|

Krantenfoto uit 1964 van oude fundamenten binnen de bestaande fundamenten van de in 1456
gebouwde stenen kerk. Deze fundamenten dateren ongeveer uit het jaar 1200.
|
Angelslo, Noord- en Zuidbarge en Den Oever waren ooit zelfstandige nederzettingen. "Em(p)ne",
later Emmen, lag centraal tussen deze buurtschappen. In de achtste eeuw ging Emmen zich min of
meer ontwikkelen tot centrumplaats. In deze tijd werd ook de eerste kerk gebouwd.
Ds.H.de Groot schreef in "den Nieuwen Drentschen Volksalmanak" van 1922 dat:
"het eerste Christelijke bedehuis in 780 op de scheiding van bosch en moeras werd
opgericht".
De leider van de kerkrestauratie in 1964, drs.J.D.van der Waals, noemde het jaartal 780 uit
de lucht gegrepen. Toen Emmen rond 780 door de prediker Willehad werd gekerstend, zal de
toenmalige bevolking niet lang gewacht hebben met het bouwen van hun eigen kerk. Al stammen
de oudste fundamenten niet uit het jaar 780, voor velen staat het vast dat er zeer kort na
de kerstening van Emmen in 779 al een kerkgebouwtje gestaan moet hebben omdat ook Karel de Grote
(heerser over bijna heel Europa) een voorstander was van de kerstening.
De eerste kerk was vermoedelijk een doodgewone houten schuur.
In 1964 werd er in de huidige N.H.kerk een onderzoek ingesteld door het Biologisch
Archeologisch Instituut (B.A.I.) van de Rijksuniversiteit Groningen. Men vond toen binnen
de huidige fundamenten grondsporen terug van de eerste houten kerkjes die er tot 1228 hebben
gestaan. Het jaar 1228 was het jaar waarop Emmen werd platgebrand door de Twentenaren. Deze
wilden de dood van de bisschop van Utrecht wreken die was omgekomen bij de
Slag bij Ane. De
houten kerk is daarbij een prooi van de vlammen geworden.
Nader onderzoek in 1964 maakte duidelijk dat er drie bouwperiodes te onderscheiden waren.
Uit de grondsporen kon men afleiden hoe die eerste houten kerk er ongeveer uit moet hebben
gezien. Maar ook dat er op de plaats van de huidige Nederlands hervormde kerk in het
centrum van Emmen zelfs twee houten bedevaarthuizen hebben gestaan. Ook de plaats waar de
bronzen klok was gegoten kon men herkennen.
De eerste houten kerk was 17 meter lang en 6 meter breed. In de grond, op de rand van
een grafveldje, hadden de bouwers gaten gegraven waar de palen rechtop werden ingezet. Om
de levensduur van die palen te verlengen werden ze van onderen, zover ze in de grond kwamen
te staan, even in een vuur gelegd. Hierdoor werden ze "aangekoold" waardoor de
levensduur verbeterde. De overige delen van de eikenhouten balken werden ingesmeerd met
ossenbloed. Verf bestond in de Vroege Middeleeuwen nog niet. Ossenbloed was toen grondverf,
lakverf, beits tegelijk! Door dit bloed kreeg het houtwerk een roodbruinachtige kleur. Het
dak zal bestaan hebben uit hooi, net of stro.
De tweede houten kerk was iets breder dan de eerste, maar zal er verder net zo uitgezien
hebben. Hoe lang de houten kerken de tand des tijds konden trotseren is niet bekend.
Wanneer er een paal verrot was, werd deze vervangen door een nieuwe en zo zal men geprobeerd
hebben om het gebouw zolang mogelijk in stand te houden.
Noot: Buiskool schreef in "Ecclesia Emmensis" dat de eerste houten kapel
"van lieverlede werd vergroot en uitgebreid" totdat deze in 1228 afbrandde.
|
|
Gravure van Reijnders uit 1855
Gravure van Reijnders uit 1855
Vermoedelijke plattegrond van de oude kerk, getekend tijdens de restauratiewerkzaamheden in 1965.
Als voorbeeld voor de reconstructie van de plattegrond diende een tekening die in 1887 door
Mr.W.L.van den Biesheuvel was gemaakt, aangevuld met de gevonden fundamenten en graven.
Boven links: de Heiland met de rietstaf. Hij staat tussen twee mannelijke figuren, waarvan de
linker Hem lijkt uit te jouwen. Het gaat hier om het afbeelden van Ecce Homo
(Ziet, de mens! Joh.19 vers 5)
Boven rechts: De Heiland wordt naar de Calvariënberg geleid. Eén van de begeleiders draagt een
kaproen, een middeleeuws hoofddeksel, misschien behorend bij een maliënkolder.
Onder links: De Heiland in een wit graf.
Onder rechts: Uit de geopende muil van een monster komt een naakte menselijk gedaante. De
daarvoor staande Heiland reikt de hand. Misschien de afbeelding van de verlossing uit het verderf?
Overblijfselen van de muurschilderingen aan de andere zijmuur. Deze waren nog meer beschadigd
dan de schilderingen aan de andere kant. Opvallend is dat op de verschillende schilderingen een
vrouwenfiguur voorkomt. Op de onderste schildering is een vrouw te zien die aan een kruis wordt
gehangen. Het zou hier kunnen gaan om een Christenmartelares.
|
De tweede stenen kerk in Emmen werd gebouwd in 1456. Deze kerk, met spitse toren, heeft tot 1855
stand gehouden en werd afgebroken mede doordat de predikant H.S.J.Hugenholtz niet in de oude kerk
wenste te preken. De laatste dienst werd door hem gehouden op 10 juni 1855.
Deze kerk diende in het jaar 1672 als militaire veste, toen Emmen door de bisschop van Munster werd
aangevallen. De kerk werd tevergeefs verdedigd door een handjevol Friezen tegen een Duitse overmacht.
Het onderste deel van de - nog bestaande - toren is tot op drie meter opgebouwd uit
rechthoekige gekapte granieten zwerfkeien, mogelijk afkomstig van hunebedden.
De Drie Podagristen (A.L.H.Lesturgeon, D.H.v.d.Scheer, H.Boom) schreven in hun in 1843
uitgegeven "Drenthe in vlugtige en losse omtrekken geschetst": "Maar de kerk
der Hervormden! Hoe draaglijk haar uiterlijk is en hoe spits haar geuurwerkte toren ook naar boven
stijgt, - haar innerlijk zou u - 't hooge woord moet eruit! - een kille huivering door 't gebeente
jagen. Nergens nog zagen wij somberder, akeliger gebouw, dan dit heiligdom, waar 't evangelie van
Christus den mensch tot godsdienstige blijdschap moet stemmen".
Uit 1855 stamt een gravure die vervaardigd is door Jan Reijnders, geboren in 1823 te Delfzijl.
Reijnders huwde op 5 mei 1856 met Kristina Maria Elisabeth Willinge, dochter van Jan Jacob Willinge
en Anna Gesina Berendina Amshof.
Willinge is een oude schultefamilie in Emmen. Reijnders werkte enkele jaren als ontvanger
in Emmen, net in de periode dat de oude kerk werd afgebroken. Voor zover bekend zijn de afbeeldingen
van Reijnders de enige die gemaakt zijn van deze kerk. De tekeningen werden in de jaren twintig
door de familie Willinge geschonken aan de hervormde kerkgemeente. Deze liet er bij een
steendrukkerij in Haarlem een gekleurde gravure van maken die door de Emmenaren kon worden gekocht.
Uit de gravure blijkt volgens Buiskool: "dat de kerk bestond uit een middenschip,
begrensd door twee zuilenrijen, welke de gewelven over dit middenschip en die der smalle zijbeuken
torsten. Het geheele gebouw kon zóó onder één dak worden gedekt. Het koor, ter breedte van het
schip der kerk, was eveneens overwelfd".
Tijdens de afbraak van de oude kerk kwamen onder de afbrokkelende kalkresten der zijmuren
muurschilderingen te voorschijn. Door ondeskundigheid van de mensen, die de kerk afbraken, kon geen
verder onderzoek worden gedaan naar meerdere afbeeldingen. Ook hier was het dhr Reijnders, die
een tekening maakte van een deel van de tevoorschijn komende beschadigde muurschilderingen. De
achtergrond was door gele rechthoekige lijnen in vakken gedeeld. De hoogte van de figuren op de
verschillende taferelen was ongeveer 50 centimeter, de breedte van de vakken bedroeg ongeveer
twee meter terwijl de hoogte iets minder dan twee meter was. De achtergrond van de schilderingen
was zacht rood terwijl de meeste figuren in geel waren afgebeeld. Uit overlevering is bekend dat
ook op de gewelven van het koor schilderingen zijn geweest van engelen en duivels. Deze waren echter
al door het werkvolk afgebroken voordat ze door Reijnders konden worden nagetekend.
De restanten van de muurschilderingen die door de heer Reijnders werden nagetekend geven op
primitieve wijze het lijden van Jezus weer.
De tekeningen van de afbeeldingen zijn beschreven in de Drentsche Volksalmanak van 1888 door
mr.W.L.van den Biesheuvel Schiffer. Ds.H.de Groot publiceerde in "Protestantsche
kerkdecoratie" en Buiskool in "Ecclesia Emmensis".
Noot: In 1855, het jaar van afbraak, is de kerk slachtoffer geweest van een inbraakgolf.
Buiskool schreef in 1933 dat bij de afbraak van de kerk ook de omheining van zware
stenen om het voormalige kerkhof rond de kerk werd afgebroken.
De aanbesteding van de bouw van de huidige kerk werd op 10 mei 1855 gehouden in het provinciehuis
te Assen. Bij de aanbesteding was inbegrepen de afbraak van de oude kerk en het herstel van de toren.
De Provinciale Drentse en Asser Courant: "een en ander met bijlevering van materialen
behalve de metselstenen."

|
|
Gedeelte van de grafzerk uit 1657 van dominee Herbertus Brachtesende.

Grafsteen daterende uit 1635 waarop een wapen is gebeiteld dat een hart met twee gekruiste
wapens voorstelt. Het wapen is van de familie Hommes.
Deze grafsteen is een fragment van de zerk van Margaretha Lepels. Zij overleed in 1652 en was
de echtgenote van Evert Warners die van 1625 tot 1654 schulte van Emmen.
|
Tijdens de opgravingen in 1964 bleek dat het eerste houten kerkje op de rand van een grafveld
was gebouwd. Onder de vloer van de kerk werd een groot aantal graven gevonden. Na
onderzoek bleek dat dit grafveld op een heideveld lag.
De overledenen hadden grafgiften mee gekregen zoals zwaarden, messen, dolken en
armbanden. Na uitgebreid onderzoek bleek, dat deze alle dateerden uit de 8e en 9e eeuw!
Alle graven werden opgemeten en precies ingetekend. Er zijn grafgiften gevonden van soms
1.200 jaar oud. Uit deze grafgiften bleek, dat een aantal bewoners van het dorpje Empne zich
reeds tot het christendom bekeerd had. Er werden bronzen kruisen en sleutels gevonden. De
sleutels kregen de overledenen in die begin periode van het christendom mee, omdat de
nabestaanden dachten dat hiermee de deur naar de hemel geopend moest worden. Sleutels waren
het attribuut van de vrouw, het zinnebeeld van haar huishoudelijk gezag. Messen waren symbolen
voor het werk en het leven van de man.
Het grafveld bleek heel lang gebruikt te zijn geweest. Er lagen meerdere graven over elkaar
heen. Er zijn ook kindergraven gevonden.
Het grafveld hield niet op bij de buitenmuur van de kerk, doch strekte zich uit
naar noord, noordoost. Buiten de kerkmuren zijn geen graven uit die periode
gevonden, wel van graven uit de 19e eeuw.
In de toren van de kerk bevinden zich nog drie gedeelten van grafzerken uit 1635, 1652 en 1657.
Ger de Leeuw vermoedt in "Rondom de Heerenhof" dat deze delen hier pas neergelegd zijn
na afbraak van de oude kerk in 1855.
|