|
Op de gevel is te lezen:
"kleding, bedden, dekens, matrassen".
Foto: © Bert J. (Hans) Davidson.
Israël Jakobs & Betje Levie.
Foto: © Bert J. (Hans) Davidson.
Op de gevel is te lezen:
"bedden, dames en herenkleding, matrassen".
Foto: © Bert J. (Hans) Davidson.
Maurits Jakobs en Rosa van Dam.
Foto: © Bert J. (Hans) Davidson.




Vlak voor de afbraak in 1959.
|
- 1908-19xx Israël Jakobs.
- 19xx-1942 Maurits Jakobs, ging tijdelijk naar Hoofdstraat 89.
- 1943-1945 Geert Kruit, afkomstig van Sleen.
- 1945-1959 Maurits Jakobs, manufacturen. Ging naar de Van Coevordenstraat.
- Op 1 mei 1958 werd het pand, Noorderstraat 1, afgebroken.
In 1908 vestigde Israël Jakobs Hzn hier een winkel in textiel en meubelen.
Israël Jakobs (1863-1942) was een zoon van Heiman Jakobs en Roosje de Jong. Hij werd geboren te Sleen
en huwde in 1892 in Emmen met Betje Levie (1864-1934), geboren te Noordbarge. Zij was een dochter van de
koopman Daniël Gerson Levie en Martha Polak.
Uit het huwelijk kwamen zes kinderen voort:
- Roos (*1893).
- Daniël (*1894).
- Herman Israël (*1896).
- Maurits (*1898).
- Gerson (*1900).
- Johanna (1902-1942). In de Tweede Wereldoorlog weggevoerd en overleden te Auschwitz.
Israël Jakobs werd tijdens de Tweede Wereldoorlog weggevoerd en niet keerde niet meer terug.
Hij overleed in 1942 te Auschwitz in Polen.
Zijn zoon Maurits (Mau) nam de zaak over. Begin jaren '60 dreef hij er een winkel in stoffen.
In het boek Emmen in bezettingstijd van G.Groenhuis komt op bladzijde 161 een brief van Maurits
Jakobs ter sprake, die hij op 26 april 1945 zou hebben geschreven. In deze brief schreef Maurits
dat hij en zijn vrouw Rosa van Dam tijdens de oorlog waren ondergedoken met steun van politieagent
Bergh. "Hij was in de eerste tijd op de hoogte van onze verblijfplaats en had afgesproken om
ons te waarschuwen als hij wist dat er voor ons gevaar dreigde."
Groenhuis laat in het boek zijn twijfel blijken over het waarheidsgehalte van deze brief. Bergh
was betrokken bij vele arrestaties. Zelfs een broer van Maurits werd door Bergh naar Zwolle getransporteerd.
Hierover schreef Maurits: "Hij heeft hem gelegenheid gegeven te vluchten, waar hij echter geen
gebruik van heeft gemaakt." Groenhuis had niet ten onrechte twijfels over de brief van Maurits,
door de getuigenissen van Henk Kleinenberg, Jeanne Palland maar ook uit het verhaal van ooggetuige
Altjo (Jo) Oldenburger uit Beilen. Oldenburger vermoedt dat agent Bergh, die in Emmen als 'fout'
bekend stond, om zichzelf schoon te pleiten, het echtpaar Maurits heeft verzocht de bewuste brief te
schrijven. De Jakobsen waren erg vriendelijke mensen.
In de zomer van 1942 richtten de Duitsers een aantal werkkampen in waar de joden moesten werken.
Volgens Groenhuis kregen deze werkkampen al gauw het karakter van Duitse concentratiekampen.
Altjo Oldenburger, geboren in Emmer Erfscheidenveen, kwam door zijn werk vanaf eind jaren dertig veel in
aanraking met de joodse middenstanders in Emmen.
Jo Oldenburger had goede contacten met het echtpaar Maurits en Rosa Jakobs-van Dam van de manufacturenzaak
aan de Noorderstraat. Half juli kreeg Maurits Jakobs bericht dat hij zich moest melden in het werkkamp
in Vledder. De zondag voor het vertrek was Oldenburger op bezoek bij het kinderloze echtpaar. Samen
met Rosa Jakobs probeerde Jo Oldenburger Maurits Jakobs ervan te overtuigen dat ze moesten onderduiken.
Jakobs voelde er niet veel voor, hij was van mening dat de oorlog niet lang
meer zou duren.
Oldenburger beloofde het echtpaar dat hij de volgende dag mee zou reizen met 'de jodentram' naar
Vledder om te zien waar de groep terecht zou komen. Hij nam zijn fiets mee om na aankomst de omgeving
te verkennen. Daarna fietste hij naar Emmen terug waar hij zijn bevindingen besprak met een aantal
achterblijvers.
Samen met Rosa besloot Jo dat het beter was om een onderduikadres te gaan zoeken. Rosa was ervan
overtuigd dat veel van hun vrienden bereid zouden zijn hen onderdak te verlenen. Dat viel tegen. Jo
bezocht enkele tientallen door hen opgegeven adressen in heel Drenthe, onder andere in Oosterhesselen,
Dwingeloo en Veenhuizen. Velen verklaarden wel te willen, maar om bekende redenen niet te kunnen.
Een enkeling die wel wilde, leek het vooral om het geld te doen te zijn en viel daarom naar Jo's mening
af. Ondertussen fietste hij ook nog enkele malen naar het kamp in Vledder met tassen vol eten als
aanvulling op de magere rantsoenen in het kamp.
Rosa had inmiddels de aanzegging gekregen dat ze hun huis moest verlaten en vond onderdak bij
Gottfried Meiboom die tegenover het postkantoor woonde. Kostbare spullen van de familie waren in een
eerder stadium al ondergebracht bij buren en goede vrienden. Probleem was een plek te vinden voor het
meubilair, waaronder twee grote crapauds. In eerste instantie konden de meubels ondergebracht worden
bij een boer, maar deze vreesde represailles bij ontdekking. Uiteindelijke lukte het Jo alle meubels
onder te brengen in de meubelstoffeerderei van Van Peer aan de Derksstraat.
Ondertussen verstreek de tijd en Jo, die voor zijn werk veel in Amsterdam kwam merkte dat de tijd
voor de joden begon te dringen. Hij besloot onderdak voor zijn joodse vrienden te zoeken in zijn
geboortedorp. Bij het eerste adres lukte dit al. Na overleg met zijn vrouw verklaarde de heer H.Meijer
die woonde aan Kanaal B118 in Emmer Erfscheidenveen zich bereid het echtpaar tijdelijk onderdak te
verschaffen. Jo Oldenburger nam contact op met een van de bewakers van het kamp in Vledder, een zekere
Willems, waarvan Jo wist dal deze geen lid van de NSB was. Zonder te weten waarom het precies ging
bleek Willems bereid zijn steentje bij te dragen. De eerstvolgende avond dat Willems dienst had
fietste Jo naar Vledder, kreeg een fiets van Willems te leen en haalde op een vooraf afgesproken plek
Maurits Jakobs op uit het kamp. Samen fietsten ze, bekende obstakels ontwijkend en op 50 meter
afstand achter elkaar aan, naar Emmer Erfscheidenveen. Jo had de dag ervoor Rosa al op de fiets naar
het onderduikadres gebracht, waar het echtpaar elkaar na een scheiding van enkele weken terug zag.
In de periode tot aan het eind van de oorlog moesten Maurits en Rosa nog diverse keren van
onderduikadres wisselen. Steeds was het Jo Oldenburger, die vaak samen met zusters Gien (Gien zonder
Vrees) en Lien Warringa uit de Wilhelminastraat en de broers Edu en Con ter Veer uit de Molenkamp in
Emmen er voor zorgde dat de beide onderduikers naar een nieuw adres werden vervoerd. Maurits en Rosa
zaten ook nog enige tijd in het onderduikerhol in het
Valtherbos, waar dezelfde vijf mensen, en uiteraard Bertus Zefat, een belangrijke rol speelden in de verzorging van de onderduikers.
De laatste jaar van de oorlog zat het echtpaar Jakobs met nog drie andere mensen ondergedoken in
de woning van de zusters Warringa. Jo Oldenburger vertelde dat de terugkeer, direct na de bevrijding,
van de Wilhelminastraat naar hun woning aan de Noorderstraat een ware zegetocht was van de twee joodse
Emmenaren. Ze werden door iedereen staande gehouden en omhelsd, zodat die paar honderd meter naar hun
huis meer dan twee uur duurde.
Saillant detail in dit hele verhaal is nog dat het gehele meubilair, waar Jo Oldenburger zo mee
in zijn maag had gezeten, op de zolder van hun eigen huis stond. Wat was het geval? De woning was na
de vordering in gebruik genomen door de Landwacht als kantoor. Op een gegeven moment moest ook Van
Peer zijn magazijn ontruimen. Waar heen met de meubels van Jakobs? Arent van Peer besloot de landwacht
in het huis van de Jakobsen te vragen of hij een deel van zijn goederen niet op de zolder mocht
opslaan. Dat was goed. De Landwacht had er goed op gepast!
Minder goed was het afgelopen met een deel van het linnengoed dat in bewaring was gegeven bij
een van de buren. Hier werkte een dienstmeisje die in de gaten had dat er spullen in het huis lagen
die niet van de familie waren. Toen ze ging trouwen eiste ze, onder bedreiging van hen aan te
geven, deze spullen op.
|