Dalen 10-12-1866). Naar Breese, Illinois.

1881 Johan Bernard Andreas Vedder (*12-02-1838), met vrouw Maria Catharina Wessels (*03-01-1847), twee zonen en twee dochters.
Gerhard Hendrik Wessels (*22-06-1854).
Johan Herman Wessels (*31-01-1857).
Maria Adelheid Wessels (*30-01-1865).

1889 Herman Hendrik Roosken (*31-03-1863).

1892 Herman Roling (*Dalen 30-06-1842) met vrouw Margarethe Adelheid Jansen (*Heseper Twist 25-04-1842), één zoon en één dochter. Naar Kansas.

1895 Gerhard Herman Janning (*25-02-1858) met vrouw Anna Gesina Husen (*25-12-1868).

Naspeuringen naar de Nieuw-Schoonebeeker emigranten in de boekwerken: "Dutch Immigrants in US Ship Passenger Manifests, 1820-1880" en "Dutch Households in US Population Censuses 1850, 1860, 1870" hadden geen resultaat. Mogelijk zijn de Nieuw-Schoonebeekers op grond van hun afkomst en/of de haven van vertrek als Duitse immigranten beschouwd.

Opvallend is het grote aantal emigranten, zowel absoluut als relatief, uit een dorp dat in 1870 slechts 675 inwoners telde. In de periode 1840 t/m 1895 vertrokken 218 personen naar Noord Amerika en Hongarije.

De emigratiebereidheid in vergelijking met de overige inwoners van Dalen was bijzonder groot. Volgens de 'Staten’ emigreerden in de periode 1845 t/m 1876 214 inwoners van de gemeente Dalen naar Amerika of andere overzeese gewesten. Hiervan waren er 146 rooms-katholiek. Men kan met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid aannemen dat deze laatste groep in zijn geheel uit Nieuw-Schoonebeek afkomstig was. Van de inwoners van Dalen woonde in de onderzochte periode gemiddeld ongeveer 15% in Nieuw-Schoonebeek. Dit dorp leverde echter ruim 68% van de emigranten.

Noot: Op de website Emslanders.com over immigratie naar de VS vanuit het Emsland staat een lijst met immigranten uit Nieuw-Schoonebeek: www.emslanders.com/emigrants_list_twist.htm


Komen en gaan:

Het gaat misschien te ver Nieuw-Schoonebeek in de 19de eeuw te beschouwen als een doorgangshuis. Maar de bevolking was er, zoals vaak in nieuwe vestigingsgebieden, driftig in beweging. Emigranten verkochten hun boerderijen vaak weer aan intrekkende Emslanders.

Voor geïnteresseerde genealogen en locale historici uit zowel Drenthe als het Emsland, is er niet alleen in Nieuw-Schoonebeek, maar in geheel zuidoost Drenthe nog veel (gezamenlijk) werk te verrichten.


Bronvermelding: Omhoog

  • "Nieuw Schoonebeek: Komen en gaan in Zuidoost Drenthe" door drs.J.J.van Poucke, met dank aan dhr B.H.Levelink te Nieuw-Schoonebeek, die zijn uitgebreide notities ter beschikking stelde en Mr.Richard Herbers te River Falls, Wisconsin.
Geraadpleegde literatuur:
  • A.J.van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Gorinchem 1841.
  • Horst H.Bechtluft, Die Historie vam Twist, Meppen/Ems 1977.
  • Horst H.Bechtluft, 200 lahre Moorkolonien Twist 1786-1986, Gemeinde Twist (Emsland) 1986.
  • Hermann Gröninger Lindloh, Aus der Geschichte emsländischer Moorkolonien, Nachdruck, Sögel 1982.
  • H.J.de Jong, Schoonebeek olierijk in zuidoost Drenthe, Stichting Het Drentse Boek 1986.
  • E.Karst jr., kerkelijk leven van pioniers deel 1 en 2. Dagblad van Coevorden van 24 en 27-6-1955.
  • H.D.Minderhoud, Schoonebeek de eeuwen door. Uitgave De Spiker, Schoonebeek.
  • H.J.Prakke, Drenthe in Michigan, Assen 1948.
  • H.J.Prakke, Deining in Drenthe, Assen 1955.
  • B.H.Slicher van Bath, De agrarische geschiedenis van West Europa (500-1850), Utrecht/Antwerpen 1960.
  • Robert P.Swierenga, Dutch lmmigrants in US Ship Passenger Manifests, 1820-1880, Wilmington Delaware, USA 1983.
  • Robert P.Swierenga, Dutch Households in US Population Censuses 1850,1860, 1870. An Alphabetical Listing by Family Heads, Wilmington Delaware. USA 1987.
  • P.H.Witkamp, Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland, Tiel 1877.
De lijst van kolonisten die zich in Nieuw-Schoonebeek vestigden, is samengesteld aan de hand van:
  • Parochieregisters van de rooms-katholieke parochie Twist
  • Bevolkingsregisters van Dalen
  • Gegevens uit de Volkstelling van 1850 in Dalen
Bij de samenstelling van de lijst van emigranten uit Nieuw-Schoonebeek zijn de volgende bronnen gebruikt:
  • De passagierslijst van de "Rebecca"
  • verkoopakten van boerderijen in Nieuw-Schoonebeek
  • De 'Staten van Landverhuizers naar Noord Amerika of andere Overzeesche Gewesten', aanwezig in het ARA te 's-Gravenhage
  • De Bevolkingsregisters van de gemeenten Dalen en Schoonebeek. Voor zover deze bronnen onderlinge verschillen vertoonden, is de voorkeur gegeven aan de informatie uit de Bevolkingsregisters en vervolgens aan die uit de Staten van Landverhuizers

Free counter and web stats

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.