|
Julianastraat: de molen(s)

|
- Inleiding

-
- Molens in de omgeving van de Julianastraat en de Molenstraat anno:
- 1313 ,
- 1630 , 1645 - 1654 , 1661 ,
- 1728 , 1742 , 1756 , 1772 , 1774 ,
- 1775 , 1783 , 1784 - 1798 ,
- 1804 - 1821 , 1830 - 1831 , 1832 ,
- 1847 , 1856 , 1857 , 1867 - 1886 ,
- 1897 - 1900 , 1913 - 2001
|
|
|
|
Inleiding:

|
|
|
|
Er zijn vele, voornamelijk kortere stukjes, geschreven over molens in de
gemeente Emmen. Historisch Emmen heeft deze artikelen verzameld, aangevuld, op
chronologische volgorde gezet. Het beoogt niet volledig te zijn. In
een enkel geval is een aanname gedaan op basis van de voorhanden zijnde
informatie. Aanvullingen en correcties zijn welkom.
|
|
|
1313

|
|
|

|
- korenmolen 1: de "banmolen"
De oudst gevonden informatie aangaande een molen dateert uit 1313. Uit een, in
Latijn geschreven, akte van 7 augustus 1313 blijkt dat in Emmen
"twee gebroeders met de namen Henricus en Albertus, zonen
van Geradus, hoorigen der Kerk van Utrecht, verklaren den hof te Emmen in erfpacht te
hebben en daarvoor per jaar 80 mud koren, hout, eikels en palingen moesten afdragen
aan de bisschop van Utrecht" die in Emmen zijn hof had. Aan
deze molen was het banrecht verbonden. Dit banrecht hield in dat de lokale
bevolking verplicht was het graan in deze bisschoppelijke molen te laten malen.
|
|
|
1541

|
|
|
|
- korenmolen 1: de "banmolen"
De windmolen van de schulte werd verkocht en naar Coevorden overgebracht. In 1546
werd de molen aldaar gerestaureerd.
|
|
|
1630

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaar schulte Evert Warners Emmen
Ruim 300 jaar later, in 1630, werd te Emmen vermeld: "schulte Evert Warners huis,
gepriseerd op het maximum van ƒ4.500,- met een half waardeel". Evert Warners
bezat samen met Roelf Boelkens de molen tot Emmen, gepriseerd op ƒ2.700,-.
Daarnaast bezat hij het Herenhof, gepriseerd op ƒ4.500,-. Met Evert Warners
werd de schulte Evert Warners Emmen (1594-1654), voordien Mullinga geheten, bedoeld.
Er zijn geen aanwijzingen dat er rond 1630 meerdere molens in Emmen
stonden, waardoor wordt aangenomen dat met deze molen de banmolen werd bedoeld.
In 1630 werd ook nog vermeld: "de meule tot Emmen toekomende de scholte en Roeloff
Borch". Roelof Lucas Pranning (~1690-1748), stond in die tijd als molenaar te boek. Hij
pachtte deze molen vermoedelijk van de familie Emmen.
|
|
|
1645-1654

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaar schulte Evert Warners Emmen (1594-1654)
Volgens het boek "molens in Drenthe" stond er in Emmen in 1645 slechts 1 molen. De
bron ervan is niet bekend maar lijkt correct omdat in het molenblad Stellingnieuws staat:
"de molen van schulte Evert Warners werd in 1654 getaxeerd op ƒ1.500,-."
|
|
|
1661

|
|
|
|
In 1661 werd in een resolutie van drost en gedeputeerden geschreven over "de wederopbouw
en het bewerken van een molen". Werd hiermee de banmolen bedoeld?
|
|
|
1728

|
|
|
|
Uit een oud manuscript, wellicht afkomstig van iemand die tot de vroegere etstoel behoorde, is een
lijst is opgenomen met opbrengsten der belastingen in het jaar 1728. Hieruit blijkt dat "de
belasting op het gemaal" in Emmen was verpacht voor f 560,-. (Gasselte daarentegen f 180,- en Rolde f 861,-)
|
|
|
1742

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaar schulte Christiaan Wolter Emmen (1713-1772)
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
In 1742 werd ene Jan Hilbrands (1707-1787) genoemd
(kaartje Emmen #31).
Hij werd aangeslagen voor "4 paarden wegens ¾ waardeel en een vollersmolen".
Op #31 werd geen molen vermeld. Omdat in 1756 blijkt dat de banmolen nog aan de familie
Emmen toebehoorde komt hier een mogelijke tweede molen (een vollersmolen) in Emmen in beeld. Enige
jaren later volgen er publicaties over een vollersmolen nabij de Molenkamp.
In 1742 werd ook de erfnaam Pranning
(kaartje Emmen #53) vermeld waar ene mulder Pranning zou wonen. Een molen werd ook hier niet
vermeld. Was Pranning misschien de molenaar op de vollersmolen?
|
|
|
1756

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaar schulte Christiaan Wolter Emmen (1713-1772)
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
In 1756 huurde Albert Bening een molen van de schulte Christiaan Wolter Emmen.
|
|
|
1772

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaresse weduwe Alegonda Johanna Carsten
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
Na het overlijden van schulte Christiaan Wolter Emmen in 1772 stond de molen
gedurende twee jaar op naam van zijn weduwe, Alegonda Johanna Carsten.
|
|
|
1774

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaresse weduwe Alegonda Johanna Carsten
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
- molen x: weduwe Alberings molen
In 1774 werd in het haardstedenregister vermeld:
"wed.Alberings molen, aangeslagen voor drie".
Deze weduwe woonde tegenover de Nederlands Hervormde Kerk
(kaartje Emmen #53) waar ook mulder Pranning woonde. De weduwe Albering
kwam in 1773 met attestatie uit Hoogeveen naar Emmen. Zij had veel bezit in
Hoogeveen. Zij huwde op 29 november 1754 in Emmen met Hindrikus Albering (Hindrik
Albrinck 1703-1757). Welke molen werd bedoeld is onduidelijk.
|
|
|
1775

|
|
|
Akte mei 1775
|
- korenmolen 1: eigenaar Johann Henrich Beins (1748-1816)
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
- molen x: wed.Alberingsmolen
In 1775 volgde de momberbenoeming van de weduwe Albering over de kinderen van Everhardina Sophia
Carsten (1719-1775). Bij de momberbenoeming bleek dat o.a. de woning waar Hindrik Bos in woonde
(kaartje Emmen #46),
en de molen met huis en hof, tot het nog ongescheiden bezit behoorde. Na 1775 is er geen vermelding
met betrekking tot de weduwe Alberings molen meer gevonden.
In mei 1775 kocht (molenaar) Johann Henrich Beins (1748-1816)
voor 10.900,- Carolusguldens een korenwindmolen van schulte Christiaan Wolter Emmen.
"May 1775 heeft Hendrik Beenes van Borne
laaten aantekenen dat van Erfgenamen wijlen den Hr.Scholts Emmen hadde aan gekogt de
koornmolen te Emmen voor tijn duysent negen hondert car. gl."
Bij de koop werd het "een korenwindmolen in de marke van Noordbarge gelegen" genoemd.
Deze molen stond dus nabij de markescheiding van Emmen en Noordbarge. Deze markescheiding lag ter hoogte
"het oude kerkhof" op de hoek van de Wilhelminastraat en de Kerkhoflaan.
|
|
|
1783

|
|
|

|
- korenmolen 1: eigenaar Friedrich Wilhelm Beins (1762-1830)
- vollersmolen 2: eigenaar Jan Hilbrands sr (1707-1787)
In november 1783 deed Johann Henrich Beins de korenwindmolen,
voor hetzelfde bedrag als hij zelf had betaald, over aan zijn neef Friedrich
Wilhelm Beins (1762-1830).
"Frederik Beens van Noorthoorn dat de koornwindmolen
te Emmen staande hadde aangehoudde van sijn Oom J.H. Beens voor de selve prijs en
geldt als laags gemelte den selven hadde aangekogt namelijk tijn duisend en negen
hondert car. guld."
"Door mij eenen restant te somme van 72: - 10 ontfangen
den 29 Dec: 1785. Het overige is door De Hr Ontvanger Selfs ontfangen. Aan mij
gerestitueerd f 72 –10c d. 31 Dec 1785. H.J.Entinge"
|
|
|
1784-1798

|
|
|
|
In de periode 1784-1794 werden in Emmen twee molenaars vermeld:
- Friedrich Wilhelm Beins op
#56 (zie kaartje Emmen). Bij zijn bezittingen werd de korenwindmolen in de
"Bergermarkte" als eerste genoemd.
- Jan Hilbrands jr (1742-1829)op
#31 (zie kaartje Emmen). Deze Jan jr was een zoon van Jan Hilbrands sr (1707-1787
die in 1742 werd aangeslagen. Zowel in 1784 als 1794 stond vermeld:
"Jan Hilbrands (1742-1829) halve boer en molenaar".
In 1798 verliet mulder Pranning het
erf #53 (zie kaartje Emmen).
|
|
|
1804-1821

|
|
|
|
- korenmolen 1: eigenaar Friedrich Wilhelm Beins (1762-1830)
Zowel in 1804 als 1807 werd de molen niet meer bij de bezittingen van Hilbrands genoemd. Was deze verdwenen
door afbraak dan wel brand? Had hij de molen verkocht? Had Pranning in 1798 zijn biezen gepakt omdat hij
"werkeloos" was geworden?
Stellingnieuws: "Aan het begin van de 19e eeuw, in 1806 en 1811, treffen we in Emmen nog maar
steeds 1 molen aan die op naam staat van F.W.Beins, woonachtig te Veldhausen, in het graafschap Bentheim."
In 1807 werd slechts bij de bezittingen van F.W.Beins de korenwindmolen in de "Bergermarkte"
genoemd. Andere molens werden niet genoemd.
|
|
|
1830-1831

|
|
|
|
- korenmolen 1 (met aanvraag voor olie): eigenaar Jan Friderich Beins 1796-1872)
- olie/korenmolen 3: "tusschen den Korenmolen en het nieuwe Kerkhof" eigenaar Hendrik Kuiper
In 1830 overleed Friedrich Wilhelm Beins en ging het
erfgoed over aan zijn zoon Jan Friderich Beins (1796-1872).
In dit jaar schreef de burgemeester van Emmen, Jan Jacob Willinge, aan Gedeputeerde
Staten "dat er geheel geene huizen in de nabijheid dier molen gelegen zijn, daar
derhalve eenen aanmerkelijke distancie van het dorp is verwijderd en geheel alleen op het
veld staat".
Met Jan Friderich Beins als moleneigenaar leek
er gelijk een klein molenoorlogje te ontstaan. Gedeputeerde Staten gaven nl in 1830
vergunning aan Hendrik Kuiper om een oliemolen te bouwen in de marke van
Noordbarge "tusschen den Korenmolen en het nieuwe Kerkhof".
In 1831 wou oliemolenaar Kuiper echter ook koren malen.
Jan Jacob Willinge adviseerde afwijzend: "....dat
er geen behoefte bestaat tot het daarstellen van een tweede koornmolen,
dewijl op de aanwezige ieder dadelijk kan worden bediend.....".
Gedeputeerde Staten gaven Kuiper echter de gevraagde vergunning. Prompt vroeg Jan Friderich
Beins, als praktiserend korenmolenaar, op zijn beurt
vergunning om in zijn molen tevens "een olieslag te mogen
leggen". In 1831 werd deze vergunning aan hem verleend. Overigens was er
in 1863 nog geen gebruik gemaakt van deze vergunning.
|
|
|
1832

|
|
|
Gebruik uw muis...

|
- korenmolen 1 (met aanvraag voor olie): eigenaar Jan Friderich Beins
(1796-1872)
- olie/korenmolen 3:
"tusschen den Korenmolen en het nieuwe Kerkhof"
eigenaar Hendrik Kuiper
Op de kadastrale kaart uit 1832 staat op sectie D1916 een
"Koornmolen" aangegeven. Volgens de OAT was Jan Friderich Beins eigenaar.
Dit kadaster lag ongeveer 90 meter van de plaats waar in 1856 de molen aan de Molenstraat
zou verrijzen. Op deze kadastrale kaart is in de omgeving van D1916 geen enkele bebouwing
te zien hetgeen overeenkomt met de beschrijving van Jan Jacob Willinge in 1830.
|
|
|
1847

|
|
|


|
In 1847 onderzocht L.J.F.Janssen een gebied door hem genoemd als "de Saalhof".
Hij trof vervallen restanten aan van een grote vierkante ruimte omgeven door een dubbele
wal en een droge dubbele gracht. Janssen beschreef op die plaats ook een molen:
"Het terrein van de Saalhof behoort tot de marke van
Noord en Zuidbarge en vormt een vierkant, met rondom eenen dubbelen wal en twee
drooge grachten. De omvang zal p.m. 426 ellen bedragen, van binnen afgetreden.
De zuidelijke en westelijke hoeken zijn een weinig, de noordelijke is zeer geschonden;
misschien omdat daar de ingang is van de zijde van Emmen, en in de nabijheid daarvan, op
het hoogste punt de Emmensche molen geplaatst is.(...)
Buiskool schreef in "Zuidoost Drenthe op weg naar een
nieuwe toekomst deel III" dat er volgens zijn bronnen in 1847 in Emmen
drie molens stonden: "een volmolen, staande op de
naar deze molen genoemde Molenkamp", een oliemolen van de heer Beins
(ten oosten van de latere korenmolen aan de Molenstraat) waarvan het
onderstuk van 1856 nog bestaat, en een korenmolen van de gebroeders Albert
en Hendrik Kuiper (aan de Julianastraat, op perceel waarop vroeger het Emmer
Vleeswarenbedrijf was gevestigd)." Als bron wordt door hem
genoemd: "verzekeringen van oude inwoners zoals
Van Loo, Hovenkamp, Kooiker, Oosting te Zuidbarge en Reinders te
Westenesch". Dit Emmer Vleeswarenbedrijf was de runder-, varkens-,
paarden-, en lamslagerij van Alex Meiboom, die zijn bedrijf op de hoek van de Julianastraat en
de Kerkhoflaan uitoefende.
De omschrijving waar de molens stonden is interessant:
- Saalhof korenmolen 1 (met aanvraag voor olie): op sectie D1916, eigenaar Jan Friderich Beins
ten oosten van de latere korenmolen aan de Molenstraat.
- molen 2: al jaren niet meer genoemd, niet te traceren, toch mogelijk de vollersmolen?
- olie/korenmolen 3: "tusschen den Korenmolen en het nieuwe Kerkhof"
eigenaren Albert en Hendrik Kuiper, aan de Julianastraat.
|
|
|
1856

|
|
|
|
In 1855 had Jan Friderich Beins een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een nieuwe
koren- en pelmolen op kadastraal perceel sectie D2720.
In 1856 bouwde Jan Friderich Beins aan de straat die later
Molenstraat zou worden genoemd en omschreven als 0.7km z.z.o. van de kerk
aan de Dorpsstraat oostzijde, een nieuwe uit steen opgebouwde achtkante
molen met stelling. Er zou een aanwijzing zijn dat de molen in dit jaar
gebouwd is door de markegenoten van Zuid en Noordbarge "ten
doel hebbende het malen van de verbouwde granen tot meel", en
dat deze in 1857 aan Jan Frederik Beins in eigendom is overgedragen. Nadien
werden Beins zijn zonen mede eigenaren. Het jaartal 1856 prijkt (nog steeds)
boven de toegangsdeur.
Tussen 1857 en 1900 zijn er opstallen rond de molen gebouwd, waaronder
drie woningen. In 1897 kwam er een erfscheiding tussen de molen en andere percelen,
waardoor Het Grint (Wilhelminastraat) ontstond. Er werd een strook land terug
gekocht om de weg tot de molen te behouden. Zo is de Molenstraat tussen
Wilhelminastraat en Julianastraat ontstaan.
De grote vraag is wat er in of na 1856 gebeurde met de
"Saalhof molen" van Beins. Had Beins twee molens? Was de "Saalhof
molen" verwoest door natuurgeweld? Het lijkt uitgesloten. Een brand of
blikseminslag zou zeker in de Drents en Asser Courant zijn vermeld, hetgeen niet het
geval is. Was de molen misschien afgebroken of naar elders verplaatst? Er zijn geen
aanwijzingen gevonden dat de Saalhof molen hier na 1856 nog stond. In het
boek "Beens/Beins, sporen van een familie" dat in september 2004 is
uitgekomen wordt vermeld dat de molen is verkocht. Aan wie is niet aangegeven.
- olie/korenmolen 3:
"tusschen den Korenmolen en het nieuwe Kerkhof" eigenaren Albert en Hendrik Kuiper,
aan de Julianastraat. Op het perceel begon later Alex Meiboom een runder-, varkens-, paarden-, en
lamslagerij, op de hoek Julianastraat - Kerkhoflaan.
- korenmolen 4: van J.F.Beins aan de latere Molenstraat.
|
|
|
1857

|
|
|
Bericht van GS op 27 augustus 1856
aan J.F.Beins
Bericht van GS op 27 augustus 1856
aan R.Oosting
|
Om het verdwijnen van de Saalhof molen in 1856 te verklaren is een klein stapje
naar Zuidbarge nodig.
Zowel J.F.Beins als ene R.Oosting uit Sleen hadden in 1856 een aanvraag lopen voor
de bouw van een nieuwe molen. Beins had een aanvraag gedaan voor kadastraal perceel
D1010 te Zuidbarge, Oosting voor de naastgelegen perceel D1011. Op woensdag 27
augustus kregen zowel Beins als Oosting bericht van Gedeputeerde Staten.
Oosting kreeg een positief bericht van GS, hij mocht bouwen op
voorwaarde dat de molen in het midden der (akker) percelen D1011 en D1012
geplaatst zou worden op nadere aanwijzing van het gemeentebestuur van Emmen
en minimaal 30 el van de openbare weg gebouwd zou worden.
Beins kreeg een negatief bericht van GS. Hij kreeg geen toestemming
omdat "in de vergadering" was besloten Oosting toestemming te
verlenen en dat "het genot van den wind aan de
molen waarvoor toestemming was verleend" hierbij in het geding
kon komen.
In 1857 werd in opdracht van R.Oosting een korenmolen, die
later de naam "Zeldenrust" kreeg, aan het Oranjekanaal in Zuidbarge
gebouwd op de secties D1011 en D1012.
Uit het archief van notaris S.J.Oosting blijkt dat Roelof Oosting te Zuidbarge
op 23 december 1857 een bedrag van f 5.000,- gulden leende van J.F.Beins.
"Tot zekerheid en waarborg voor de betaling gelden de twee percelen D1011 en D1012
benevens de op dezen grond getimmerde en bijthans voltooide molen"
Er zijn verschillende lezingen over de bouw van de molen in Zuidbarge, die tot dusverre
enkel en alleen op "overleveringen" van voorgaande generaties berusten.
- de Zeldenrust zou zijn opgebouwd "uit onderdelen van de molen
aan de Molenkamp". Het bestaan van deze molen is nog twijfelachtig en
daarbij werd deze molen al sinds 1804 niet meer genoemd.
- de molendatabase op internet geeft slechts vaag en zonder bron
aan dat de molen afkomstig was uit Emmen.
- familieleden van Oosting zouden ooit hebben verteld dat
het bouwmateriaal afkomstig was van een afgebroken molen uit Westerbork. Voor 1857 heeft er
in de omgeving van Westerbork echter geen afbraak van
een molen plaatsgevonden.
- de molen zou opgebouwd zijn uit onderdelen van de in 1854 (drie
jaar eerder) door onbekende oorzaak verdwenen oliemolen in De Maten.
De volgende theorie is mogelijk: Gelet op de feiten:
- dat na 1856 Saalhof molen niet meer wordt genoemd,
- dat vrijwel gelijktijdig de molen aan de Molenstraat werd gebouwd,
- dat vrijwel gelijktijdig de bouw van de Zeldenrust plaatsvond,
- dat voor de bouw van de Zeldenrust gebruikte (en gemerkte) onderdelen zijn toegepast,
- dat Beins aan Oosting geld leende,
zou het zo kunnen zijn dat de voormalige Saalhof molen voor de bouw
van één dezer molens heeft gediend. De Saalhof molen was al een zeer oude molen, die
mogelijk aan onderhoud of restauratie toe kon zijn. Waarom zou Beins de oude Saalhof
molen afbreken en met dezelfde oude onderdelen, op nauwelijks 90 meter
afstand, een molen aan de Molenstraat bouwen? Het lijkt verkwisting van geld. Blijft
slechts over dat de Saalhof molen gediend zou kunnen hebben voor de bouw van de Zeldenrust.
Beins zou (onderdelen van) de Saalhof molen verkocht kunnen hebben aan R.Oosting om met
de opbrengst daarvan zijn nieuwe molen te bouwen. Waarom zou de uit Sleen afkomstige Oosting
nu juist in Emmen een molen hebben laten bouwen met onderdelen van elders zoals het
gememoreerde Westerbork? Had hij voor Emmen gekozen omdat hier onderdelen aanwezig waren?
Waarom zou hij molenonderdelen van ver halen als ze dichtbij te verkrijgen waren?
Nog eens drie feiten:
- de Zeldenrust is van oude balken gebouwd.

- het houten tandrad onder de kap van de Zeldenrust is van het type dat
alleen bij (zeer) oude molens voorkwam. De Saalhof molen was zeer oud.
- Monumentenzorg eiste bij de restauratie dat er niets aan dit oude tandrad gewijzigd mocht worden.
Omdat harde bewijzen ontbreken is één van de mogelijkheden om de
balken te laten onderzoeken op ouderdom. Verbaast het u, als de leeftijd der balken
wel eens veel meer "dan een paar honderd jaar" zal blijken te zijn? Tot
zover deze zijstap.
|
|
|
1867-1886

|
|
|
|
In 1867 verkocht Kuiper zijn achtkante bovenkruier met stelling, op de hoek Julianastraat
en Kerkhoflaan. De molen werd verplaatst naar de Zanddijk tussen Roswinkel en De Maten,
0.6 km z.o. van de kerk en 0.2 km ten oosten van de Hoofdweg. Emmen had nog slechts 1
molen over.
In 1872 kwam J.F.Beins te overlijden, zijn vrouw (tevens nicht)
Wilhelmina Dorothea Beins in 1878 te Goor. In 1879 werden als erfgenamen vermeld:
zoon Johannes Hindrikus (1830-1912, molenaar te Emmen en Roswinkel), Hanna
Henriette(a) (1823-1880), Hendrika Wilhelmina (1835-1882). Drie andere kinderen waren
toen al overleden.
- korenmolen 4: van de erven J.F.Beins aan de latere Molenstraat.
In 1886 werd, de in Westenesch Jan Huising (1846-1915) eigenaar
van de molen. Bij de geboorte van zijn kinderen gaf hij nog op landbouwer te zijn.
Zijn zoon Geert Huising (1883-1951) werd molenaar te Weerdinge.
- korenmolen 4: van Jan Huising aan de latere Molenstraat.
|
|
|
1897-1900

|
|
|
|
In 1897 was er sprake van een brand in de molen van J.Huising aan de Molenstraat. De
molen werd echter wel weer in bedrijf gesteld, maar ook in 1900 waren de
weersomstandigheden in het nadeel van de molen. Op 20 augustus 1900 was er sprake van
blikseminslag. Deze molen was een rietgedekte achtkante bovenkruier, waarvan de in 1900
nog aanwezige onderbouw aangaf dat het een forse molen moet zijn geweest.
In de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 20
augustus 1900 verscheen het volgende bericht:
"Hedenmorgen woedde boven deze streken al weder een hevig onweder. Te
ongeveer kwartier voor negen sloeg de bliksem in den grooten, flink
betimmerden windkorenmolen van den heer Jan Huizing alhier. Te beginnen bij
een der wieken, daalde de vonk recht naar beneden, door het geheele gebouw
heen, en doorboorde nog een wagen, onder er in staande. Niemand was in den
molen, die stilstond, maar spoedig gewaarschuwd, klommen belanghebbenden
naar boven en haalden van daar nog een paar bascules en gewichten. Meteen
brandde het dak evenwel reeds op meerdere plaatsen en ofschoon dit vuur zich
snel uitbreidde, toch waagde men het nog, doch met gevaar, een paar vrachten
koren, onder in het gebouw, te redden. Lang niet alles kon evenwel naar
buiten worden gehaald; het overige werd, met den molen, een prooi der
vlammen. Van den laatste bleef alleen het onderste muurgedeelte staan. Molen
en aanwezige koren waren verzekerd bij de onderlinge molenverzekeringmaatschappij
te Utrecht. Gelukkig was er zeer weinig wind, zoodat de belendende gebouwen geen last
leden." De molen werd nooit meer opgebouwd.
|
|
|
1913-2001

|
|
|

|
In juni 1913 werd de molen aan de Molenstraat afgebroken tot stellinghoogte.
"Langs de als takel gebruikte oude roede, wordt hier de
ijzeren bovenas voorzichtig naar beneden gelaten. Voorzichtig omdat de molen in Mortel
(Gemert) Nrd Brabant weer moet worden opgebouwd."
Behalve "deze stomp" staat sinds 1913 geen molen meer in de
plaats Emmen. De overbleven romp was van 1945 tot 1966 in gebruik als droogplaats
voor de brandslangen van de brandweer, daarna ook als opslagplaats voor garagebedrijf
Thedinga. Andere plannen met de molen waren een jeugdsoos, maar ook complete
reconstructie van het buurtje.
In 2001 is de onderbouw van de molen aan Molenstraat omgebouwd tot een moderne kapsalon.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- www.molendatabase.org
- "Beens/Beins, sporen van een familie" door H.Beens, uitgave september 2004.
- S.G.Hovenkamp, A.Dekker, E.Sinkgraven, H. en J. (Jogie) Beens, J.Omvlee, J.Tichelaar, H.Reesink.
- Akte 7 augustus 1313, Collectie Brands.
- Extract uit het Register der Resolutiën van de Gedeputeerde Staten der Provincie Drenthe van 27 augustus 1856.
- Obligatie in het archief van notaris S.J.Oosting van 23-12-1857. (Drents archief 0114.33 inv.2 nr.71)
- "Molens in Drenthe".
- "Stellingnieuws" nummer 14 van 1987.
- Haardstedenregisters, diverse jaren.
- Resolutie van drost en gedeputeerden uit 1691.
- Nieuwe Drentse Volksalmanak 1973 onder de titel
"Krijgsvoorbereidingen op het huis te Coevorden" door Corn.F.Janssen.
- Foto's:
- Archief gemeente Emmen
- particuliere collecties
|
|
|