|
Een boô (vaak geschreven als boe) is een oude Saksische veehut welke uit
eiken stijlen is, opgetrokken en waar de herder zelf ook wel bleef overnachten.
Het woord boô is een oud Saksisch woord verwant met het Duitse "Bude"
(stal) of het Deense "bo" (woning). Het Drents / Saksisch was een
eigen taal/dialect in de wijde omtrek. Van Coevorden tot Hannover en ver naar
het noorden tot in Denemarken toe. De uitspraak klinkt als "boe" of
"boe-e", maar de originele schrijfwijze is "boô". Op oude
historische kaarten van Drenthe zijn diverse boô-en (met deze spelling) terug
te vinden. Het dakje op de 2e o duidt erop dat een letter (een d?) is
weggevallen. Dat boô zou zijn afgeleid uit het Friese "bûthús" is
onjuist! (bron: Wim van Vugt)
Het woongedeelte bezit een wand, die uit twijgen is gevlochten en daarna met klei
en koemest is bepleisterd. Een boô is met riet gedekt en is, in tegenstelling tot het
gebruik in de gewone Drentse stallen, zodanig ingericht, dat het pad niet voor, maar
achter de koeien loopt met aan weerszijden een "grup". De boô bestaat uit
twee gedeelten waarvan het ene voor verblijf van vee en het andere als "woning"
van de boô-heer was bestemd.
Deze had tot taak te waken over het vee. In totaal stonden er ongeveer 20
stuks vee in een boô. Naast iedere boô werd een eenvoudige schuur getimmerd
waar hooi en dergelijke voor het vee werd opgeborgen.
Het woongedeelte van een boô was niet bepaald comfortabel. Het bestond n.l.
uit een ruimte van 4 bij 3 meter, waarin een bedstee was afgetimmerd, welke met
een schuifbare deur kon worden afgesloten.
Verder bevond zich in deze ruimte nog een ronde tafel, een stoel, wat turf in
een hoek, een tuitlamp, een karnton, een provisiekast, "spindel"
genaamd, een kleine potkachel en potten en pannen enz.
De boô-heer, een vrijgezel, kookte daar zijn eigen potje, karnde zijn eigen
boter en sliep er.
Boekweiten, of roggepap en spekpannenkoek vormden de hoofdschotel van de
maaltijd, die vaak met enige boô-heren gezamenlijk werd genuttigd.
Hij kortte de avonden met het vlechten van "knevels" (koetouwen van
zelf verbouwde hennep) het breien van kousen of met het kouten met collega’s,
die elkaar dikwijls bij toerbeurt plachten te bezoeken.
Eens in de veertien dagen keerde de boô-heer terug naar de boerderij, om
schone kleren en proviand te halen. Voor het verzamelen hiervan gebruikte hij
een mand of ook wel een grof linnen kussensloop.
Hoewel een boô-heer natuurlijk aan de eigenaar van de boô ondergeschikt
was, moet men hieruit niet afleiden, dat hij een minderwaardige betrekking had
te vervullen. Integendeel! In hem werd een zeer groot vertrouwen gesteld. De
enige melkkoe die zich onder het vee bevond, was in heel haar opbrengst voor de
boô-heer, benevens de eieren die de kippen in de warme stal legden.
Als in het voorjaar het hooi op was en het jongvee nog niet in de wei kon,
verhuisde de boô-heer met heel zijn hebben en houden naar de boerderij. Het
hele gezin haalde dan in feeststemming, de boô-heer binnen.
Het zal u niet verbazen, dat welgestelde boerenzoons, die de "houwelijcken"
staat niet begeerden, naar een dergelijke werkkring dongen.
Brand:
De historische Wilms boô van Nieuw Schoonebeek is in de nacht van 16 op 17
oktober 2004, even voor middernacht, door brand verwoest. De oorzaak is nog
onbekend. Van het eeuwenoude gebouw bleven slechts geblakerde gebinten over. De
boô was eigendom van de Oudheidkundige Stichting De Spiker. De Wilms boô was
de enige originele boô die Drenthe nog rijk was.
Van alle kanten werd hulp aangeboden. Op dinsdag 29 maart 2005 kon de
restauratie van start gaan. Door bouwbedrijf Kuik uit Elp werd in het Duitse
Emlichheim een oude schuur gedemonteerd. Coördinator was Jelle Langeland van
het Drents plateau.
|