|
Weerdinge: IJsspoorweg

|
|
|
|
|
|
Kadastraal:

|
|
|
Nog uit te werken.
|
|
|
|
IJsspoorweg:

|
|
|
Kaart anno 1634.
Kaart anno 1681.
|
Een weg gelegen tussen Weerdinge en Roswinkel was de IJsspoorweg. Deze bestond uit twee ondiepe greppels
die in het veen gegraven waren. De weg was nooit bedoeld voor treinen maar diende voor het vervoer van keien en leem.
Deze greppels, die - op een afstand van wagensporen - evenwijdig aan elkaar waren gelegd, kwamen
door regen onder water te staan en als het water in de winter bevroor konden
de greppels gebruikt worden om met wagens keien en leem te vervoeren. Een tocht over de bevroren
veenspoorweg was in de winter makkelijker dan in andere jaargetijden als
het veen vochtig en zacht was waardoor de wagens soms wegzakten in het veen.
Op de twee kaartjes is de IJsspoorweg aangegeven.
- Op de Pijnackerkaart uit 1634 staat: "Den spoerwech 's winters pass".
Hiermee werd bedoeld dat het pad ook 's winters "passabel" (passeerbaar) was.
- Op het kaartje uit 1681 staat: "spouweck".
In de boerkist, of boerschrien, van Roswinkel werden twee stukken, uit 1711 en 1736, aangetroffen.
|
|
|
Document 20 februari 1711:

|
|
|
|
In de boerkist, of boerschrien, van Roswinkel werden twee stukken, uit 1711 en 1736, aangetroffen.
De inhoud van het document gedateerd 20 februari 1711 luidt als volgt:
"Twee volmaghten van Roswinkel, als Jan Haasken en Jan Alberts, hebben ons Scholts en
buuren, die waeren de E.Wolter Warners en Mr. Hendrick Gerrits versogt om haerent wege of uijt naam van het gantze Carspel
van Roswinkel op Weerdinge, waarover sij des winters gewoon sijn haar Liem uit Weerdinger holt te halen
en hebben wij bevonden, dat dezelve van Weerdinge off en so oostwaerts of veenwaerts in nae Roswinkel
en bijnae een quartier gaants met veen gruppen waer doorgegraven, kunnende echter nogh onderscheijdentlijck
gezien worden, waer dat deselve heene gaet, gelijck sulks ook bij die van Weerdinge, aldaer voor het
grootste gedeelte praesent zijnde, werde angewezen, en hebben wij alsdoen ook bevonden, dat de spoorwegh
gemelt ten Oosten van het boeckweijten land waer door gegraeven met eene Hooffsloot lopende uijt het
suiden dwars door de spoorwegh noort waers in, bij al het welke die van Roswinckel oordeelden zeer
benaedeelt te zijn, dewijl haer spoorwegh, die zij voor ondenckelijke jaeren vrij hadden gebruickt,
daardoor werde onbruickbaer gemaekt, gelijk sulx bij de Eygenaeren van Weerdinge daer praesent zijnde
en genaemt Willem Jolinge, Gerrit Jolinge, Geert Elckinge, Jan Roelofs Elckinge,
Hendrick Elckinge beneffens eenige meijeren niet is ontkent, maar zijn hijr over in voegen onderschreven
ten overstaan van ons scholtes en buuren geaccordeert, dat die van Weerdinge in het toecoemende somer 1711 de
gruppen, gaande door den spoorwegh so verre sullen inslighten, dat in den spoorwegh twee wagens malkanderen
obvieërende ten volle konden passeeren. Edogh sal de boven geroerde Hoofdsloot mogen verblijven, mits
dat die van Weerdinge daar over tot gebruick en commoditeit van die van Roswinkel een syl of dam moeten
leggen en onderholden, hebbende ook die van Weerdinge beloofft dat zij voor het comende de spoorwegh niet
weder sullen doorgraeven maar tijdelijks in het graeven van boekweijten groepen of anders een tree acht
a tyn wedersijts daar off blijven: dat dit alles aldus in onse bywesen is gepasseerd sulks blijckt uijt
onser naemen vertijckeningen gedaen op den 20 february 1711."
Het werd ondertekend door schulte Hugo Emmen, Wolter Warners en schoolmeester Hendrick Gerrits.
|
|
|
Document 10 januari 1736:

|
|
|
|
In de boerkist, of boerschrien, van Roswinkel werden twee stukken, uit 1711 en 1736, aangetroffen.
De inhoud van het document gedateerd 10 januari 1736 luidt als volgt:
"Ter instantie van de marktgenooten van Roswinkel heb ik onderschreven Scholtus, neffens twee
getuigen, geërfdens in de markte van Emmen, die waren de E.E. Harmen Stratensmits en Roelof Hendriks Cremer
het wester-ende van de spoorweg bezien, en bevonden, dat er een stukswegs bovens de bovenste watersloot an
weerskante van den spoorwegh het veene los gehouwen en so verre in den spoorwegh dat dezelve op vele plaetsen
boven een tree niet breedt is.
Dat er eene stuks weegs hoger na het veen in twee groepen, schuins tot an den spoorwegh gegraven zijn,
waar langs het water uit den spoorwegh kan en moet afloopen, loopende hierboven nog eene derde groepe tot omtrent
an den spoorwegh en vervolgens eene ende weegs der bij langs.
Voorts dat de olden spoorwegh door de marktgenooten van Weerdinge hierbij praesent sijnde ons aangewezen
ten eene maal onpassabel is, zijnde daar turfkuilen door gegraeven op het wester-ende na an het veld; vervolgens
hebben de boeren van Weerdinge ter praesentie van mij Schultus en voren genoemde getuigen an de ette Willem Haasken
ende Jan Alberts als gevolmagtigden van de Roswinkelsen belooft de Roswinkelsen aanstaande somer, so verre 't sy
gehouwen of gegraven, een sligte weg te sullen maken en een goede stoepe over de bovenste watersloot:
aldus gedaan, versochte acte daarvan afgegeven op den 10 januarij 1737.
Het werd ondertekend door schulte C.W.Emmen, Harmen Stratensmits en R. Hendriks Cremers.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- "Bijdragen tot de geschiedenis van Groningen" door dr.G.C.Acker Stratingh. p 331 e.v.
- "Drenthe in vlugtige en losse omtrekken" geschetst door de drie podachristen.
- Foto's: -
|
|
|