dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Cultuur
dot Straatnamen

dot Gemeente archief
De historie van Emmen in woord en beeld

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Marktplein en omgeving: Gosselaar - Gemeentehuis Omhoog

 

Kadastraal: Omhoog

Marktplein sectie C927 sectie C922 sectie C924 sectie C928
Kadastrale kaart 1832.
Gebruik uw muis en ontdek....

  • 1807: sectie C923, eigenaar: Frederik Wilhelm Beins.
  •  
  • 1832: sectie C923, eigenaar: weduwe Jan Haasken.

Marktplein sectie C3983 sectie C2350 sectie C3984 sectie C3985
Kadastrale kaart 1880.
Gebruik uw muis en ontdek....

  • 1880:
    • sectie C3984, eigenaar Hermannus Folkerus Gosselaar.
    • sectie C3984, eigenaar gemeente Emmen.

sectie C4421 sectie C2350 sectie C3984 sectie C3985 De Wittendiek Marktplein
Kadastrale kaart 1916.
Gebruik uw muis en ontdek....

  • 1916: sectie C3984, eigenaar gemeente Emmen.

Albering: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis
Tegenover de NH kerk ....

In 1774 werd in het haardstedenregister vermeld: "wed.Alberings molen, aangeslagen voor drie".

Deze weduwe Albering was Everhardina Sophia Carsten (1719-1775) geboren te Hoogeveen. Zij woonde tegenover de Nederlands Hervormde Kerk (kaartje Emmen #53) waar ook de mulder (molenaar) Pranning woonde. Hij was vermoedelijk molenaar op de hiervoor genoemde molen, die reeds in 1313 in de registers werd vermeld en daarmee de oudst bekende molen van Emmen was.

Deze molen was ook eigendom geweest van schulte Christiaan Wolter Emmen. Na zijn overlijden in 1772 stond de molen twee jaar op naam van zijn weduwe Alegonda Johanna Carsten (1715-1769). Zij was niet toevallig een zus van "de weduwe Albering". Door vererving kwam de molen in bezit van Everhardina Sophia Carsten.

Omdat Everhardina Sophia Carsten op 29 november 1754 te Emmen huwde met Hindrikus Albering (Hindrik Albrinck 1703-1757) geboren te Ootmarsum werd zij de "weduwe Albering" zoals in het haardstedenregister werd vermeld. Zij was in 1773 met attestatie uit Hoogeveen, waar ze veel bezit had, naar Emmen gekomen. Ook hier had ze veel bezit.


Beins: Omhoog

In 1807 werd als eigenaar van perceel sectie C923 beschreven Frederik (Friedrich) Wilhelm Beins (1762-1830).

Hij werd in 1783 eigenaar van de molen, die zijn neef Johann Henrich Beins (1748-1816) in 1775 van schulte Christiaan Wolter Emmen had gekocht.

Frappant is dat het bezit van de molen in tijd parallel loopt aan het bezit van perceel sectie C927.


Haasken: Omhoog

In 1832 werd als eigenaresse van de percelen sectie C923 en C924 beschreven: "de weduwe Jan Haasken". Deze weduwe was Margje Willems Gerrits (1781-1851), dochter van de onderwijzer Willem Gerrits (1742-1813) en Jantien Dolfing (1747-1824).

Margje Willems Gerrits, bij haar overlijden beschreven als Margien Gerrits, was in 1801 in het huwelijk getreden met Jan Haasken (1777-1820) die in het DTB werd beschreven als "jongeman uit Noordbarge". Jan Haasken was een zoon van Hindrikus (Henricus) Haasken en Roel(o)fje Boelken.

Uit dit huwelijk kwamen in elk geval twee kinderen voort:

Meerdere generaties uit het geslacht Gerrits, als ook vader Jan en zoon Hindrikus Haasken hebben het beroep van schoolmeester uitgeoefend.


Gosselaar: Omhoog

In 1875 kwam op de plaats van de boerderij een nieuwe woning staan. Hier woonde H.M.Gosselaar. Hij kwam in het bezit van de woning door te huwen met Marchien Haasken een dochter van Willem Haasken (1805-1886) en Aaltien Sikken (*1806).

Harmannus Folkerus Gosselaar (1821-1883), geboren te Dalen was een zoon van Hendrik Folkert Gosselaar en Harmina Ensing. In 1861 huwde hij in Emmen met Marchien Haasken (1839-1884), geboren te Emmen. Zij was een dochter van de landbouwer Willem Haasken (1805-1886) en Aaltien Sikken (*1806). Uit het huwelijk kwamen vier kinderen voort:

  • Willem Gosselaar (*1862).
  • Harmina Gosselaar (*1863).
  • Aaltien Gosselaar (*1866).
  • Margaretha Gosselaar (*1869).

Opmerkelijk is het leeftijdverschil tussen deze twee echtelieden: ruim 18 jaar. Opmerkelijk is eveneens dat ze beide niet oud werden. Beide stierven te Assen; Harmannus drie jaar naar de verhuizing; 65 jaar oud, Marchien overleed een jaar later 45 jaar oud. Hun jongste dochter was toen 15 jaar oud.

Gosselaar die als vervener en landontginner bekend staat, gaf dit beroep alleen op bij de geboorte van de eerste twee kinderen. Bij zijn huwelijk gaf hij geen beroep op en bij de geboorte van de laatste twee kinderen gaf hij op landbouwer te zijn.

Vervener H.F.Gosselaar uit Noordbarge was de eerste die voor zijn veenderij te Nieuw-Amsterdam gebruik maakte van smalspoor. Het omstreeks 1875 uitgevoerde spraakmakende, maar mislukte, experiment van de op Franse leest geschoeide Compagnie Pour léxploitation des tourbières (waarvan Gosselaar een van de initiatiefnemers was) is daarbij uitvoerig aan de orde gesteld. Echter blijkt, dat Gosselaar een aantal jaren eerder in zijn eigen veenderij van een voor die tijd opzienbarend snufje van techniek bij de toepassing van smalspoor gebruik heeft gemaakt.

In Drenthe ging toen de mare ‘Zuidbarge heeft een spoorweg!’ Het betrof hier het fenomeen van het door Gosselaar zelf in 1867 uitgevonden zogenaamd ‘beweegbaar’ spoor. De uitvinder was van huis uit geen vervener. Hij woonde destijds te Assen waar hij al vroeg met de in 1857 begonnen aanleg van de Verlengde Hoogeveense Vaart vanaf Nieuweoord naar de Noord- en Zuidbarger venen was de tijd gekomen om tot een plan van aanleg van het westelijk deel van die veenmarke te komen.

De initiatiefnemers, burgemeester mr. L.Oldenhuis Tonckens van Emmen en een mede-markegenoot Klaas Ensink hadden hierbij Gosselaar gevraagd om samen met hen zitting te nemen in de commissie, die het opmaken en de uitvoering van het plan moest voorbereiden. In Noordbarge kreeg hij kennis aan Margien Haasken, de erfdochter van de belangrijke markegenoot Willem Haasken, waar hij in 1862 mee ging trouwen. Hij was toen nog zonder beroep.

Voor zijn bemoeiingen voor de commissie, die hadden geleid tot de opstelling van een plan van veenaanleg en scheiding van het Westerveen in 1861, werd hij beloond met acht aandelen in die veenmarke. Bij de scheiding van die toen nog ongescheiden marke werden aan vader en dochter Haasken en aan Gosselaar een flink aantal verspreid liggende veenplaatsen toegescheiden. Twee van die plaatsen lagen aan de noordzijde van de Verlengde Hoogeveense Vaart bij de huidige boerderij van de gebr.Rabbers te Nieuw-Amsterdam. Door ruiling met de mede-markegenoten Jan Zegers Hadders uit Westenesch en Jhr.A.W.van Holthe tot Echten te Assen, wist de familie Gosselaar-Haasken ook de westelijke daarvan gelegen veenplaatsen in handen te krijgen. Door aankoop en ruiling wisten ze ook nog bijna alle veenplaatsen aan de oostzijde van de nabijgelegen Zijtak in eigendom te verkrijgen. Deze venen werden alle op naam van Gosselaar gesteld. Beide complexen waren gezamenlijk in totaal 100 ha groot. Gosselaar die met niets was begonnen was op die manier in enkele jaren een vermogend man geworden.

Tussen twee van zijn veenplaatsen, elk 100 meter breed, was in her plan van aanleg een van de hoofdwijken vanuit de Verlengde Hoogeveense Vaart geprojecteerd. Gosselaar nam rond 1865 toen het veen daar voldoende ontwaterd was, het graven van die hoofdwijk zelf ter hand.

Omstreeks 1867 vernoemde hij die wijk naar zijn vrouw en werd voortaan Margienewijk genoemd.

Vervening was een zaak van de lange adem, want met de ontvening van een veenplaats was doorgaans 20 jaar gemoeid. Dit kwam omdat aanvankelijk – en dat gold zeker voor de eerste jaren – slechts eenvrij smalle strook van ongeveer 10m breed per jaar langs de (zij)wijk kon worden vergraven. Die strook kon eenvoudigweg niet breder zijn, omdat de gegraven turf met kruiwagens naar de oppervlakte van het naastliggende veen vervoerd moest worden om daar (op het zgn. ‘zetveld’ te worden gedroogd. In het najaar moest dan die gedroogde turf weer terug naar de wijk op het schip worden geladen. Zou de afstand tussen het schip en het zetveld groter zijn, dan zouden de vervoerskosten te hoog worden voor een rendabele vervening. De ondernemende Gosselaar vond toen in de toepassing van smalspoor een mogelijkheid om die economische wetmatigheid te doorbreken. Met dat spoor zou immers de gegraven turf veel verder achteruit kunnen worden gebracht, waardoor er jaarlijks een veen bredere strook kon worden verveend en men naar rato een zetveld, zo groot als men wilde, kon krijgen, Om continu te kunnen werken zou de aanleg van een ‘dubbelspoor’natuurlijk voor de hand liggen. Vanwege de duurte van het smalspoor was dit echter veel te kostbaar, waardoor het voordeel van het ‘uitsparen’ van kruiersweer ongedaan gemaakt zou worden. Om het toch mogelijk te maken dat op enkel spoor twee lorries elkander konden passeren, dokterde de inventieve Gosselaar een voor die tijd ingenieus systeem uit. Dit bestond uit een zgn. ‘beweegbaar’ spoor. Hiervoor had hij door de hem gekende Roelof Hunse, directeur en architect van de ijzergieterij te Assen, een technisch ontwerp laten maken. Zoals uit de tekening blijkt, ging het hier om houten sporen, waarop ter voorkoming van afslijting van het hout, ijzeren banden waren bevestigd. Over dit spoor liepen ijzeren lorries, ‘raderen bevestigd aan ijzeren assen die zich bewegen in een ijzeren stoel waarop turfbakken staan’.

Met de lorrie (vervoerwagen met zandbak of wipkar) werd de opgegraven turf naar het zetveld gebracht. In het najaar werd ook met de lorrie de gedroogde turf weer daar vandaan naar het schip in de wijk vervoerd om daar te worden verladen. Hieronder zal met name de gang van zaken in het najaar worden beschreven.

Zoals gemeld was het voor een goede voortgang van het transport nodig dat op dit enkel veldspoor twee lorries elkaar konden passeren. Om praktische redenen moest dit laatste op zeer korte afstand van het zetveld gebeuren. Het lossen van de turf ging namelijk sneller in zijn werk dan het laden. Dit betekende dat zodra de vervoerwagen geladen was er dan bij het zetveld al weer een lege gereed moest staan. Een wissel, zoals we die nu kennen, waarbij een trein tijdelijk opzij kan worden gerangeerd was toen nog niet in zwang. Om het wisselen van een beladen vervoerwagen met een lege toch mogelijk te maken, had Gosselaar hiervoor het volgende uitgevonden: Op de wisselplaats was daartoe een niveau lager dwars onderveldspoor, door een kort eveneens houten dwarsspoor aangelegd. Op dit dwarse spoortje stonden twee lorries met een zeer laag onderstel. Anders dan bij de vervoerwagens droegen deze twee geen turfbak maar elk een in de lengterichting van het veldspoor lopend kort stukje rails, dat op hetzelfde niveau van het veldspoor lag. Die beide lorries werden wisselwagens genoemd. In het veldspoor ontbrak op de wisselplaats een stuk spoor van dezelfde lengte als die op de wisselwagen was aangebracht. Het beweegbare karakter van het spoor kwam er op neer, dat één van de wisselwagens op het dwarsspoor zodanig onder het ontbrekende stuk in het veldspoor werd gereden, dat het daarop bevestigde stukje spoor precies in het veldspoor paste en daarvan deel ging uitmaken. In feite vervulde zo’n wisselwagen dus een soort ‘spoorbrugfunctie’. Tegen de tijd dat een vervoerswagen bij het zetveld vol was geladen, werd er een geloste wagen uit de richting van de wijk naar en op de wisselplaats gereden en wel zo, dat die precies op de rails van de wisselwagen in het veldspoor kwam te staan. Vervolgens werd die lege wagen dan gewoon opzij geschoven, het dwarsspoor op. In de hiervoor in het veldspoor ontstane ruimte werd dan automatisch en gelijktijdig de tweede aan de andere zijde van de wisselplaats op het dwarsspoor staande wisselwagen geschoven, zodat het veldspoor dan weer compleet was. Hierover kan dan onmiddellijk de volle vervoerswagen worden gereden en verder naar het schip rijden. Gelijk nadat de volle vervoerswagen over de wisselplaats heen e\was, werd dan de naast de wisselplaats ‘geparkeerde’ wisselwagen met de daarop geplaatste lege vervoerswagen weer opzij in het veldspoor geschoven. Hierdoor werd gelijktijdig de andere wisselwagen (over de rails waarvan de geladen vervoerswagen kort daarvoor was gereden) op zijn beurt weer naar haar vorige standplaats op het dwarsspoor aan de andere kant geschoven. Door middel van dit ‘beweegbare’ spoor kon vervoer van turf continu plaatsvinden.

Gosselaar dacht hiermee het ei van Columbus te hebben ontdekt. Hoewel het een ingewikkeld systeem, berust het basisprincipe gewoon op dat van een ópschuivende’ ladder, waarbij de sporten alle in gelijke mate meeschuiven. Echter bleken er in de loop van de tijd de toepassing in de praktijk nogal wat haken en ogen aan te zitten. Aanvankelijk leek het echter een succesvol gebeuren te zijn. In ieder geval meldde de krant n.a.v. een door de Maatschappij van Nijverheid te Groningen in dat jaar gehouden tentoonstelling, dat daar een model van Gosselaars uitvinding werd gedemonstreerd. Als gevolg van de drassige veenbodem ontstond er houtrot in de sporen en als gevolg daarvan kwamen er verzakkingen in het spoor, waardoor het geheel niet goed meer op elkaar aansloot. Tijdrovende en kostbare reparaties waren hiervan het gevolg waardoor het werk geruime tijd kwam stil te liggen en alles weer met de hand moest worden gedaan. Kniphorst vermeldde in zijn in 1872 verschenen boek over de verveningen in Drenthe dan ook niet voor niets dat de uitkomsten van Gosselaars onderneming nog twijfelachtig waren. De overgang naar massieve ijzeren sporen leek dan ook een nieuw tijdperk in te luiden. Zoals in de vorige bijdrage al werd vermeld, betrok hij deze van de firma Figée uit Haarlem.

Jhr.A.W.van Holthe tot Echten te Assen, zelf ook vervener in Zuidoost Drenthe, gewaagde in een door hem geschreven artikel uit 1879 in de krant dat met goed gevolg voor het vervoer van turf en verlading naar de schepen gebruik wordt gemaakt van kleine ijzeren sporen. Een jaar later zette een langdurige crisis in de veenderijen in, waardoor er aan een verdere mechanisatie van het veenbedrijf geen behoefte meer was. Bij het overlijden van Gosselaar te Assen in 1884 was er bij hem al geen sprake meer van een eigen ‘spoorweg’ . Waarschijnlijk was deze toen al eerder voor de prijs van een partij roest, zoals in dat soort bedrijfsliquidatie gevallen gebruikelijk, verkocht.

Het verhaal gaat dat hij als een verarmd man stierf.

Bron: W.Visscher, Kroniek v.d. Historische Vereniging Zuidoost Drenthe 4e jaargang nr.3 aug/sept 1995


Schoolstraat: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
1936

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Vanaf 1811 tot 1881 was het bestuurscentrum van Emmen gevestigd in Huize Wielens aan de Wilhelminalaan. Voor herbergier Wielens was dit een winstgevende bezigheid. Huwelijken werden in zijn pand officieel voltrokken en meestal betekende dit, dat ook het bruiloftsfeest in zijn zaak gehouden werd. Op de bovenverdieping zetelde het kantongerecht. Men betaalde f 30,- aan huur en f 20,- voor het licht per jaar.

In 1880 ontstonden de plannen voor een nieuw gemeentehuis. De notulen van de raadsvergadering van 29 april 1880: "Worden deze gelezen onderscheidene missives inzake de stichting van gebouwen voor post - en telegraafdienst, gemeentehuis en kantongerecht. Na verschillende besprekingen worden burgemeester en wethouders gemachtigd, bouwplannen en begrootingen te doen opmaken".

Bouwkundige P.Postuma uit Nieuw Amsterdam maakte op verzoek van burgemeester W.Tijmes bouwplannen en een begroting. Nieuwbouw bleek echter een te kostbare zaak zodat het er op leek dat Emmen nog een poosje met de problemen van een te klein gemeentehuis verder moest, ondanks forse uitbreiding van administratieve werkzaamheden. Deze waren een gevolg van verregaande verveningactiviteiten in en de groei van de gemeente Emmen. Bovendien vond het gemeentebestuur dat zij niet langer kon werken in een pand waar ook sterke drank verkocht werd.

In de notulen van 13 september 1880 staat: "De raad is algemeen van wenschelijkheid van een eigen gemeentehuis overtuigd. Zoals thans de lokaliteit is, kan het, door de steeds sterkere toeneming der bevolking niet blijven. Ook de geest des tijds verzet er zich hoe langer zoo meer tegen, dat gemeentehuizen worden gehouden in gebouwen, waar sterken drank wordt geschonken. Honderden guldens, die anders op nuttiger wijze zouden kunnen worden besteed, worden nu min of meer gedwongen aan Bachus geofferd."

Vrij onverwacht kwam er echter een oplossing.

Harmannus Folkerus Gosselaar gaf te kennen naar Assen te willen verhuizen en bood zijn riante woonhuis, gebouwd in 1874, te koop aan voor f 11.500,-. Het gemeentebestuur vond het pand zeer geschikt als gemeentehuis en als onderkomen voor het kantongerecht.

De raad stelde in de raadsvergadering van 13 september 1880 voor Gosselaar f 10.000,- te bieden, met de bepaling dat deze het bod voor 22 september 1880 moest accepteren, daar anders het bod zou komen te vervallen. Gosselaar en zijn schoonvader Willem Haasken accepteerden het bod. Op 1 oktober 1880 besloot de gemeenteraad tot aankoop van gebouw en tuin, benevens gedeelte pootrecht op het noordelijk aangrenzende terrein. Zij ging daarop bij de Maatschappij voor Gemeentekrediet een lening aan groot f 13.700,- om het pand te verbouwen en in te richten, tegen een rente van 6% af te lossen in 34 jaar.

Het Ministerie van Justitie was bereid f 350,- per jaar aan huurkosten voor het kantongerecht bij te dragen.

Na het maken van bestek en voorwaarden werd het werk aanbesteed en op 17 maart 1881 werd aan aannemer Jan Linzel uit Stadskanaal de verbouwing opgedragen. Het gemeentehuis werd op 11 april 1881 in gebruik genomen. Ook het kadaster en het kantongerecht werden erin ondergebracht. Huwelijken werden vanaf toen voltrokken op de deel van het huis van Gosselaar dat omgebouwd was tot trouwzaal.

Gemeenteveldwachter M.Ennen mocht gratis in het kersverse bestuurscentrum wonen en in de moestuin die erbij lag zijn eigen sla, bonen en aardappels verbouwen. Als tegenprestatie moest hij het gemeentehuis en de meubels die er in stonden schoonmaken, de kachels en de siertuin onderhouden. Op 28 maart 1882 werd gemeenteveldwachter Jan Maat benoemd tot conciërge. Na hem H.Jonkman.

In 1897 werd besloten de "veranda" bij het gemeentehuis af te breken en deze over te brengen naar A.Boer, wonende aan de Wilhelminalaan. Reden hiertoe was de belemmering van lichtinval door de omringende oude lindebomen.


Foto galerij 1: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat


Foto galerij 2: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
1936

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
Het kunstwerk links is mogelijk gemaakt in 1955 door de bekende kunstenaar André Volten (1925-2002).
Wie weet meer?

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat


Interieur: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
Aan beide zijden van de gang waren in het pleisterwerk en plafond prachtige ornamenten aangebracht.

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
Een vergroting van een ornament.

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Schoolstraat
Een vergroting van een ornament.


Raadhuisstraat: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Raadhuisstraat
Het gebouw waarin Gemeentewerken zich vestigde.

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Raadhuisstraat

De bevolkingsgroei zette door en door ruimtegebrek verliet het kadaster het pand in 1911. Vervolgens werd in de raadsvergadering van 30 december 1919 het voorstel gedaan een begroting te laten opmaken om tot nieuwbouw te komen. Deze kosten, begroot op f 111.880,-, werden in de vergadering van 6 augustus 1920 gemeld.

Bezuinigingsinspecteur Mr.J.F.Dijkstra uit Den Haag maakte bezwaar tegen de nieuwbouwvoorstellen. "Immers, Emmens raad is tehuis in een soort buitenplaats achter de kerk, liefelijk verscholen in 't lommer van statige geboomte en van afmetingen, dat welvarende gemeenten van meer beteekenis dan Emmen, 't er overbest mee zouden kunnen doen. Schrijver kent Emmen, kent ook Emmens tegenwoordig gemeentehuis. En juist omdat ik Emmen zoo ken, zou ik het gewoonweg schande vinden, als Emmen nog aldoor op Vadertje Staat zou blijven leunen en er maar op los bleef leven, hoe kaler, hoe royaler. Dit zou blijk geven van eigenschappen, die roepen om een curator, ditmaal niet voor een failliet, doch voor een onverbetelijken verkwister. In 1914 was het totaal der belastingen per Emmen's inwoner een kleine rijksdaalder; in 1922 veel meer dan 5 rijksdaalders; de uitkeeringen van het Rijk beliepen in 1914 een bedrag van f 222.000,-; in 1922 een bedrag van f 1.737.000,-, dat beteekent derhalve een stijging van bijna 700 procent. En hierbij mag ik het voorloopig laten. Emmen late zich waarschuwen en kweeke wat economischen zin aan."

Het is te begrijpen dat de gemeente Emmen dit niet op zich liet zitten. Het gemeentebestuur reageerde furieus in zowel de Emmer Courant als het Nieuwsblad van het Noorden:

"Wij merken op dat de heer Mr.J.F.Dijkstra, wat ligging van gemeenthuis betreft, zeer goed georiënteerd is, en wij kunnen niet nalaten en passant deze ongezochte gelegenheid te benutten om onze gemeente, met hare schilderachtige plekjes bij pensiongasten en toeristen aan te bevelen.

Het schijnt de heer Dijkstra echter niet bekend te zijn - ofschoon hij Emmen zoo goed zegt te kennen - dat in het gemeentehuis van Emmen voor Emmens raad absoluut geen plaats is. Sedert 29 October 1918 vergadert de raad van Emmen op de bovenzaal van een herberg aan de markt. Deze bovenzaal doet tevens dienst voor de loting en keuring der dienstplichtigen, wat met het oog op drankmisbruik zeker allerminst gewenscht is. De huwelijken moeten voltrokken worden, deels in de wachtkamer van de Rijks-Landbouwschool, deels in de politiekamer, een vertrekje van 3.15 x 6.50 meter, met een zolderhoogte van 2.80 meter - en dat tevens elken dag gebruikt wordt door de typisten van het secretariepersoneel.

Een wachtkamer voor de duizenden en duizenden menschen die jaarlijks ten gemeentehuize komen is er niet. Men ziet het publiek dan ook niet zelden, zelfs 's winters, op een steenen vloer in een kouden gang wachten.

De verkiezingsaangelegenheden zijn in een z.g.n. kiosk ondergebracht. Het verkiezingswerk wordt door het secretariepersoneel verricht in een school. Het kantoor van den gemeenteontvanger is gevestigd in een gehuurde lokaliteit, waarvoor de gemeente jaarlijks f 1360,- huur moet betalen. Te voren was hij in een schuur (wagenhuis) ondergebracht.

Als men nu in aanmerking neemt dat het tegenwoordige gemeentehuis is aangekocht in 1881 toen de gemeente 10.353 inwoners telde tegen een zielental van 42.658 op 1 Januari 1923, en men eenig besef heeft van de uitbreiding der werkzaamheden welke den gemeentebesturen sedert dien - vooral door de vele sociale wetten welke het staatsblad bereikten - opgedragen werden, dan zal het niemand - uitgezonderd blijkbaar Mr.Dijkstra - verwonderen dat de gemeente het gemeentehuis is ontgroeid.

De raad van Emmen besloot daarom in zijn vergadering van 28 maart jl. aan B en W op te dragen om den gemeente architect plannen te laten ontwerpen om te kunnen beoordeelen in hoeverre door bijbouw, aan- of bovenbouw op het bestaande gemeentehuis in het gemis aan een behoorlijke raadszaal kan worden voorzien. Tegelijkertijd zal de architect ook een plan voor een nieuw gemeentehuis ontwerpen, opdat de raad te zijner tijd volledig zal kunnen overzien, welk plan voor de gemeente het best en meest voordeelig zal zijn.

Op het verdere schrijven van Mr.Dijkstra wenschen wij voorloopig niet in te gaan. Wij meenen ons echter niet te mogen onthouden aan Mr.Dijkstra nog kenbaar te maken, dat een afkeurend oordeel zijnerzijds, gebaseerd op zulke losse gronden, naar onze bescheiden meening afbreuk kan doen aan het gezag van zijn woord.

Aan de bladen, die het bericht van Mr.Dijkstra uit Uw blad hebben overgenomen, zouden wij beleefd willen vragen ook onze verdediging van het raadsbesluit over te nemen.

Met vriendelijke dank voor Uwe gastvrijheid,

De raadscommissie van Emmen, bestaande uit de leden van alle partijen:

J.Hadders Rzn. V.B.
Joh.Haasken Pl.
J.Gorter A.R.
A.Sibon R.C.
S.Veenstra S.D.A.P.
Hm.Joling V.D.
D.Schuurman Chr.H.

Emmen, 9 april 1923."

Anderhalf jaar later, op 23 december 1924, werd de verbouw van het gemeentehuis aanbesteed. Deze verbouwing werd uitgevoerd door: aannemer Hemmen voor een bedrag van f 15.300,-, schildersbedrijf Schuur voor f 1.307,- en loodgieterbedrijf Jalving voor f 1.236,-.

De dienst arbeidsbemiddeling werd gehuisvest in het schoolgebouw aan de Schoolstraat. De kantoren van de gemeenteontvanger en van de dienst controle der gemeente financiën werden in het Oosting Instituut ondergebracht.

In 1931 vestigde Openbare Werken zich aan de Raadhuisstraat. In datzelfde jaar ging men de haalbaarheid na het hotel Goothuis aan de Markt te kopen en verbouwen. Men wilde er een dependance vestigen met daarin de afdeling arbeidsbemiddeling, de gemeenteontvanger, de controleur gemeentefinanciën en de raadszaal. Achteraf kan worden vastgesteld dat deze dependance er niet is gekomen.

Vele aanpassingen aan het oude gemeentehuis volgden elkaar op. Voor de burger was het inrichten van een trouwzaaltje in 1944 het meest in het oog springend. Tot dan werden, zoals reeds gememoreerd, huwelijken in de Rijks Landbouw Winterschool aan de Boslaan gesloten.

In 1946 bleek uit een rapport van Rijksbouwmeester J.J.M.Vegter dat het gebouw aan het Marktplein verschillende gebreken vertoonde en dat het 50% te klein was. Het zou echter nog enige jaren (16-11-1949) duren alvorens door de raad een krediet van f 5.000,- werd aangevraagd om Vegter een uitvoeringsplan te kunnen laten maken, gebaseerd op behoud van het bestaande gebouw. De raad stemde zich hier in december 1949 mee akkoord. Het leidde echter tot niets, en in 1955 werd de samenwerking met Vegter opgezegd.


Hondsrugweg: Omhoog

In juni 1956 volgde een nieuwe poging om een beter en nieuw gemeentehuis te realiseren. Architect Dijkstra kreeg de opdracht met als doel dat de bouw tussen 1959 en 1961 kon plaatsvinden. Ook dit werd niet gehaald, hoewel er veel gebeurde. Een korte opsomming:
datum goedkeuringen: krediet
26-03-1956 uitbreiding secretarie f 85.000,-
28-04-1960 bouw barak 4.4x 5.5 meter f 5.960,-
07-07-1960 bouw telefoonautomaten en vergadervertrek f 8.260,-
02-11-1960 huisvesting typekamer en archiefruimte f 19.520,-
26-07-1962 wijziging secretarie, ingang geschikt gemaakt voor trouwpartijen ?
20-04-1964 uitbreiding trouwzaal en kantoren f 115.000,-
29-12-1965 vergroting raadzaal f 7.380,-

In 1963 kwamen er een aantal plannen op de B en W tafel waar de gemeentesecretaris een aantal conclusies aan verbond:

  • "wat bij elkaar hoort moet bij elkaar worden gebracht"
  • "de "koninkrijkjes" der verschillende diensten dienen bij elkaar te worden gebracht omdat directeuren der diensten anders onder het gezag van het gemeentebestuur zouden proberen weg te komen"
  • "centralisatie, duidelijkheid naar het publiek"

Wethouder Hartman daarentegen deed daarentegen het voorstel "uitbreiding over de Hondsrugweg, een zich over de Hondsrugweg uitstrekkend bestuurspark. Aan de westelijke kant van de Hondsrugweg een politiebureau, de sociale dienst en openbare werken. Op het oude terrein het gemeentehuis."

Op 26 september 1966 presenteerde architect Y.S.Dijkstra een voorstel begroot op f 18,5 miljoen gulden. De raad stemde op 26 oktober 1966 in met dit schetsvoorstel dat inhield:

  • een politiebureau (de 1e fase)
  • een trouwpaviljoen (de 2e fase)
  • een secretarie (de 3e fase, in gebruik genomen in oktober 1970)
  • een dienst gemeentewerken (de 3e fase)
  • een sociale dienst (de 3e fase, in gebruik genomen in juli 1974)
  • een burgerzaal (de 3e fase, nooit uitgevoerd)
  • een bruggebouw (de 3e fase, nam de functie als burgerzaal over)

Op 24 juli 1967 ging de raad akkoord met de derde fase. Deze plannen werden uitgevoerd door bouwbedrijf De Bruin uit Valthermond en Christian Nielsen uit Den Haag. Het gemeentehuis werd op 1 oktober 1970 in gebruik genomen. De destijds schitterende trouwzaal heeft echter nooit als "deel" gediend. Ook had gemeentehuis geen moestuin meer die door politieagenten onderhouden werd. Die tijd is al lang voorbij.

In 1977 bleek de secretarie alweer te klein. De bestaande 1820m2 moest worden uitgebreid met 1000m2 en 300m2 vergaderruimte. In 1983 werd een kleinere omvang goedgekeurd. Het werk werd uitgevoerd door bouwbedrijf Roling uit Erica.

Foto Historisch Emmen gemeentehuis Hondsrugweg
Het gemeentehuis met bruggebouw, trouwzaal en secretarie
aan de Hondsrugweg.


Een historische blunder: Omhoog

Eén van de grootste historische blunders die is begaan in de vernieuwingsdrang van Emmen betreft het "oude gemeentehuis", de voormalige woonstede van Gosselaar.

Op 4 maart 1974 werd door B en W aan gemeentewerken opdracht gegeven na te gaan wat de kosten zouden zijn van renovatie van het oude gemeentehuis. Deze werden in een brief van 27 juni 1974 geraamd op f 68.000,-

Er ontstond een discussie: renovatie of afbraak. Tegen renovatie waren:

  • burgemeester Beusekamp
  • de heer Londo
  • de heer Hartman

Hun argumenten waren: het is een bouwval, het kost teveel, de toiletten zijn reeds gesloopt, een tweede ingang werkt storend, het zou de nieuwe plaats van de burgerzaal worden.

Voor renovatie waren:

  • de heer R.Zegering Hadders
  • de heer Hadders
  • de heer Ros

Hun enige argument was: het object past in het landschap bij de "Grote kerk" en de Oudheidkamer.

Drie voor en drie tegen, de doorslaggevende stem kwam van burgemeester Beusekamp.

In alle commissievergaderingen stond het oude gemeentehuis op de agenda. In de commissievergadering van Volkshuisvesting en Grondbedrijf zei dhr.Hartman, dat hij persoonlijk geen enkele waarde aan het oude gebouw toekende. In de commissievergadering van Financiën en Industrialisatie vermeldde dhr.Beusekamp dat op de oude plek een burgerzaal moest komen. Dit als onderdeel van het bestuurspark, waarvoor goedkeuring door de gemeenteraad was gegeven op 24 oktober 1966.

In de raadsvergadering van 18 november 1974 werd verbazing uitgesproken over het feit dat het achterhuis (de oude raadzaal) met de grond gelijk was gemaakt. Het college hield vast aan de bestekbepaling. Bij nader onderzoek bleek in het eerste bestek geen opdracht tot afbraak te bestaan, maar in het tweede bestek van 13 november 1974 en ook op het geleide biljet van 15 november 1974 werd vermeld: "alles afbreken, behalve het voorhuis". (stelpost f 10.000,- dit voor voorzieningen van het voorhuis)

Eén en ander was tot stand gekomen na mondeling overleg met architect Dijkstra. Volgens de voorzitter was het afbreken van de schuur noodzakelijk om te voorkomen dat de hoofdingang naar het bestuurspark teveel afgeschermd werd. Verder werden door enkele raadsleden de opmerkingen gemaakt, dat er nu na de afbraak van het achterhuis niet veel meer over was, maar dat desondanks veel oud Emmenaren van mening waren dat het oude gebouw moest worden gerestaureerd. Deze raadsleden zouden dan ook tegen afbraak stemmen.

Ideeën waren er voldoende t.a.v. de bestemming van het oude gemeentehuis:

  • een V.V.V.kantoor
  • een folkloristisch huis
  • een voorlichtingscentrum
  • openbare toiletten
  • een centrum voor denksporten
  • een prentenkabinet
  • een dienstencentrum

Bovendien was er een mogelijkheid voor aanvullende werkgelegenheid subsidie indien dit tijdig zou worden aangevraagd.

Door het college werd toegegeven dat het onderhoud van het gebouw doelbewust was verwaarloosd omdat er vanuit werd gegaan, dat het gebouw volgens het oorspronkelijke plan uit 1966 zou verdwijnen.

Het voorstel aan de raad om te besluiten tot afbraak van het voorhuis van het oude gemeentehuis werd na een geëmotioneerd debat met 16 stemmen voor en 18 stemmen tegen verworpen. De voorzitter deelde daarna in deze vergadering mede, dat nu getracht zou worden op korte termijn met plannen voor mogelijke bestemmingen voor het gebouw te komen en een raming van de restauratiekosten aan de raad voor te leggen.

Op 13 december 1974 besloot de commissie financiën akkoord te gaan met de besteding van f 5.000,- voor het water-, wind- en inbraakvrij maken van het pand.

De volgende verzoeken en suggesties t.a.v. de bestemming van het oude gemeentehuis kwamen binnen:

  • Stichting Dienstencentra Bejaarden Emmen
  • Volksuniversiteit
  • Stichting Denksport Centrum
  • Stichting "De Krik", met een aanbod van f 50.000,- eigen bijdrage
  • Drentse Vereniging 't Aol Volk
  • Belangenvereniging Emmen Centrum
  • Amateur kunstenaars

Er werd opdracht gegeven de mogelijkheden te bekijken en een raming van de bouwkosten te maken t.a.v. de vestiging van een dienstencentrum voor bejaarden.

Op 15 september 1975 rapporteerde de directeur van de sociale dienst het gebouw niet geschikt te achten voor een dienstencentrum.

Op 30 september 1975 gaven B&W de directeur van gemeentewerken de opdracht, een schetsplan en begroting te maken voor handhaving van het oude gebouw. (ontvangst-, vergader- en trouwzaal)

Op 8 oktober 1975 werd deze opdracht met B en W besproken en zou een brief geconcipieerd worden over de mogelijkheden die er bleken te zijn. (in samenwerking met monumentenzorg; brief 13 november 1975)


Brand: Omhoog

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand

Foto Historisch Emmen Marktplein gemeentehuis brand
1976

In de nacht van 9 november 1975 brandde het aloude gemeentehuis af.

Op 26 november 1975 besloten B en W opnieuw een voorstel gereed te maken voor afbraak van het oude gebouw. Daarin werd voorgesteld de schade-uitkering van de brand, f 316.510,- te bestemmen voor uitbreiding van de kantoorruimten van de secretarie en van het oude terrein een aantrekkelijk brinkachtig wandel- en rustgebied, tussen het oude en het nieuwe winkelcentrum, te maken.

Dit hield alsnog afbraak in van het oude voorhuis.

In de raadsvergadering van 26 januari 1976 werd het voorstel met 31 stemmen voor en drie stemmen tegen aangenomen. Wel bleek er grote ontevredenheid over:

  • de lange duur die men nodig had voor er concrete plannen voor restauratie waren (november 1974 - november 1975).
  • waarom nu niet de uitvoering van het raadsbesluit van 18 november 1974. Er was nu toch een schade-uitkering?

Op 25 maart 1976 kreeg de sociale dienst (W.S.W.) de opdracht het voormalige gemeentehuis af te breken, nadat het jaren in het oude groene hart van het snel groeiende Emmen had gestaan.

Jaren van verpaupering door onwil van een aantal bestuurders waren desastreus. De heer R.Zegering Hadders, de heer Hadders en de heer Ros waren hun tijd ver vooruit. Hun argument: het object past in het landschap bij de "Grote kerk" en de Oudheidkamer wordt heden ten dage nog steeds door velen als de enige juiste opgevat.

De laatste verkoolde resten werden in het voorjaar van 1976 weggehaald.


Bloemenklok: Omhoog

Foto Historisch Emmen gemeentehuis bloemenklok
De bloemenklok.

Op de plaats waar het voormalige gemeentehuis stond ligt nu, nabij het busstation aan het Marktplein, een fraai aangelegde bloemenklok ter herinnering aan oud wethouder R.Zegering Hadders.

Bronvermelding: Omhoog

  • "Honderd jaar gemeentehuis Emmen", werkstuk van Rein van Oosten, 1982. Hij maakte gebruik van de volgende stukken:
    • J.van Lier, J.Tonkens, Hedendaagsche Historie of Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe, 1795.
    • J.Poortman, Drenthe hoofdstuk: "De overheid als bouwheer", A.Kleijn, blz 109 e.v. 1951.
    • H.J.Prakke, Deining in Drenthe, blz 85 e.v., Assen 1969.
    • Uitgaande brieven, jaargang 1880 gemeentearchief Emmen.
    • Notulenboek 1880, blz 366/367 gemeentearchief Emmen.
    • Notulenboek 1880, blz 57 gemeentearchief Emmen.
    • Uitgaande brieven, jaargang 1880, nummer 872 Gemeentearchief Emmen.
    • Notulenboek 1894-1900, blz 216 gemeentearchief Emmen.
    • Notulenboek 1920 gemeentearchief Emmen.
    • Archiefnummer 620.206 Stichting van een nieuw gemeentehuis en verbouw bestaand, 1918-1931 gemeentearchief Emmen.
    • Zaalberg archief 206 gemeentehuis gemeentearchief Emmen.
    • Archiefnummer 207.354 brief aan de raad, 16 november 1949 gemeentearchief Emmen.
    • Archiefnummer 207.354 brief directeur gemeentewerken aan B en W, 16 februari 1955 gemeentearchief Emmen.
    • Archiefnummer 207.354.1 map verbouw / nieuwbouw gemeentehuis gemeentearchief Emmen.
    • Archiefnummer 207.351 Schoolstraat 7, oude gemeentehuis gemeentearchief Emmen.
  • "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst III" door H.T.Buiskool.
  • Nieuwe Rotterdamse Courant.
  • "In en rond Emmen" uitgave VVV Emmen 1932.
  • "Kroniek" december 2008, uitgave Historische Vereniging Zuidoost Drenthe. "De koster/schoolmeesters voor 1900 in Emmen", door P.Albers.
  • Lidmatenregister 1673-1811.
  • Foto's:
    • Archief gemeente Emmen.
    • S.Hoek Beugeling.
    • E.Hof.
    • A.Pool.
    • R.Boelens.

 

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.