|
Roswinkel:

|
|
|
|
|
|
|
Ontstaan:

|
|
|
De Roswinkelerstraat in Roswinkel. Rechts de elektriciteitscentrale
|
Roswinkel is een dorp dat altijd op zichzelf heeft gestaan. Het had meer binding
met Westerwolde (oostelijk deel van de provincie Groningen), dan met Emmen. Dit blijkt
o.a. uit de veldnamen "dresken" (hetgeen tijdelijk bouwland betekent en oorspronkelijk
tussen de Kerkdijk en de Roswinkelerstraat lag) en "wisken" hetgeen half natuurlijke
weiden zijn. Deze termen zijn volgens kenners typisch Westerwoldse termen. Die binding was
in de vorige eeuw nog te zien aan de kleding die men droeg. Deze week af van de kleding die men
in andere Drentse dorpen gewoon was te dragen. Het gevolg van de zelfstandigheid was dat het
provinciaal bestuur van Drenthe in 1836 vond dat Roswinkel maar een eigen gemeentebestuur moest
krijgen.
De bewoning is vrij langgerekt en aangelegd op de hogere zandrug van een voormalig veengebied.
De meeste boerderijen lagen voornamelijk aan de veen (= west) zijde van de weg.
Hoewel Roswinkel in de Middeleeuwen niet met een "schuldmudde" (een soort belasting op
woeste gronden) is belast waaruit zou kunnen blijken dat het ouder is dan de 10e eeuw,
dateren de oudste voorwerpen die men in Roswinkel echter gevonden uit de z.g.n. Karolingische
tijd (ongeveer 1200 jaar geleden). Het is, door deze vondst aannemelijk dat er toch wel een soort
dorpje of nederzetting geweest is, want in de Karolingische tijd zal iemand met 145 munten
op zak vast niet voor z'n lol door het zeer moeilijk begaanbare veen getrokken zijn.
|
|
|
Herkomst naam:

|
|
|
|
Roswinkel wordt voor het eerst in een acte vermeld in 1327. Roswinkel werd toen
"Roeswinkel" genoemd. Een vertaling van deze acte in 1471 leert dat het om een rechterlijke
uitspraak gaat tussen het klooster van Schildwolde en de buurtschap van Weerdinge. Voor
de naam Roswinkel zijn twee mogelijke verklaringen:
- Roswinkel zou "Paardenhoek" of "Paardenweide" kunnen betekenen.
Ros (=paard), winkel een oud woord voor hoek (mogelijk weide). De boeren uit deze omgeving
zouden dus paarden hebben gehouden. Bij een eventuele paardenhoek is de eerste gedachte
dat dit boerenpaarden zouden zijn geweest. Echter de boeren gebruikten nog tot ver in de
Middeleeuwen ossen als trekdier terwijl de naam "Roeswinkel" uit 1327 stamt.
- Roswinkel zou "Riethoek" kunnen betekenen. Opvallend is echter dat van deze
logische verklaring vrijwel geen gewag wordt gemaakt. "Ruis" = "roes" =
"rose" = "ros" = "riet". Riet werd in de bocht van de Runde
(winkel = hoek-bocht) verbouwd.
Vissers kennen de rietvoorn ook als ruisvoorn. In de laatste naam is de oude aanduiding voor
riet terug te vinden als ruis. Er bestaat er een gelijksoortige plaatsnaam; Ruisbroek in de
buurt van Brussel en een bekende middeleeuwse mysticus heette Jan van Ruusbroeck. Ook hier de
combinatie van twee oude namen. Ruus = riet en broek = laag gelegen land.
Van Dale geeft voor russen o.a.: biezen met de verwijzing naar trillen als een rus, beven als een rietje.
Het dorp Roswinkel bestond in eerste aanleg uit drie delen. Het middendeel werd "Stad"
genoemd, dat eigenlijk een verbastering is van "Stee". Anders gezegd de woonstee of
woonplek. Vergelijk ook deze betekenis in Stad of Ste(e)de; Stadhouder of Stedehouder. Deze
woonomgeving bevatte dan ook de kerk met pastorie, het schultehuis, het paandershuis en de
kosterswoning. De zuidkant werd het "Zuidereind" genoemd, daar woonden de
"zoerdkers". De noordkant werd uiteraard bewoond door de "noordkers".
|
|
|
Kerkgeschiedenis:

|
|
|
De kerk van Roswinkel rond 1845.
|
De acte uit 1327 maakt niet duidelijk of Roswinkel toen al een eigen
kerk had. Volgens de heer Scherft, die veel onderzoek naar Roswinkel heeft
gedaan, zouden er aanwijzingen zijn dat Roswinkel zich in de 15e eeuw afsplitste
van de moederkerk in Emmen en als zelfstandige parochie verder ging. Op zich
logisch want Roswinkel lag vrij afgelegen van Emmen en de verbindingen waren slecht.
Een anekdote aangaande de kerk: In 1598 werd Drenthe protestant. Na dat jaar moest de
bevolking van Roswinkel er steeds aan herinnerd worden dat de kruizen van het vroegere katholiek
kerkhof verwijderd moesten worden. Dit kerkhof lag rond de kerk. Het gebeurde echter nogal eens
dat men niet goed meer wist welke plekken op dit kerkhof nog vrij waren om iemand te begraven.
Voordat de overledene dan ter aarde besteld werd, ging men eerst proefgraven en kijken welke plek
nog vrij was.
|
|
|
Boekweit en ossen:

|
|
|
|
In de 17e eeuw werd rondom Roswinkel veel boekweit verbouwd. Een graansoort die scherp
driekantige dopvruchtjes bevatte met één zaad dat eetbaar is. Deze vruchtjes lijken op
beukennootjes en de plant wordt overeenkomstig een graangewas gebruikt (echter niet voor
brood), vandaar de naam (boek-weit = beuk-tarwe). Boekweit wordt thans nauwelijks nog
geteeld wegens de bewerkelijkheid en kwetsbaarheid van de cultuur en wegens de geringe
opbrengst. Men spreekt wel van de boekweit brandcultuur omdat dit overeenkomt
met een manier van landbouw in de tropen. De omgeving kaal branden en de vrijkomende
grond te bebouwen zolang deze vruchtbaar is en daarna te verlaten voor een nieuw terrein. Vooral
keuterboeren hielden zich met boekweitteelt bezig. De marke van Roswinkel was te klein voor de
boekweitcultuur. Na 6 jaar was de grond uitgeput en moest het 20 jaar braak liggen.
De boekweitcultuur heeft in Roswinkel en omgeving voor diverse conflicten
gezorgd. Zo werden er grensverdragen gesloten die echter door de drang naar meer
boekweitgronden werden genegeerd door de keuters. In 1773 en 1776 werd dat
beantwoord door overvallen van manschappen uit Munster. Eén maal echter was
de Roswinkeler bevolking op hun hoede en vond er een treffen plaats waarbij de overmacht
van de Roswinkeler bevolking in eerste instantie groot was. Eén van de
Munsterse soldaten werd in Emmen bij de drost in bewaring gesteld. De Munstersen
lieten het er echter niet bij zitten en lokten de Roswinker boekweitboeren in
een hinderlaag waarbij vier Roswinkelers naar het Munsterland werden afgevoerd.
Stadhouder Willem V bereikte in diplomatiek overleg dat in 1786 eigendomsrecht
en schaderegeling werden vastgesteld.
Ook leverde de fok van ossen inkomsten op. Doordat in de 17e eeuw "hoorngeld" (een
soort belasting) werd ingesteld konden de opbrengsten hiervan per kerspel worden bepaald.
Echter rond 1740 deed zich een kentering voor. De westerse boeren gingen zich meer en meer
op melkvee bedrijf oriënteren waardoor de vraag naar ossen minderde. Ook de veepest
epidemieën zullen daaraan mogelijk hebben bijgedragen.
|
|
|
De schans:

|
|
|
|
Zoals Emmen vroeger de Emmerschans bezat en mogelijk ook Noord en Zuidbarge
had ook Roswinkel een eigen schans. Over dit verdedigingswerk is echter heel
weinig bekend. Waarschijnlijk is de schans aangelegd in de achttiende eeuw maar
zeker is dat niet. Op wiens bevel en met welk doel de schans aangelegd werd weten we ook
niet. De overlevering in Roswinkel zegt echter dat het een "boerenverdediging" was die men
nodig had om de boeren uit Oberlangen te verdrijven. Deze lieten namelijk met de regelmaat
van de klok hun vee op de weiden van de Roswinkeler boeren grazen. De Roswinkelers waren
daar natuurlijk niet blij mee maar of ze om reden een heuse schans zouden hebben
aangelegd.....?
Er is nooit een archeologisch onderzoek geweest naar de schans in Roswinkel. Toch
zou deze redoute, zoals een schans ook wel genoemd wordt, rond 1900 nog zeer
herkenbaar aanwezig geweest zijn. In het boek "Roswinkel Vroeger En Nu" herinnert
mevrouw J.Boekholt Haan de schans zich als een kuil met daaromheen plat gelopen wallen.
Tijdens het slechten van de schans was er veel belangstelling van de bewoners van Roswinkel.
De overlevering vertelde namelijk dat er vroeger in de schans ooit eens veel geld was
begraven. Helaas voor de toeschouwers werd de schat niet aangetroffen. Wel vond men een
geraamte, een put en veel kleine kalken tabakspijpjes. Buiten de schans werden zware
dikke brugpijlers gevonden. De schans lag ten zuidoosten van Roswinkel tussen de
oude en nieuwe Runde. Waar hij exact gelegen heeft is Historisch Emmen helaas niet bekend.
|
|
|
Straatzangers:

|
|
|
|
In de collectie Brands is een lied aanwezig dat over een gebeurtenis
in Roswinkel vertelt. In de vorige eeuw trokken straatzangers van deur tot deur om het
laatste nieuws uit het dorp aan de mensen te vertellen (of voor te dragen).
Van zo'n straatzanger kon men tegen betaling van ongeveer een stuiver, een vers kopen dat
dan voorgezongen werd. Op deze manier kon men de laatste nieuwtjes en schandalen uit het
dorp te weten komen. Het vers dat ik Historisch Emmen publiceert dateert uit ongeveer 1890
en heeft drie cent gekost. Zo'n vers was geen verzonnen verhaal. Het onderstaande is dus
werkelijk gebeurd. Geniet en huiver:
|
|
|
Komt vrienden wilt aanhoren,
en luistert naar mijn lied.
en geen men stelt te voren,
in Roswinkel is geschied.
Geeft er moeite en verdriet.
Daar waren twee geliefden, en
die beminden elkaar
En scheen wel dat die minnaar,
een valsche minnaar waar.
Ja, dat duurde zo zeven jaar,
heeft hij met haar gedaan
En nooit is 't eerlijk meissien,
met een ander gegaan.
Dus is dat niet knap gedaan.
Gij lafaard moogt u schamen, gij
zijt een beest gelijk
Gij volgt in ieder ogen, bij arm
en bij rijk
Ja bij 't minste dier gelijk komt
eens het kind ter wereld
Gij weet eens komt de tijd, dan
weet gij toch wel zeker
Dat gij de vader zijt.
Grote valsaard dat gij zijt, en
ook uw huisgenooten
Hebt gij geen schaamte meer, en
gaat uw kind ontstoken
brengt hem op het pad en eer. Zo
hebt bij geen schaamte meer.
Brengt dus uw zoon uw liefde,
weer op de rechte baan.
Spoort hem dus tot trouwen aan.
Nu gaat hij haar verlaten
Oh wat een deugeniet, vlucht nu
naar het Pruis gebied
Dan komt gewis gepeupel
Nu zet zich tot den strijd, dan
weet gij toch wel zeker
dat gij de vader zijt.
|
|
|
Beroepen:

|
|
|
|
In 1654 telde Roswinkel, behoudens de keuterbedrijfjes, 34 boerenbedrijven.
Door het ontbreken van een goede bestaansbasis was het leven in Roswinkel vol
onzekerheden. In een registratie van de schulte uit 1807 blijken de volgende
beroepen: 22 keuters, 3 slachters, 5 kooplieden, 3 smeden, 3 kleermakers, 1
schoenlapper, 3 timmerlieden, 2 schoenmakers, 1 wieldraaier, 3 tappers, 2
vleeshouwers, 2 kuipers, 2 wevers, 4 ambtenaren, 1 klompenmaker, 1 stoeldraaier
en 1 molenaar.
Uit de haarstedenregistratie blijkt dat er vele keuters onder de zorg van de diaconie vielen
en registreerde de schulte tevens 23 armen en behoeftigen.
Voor smokkelaars lag Roswinkel natuurlijk heel gunstig. Het lag immers vlak
aan de grens. In de vorige eeuw zijn de ook veel bewoners van Roswinkel wel eens
stiekem de grens over geglipt om er goedkope goederen te halen. Eén van deze
smokkelaars heette "Zolt" omdat hij veel zout de grens over smokkelde. Een andere bekende
smokkelaar was Jan Plagge. Hij wist blindelings alle verborgen paadjes en weggetjes door
het veen te vinden zodat hij ongezien de grens over kon komen.
|
|
|
Boeken:

|
|
De volgende boeken zijn bij Historisch Emmen bekend:
- Jubileumuitgave 1883-1983 ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van de OLS I te Roswinkel.
- Roswinkel, Vroeger en Nu, uitgave juni 1977.
Aanvullingen?
Geef ze door:
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- G. van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd).
- Collectie Brands.
- F. van der Veen, OBS De Dreske te Roswinkel.
- Aanvulling door L.Grooten, OBS De Dreske te Roswinkel.
- Aanvulling door G.Groenhuis.
|
|
|