|

Boven: de eerste regels van het verzoek tot toelating
en erkenning van 28 februari 1843.
Onder: de handtekeningen van de ondertekenaars.



Uitvergroting van foto boven.
V.l.n.r. de gereformeerde kerk, de pastorie
en de molen "De Huisvrouw".
Het oude orgel werd herplaatst in de
Zuiderkerk alwaar deze foto is genomen.
Foto: website orgels in Drenthe.
Uitvergroting van foto boven.
Zicht op het kerkje en de pastorie vanaf
het Marktplein.
Emmer Courant 5 mei 1923.
|
Hoewel het niet duidelijk vast staat hebben de eerste afgescheidenen in Emmen zich vermoedelijk aangesloten
bij de afgescheidenen van Borger dat zich in 1837 had afgescheiden. De institutie heeft mogelijk in 1841
plaatsgevonden, hoewel 24 personen in Emmen op 12 november 1842 de "kennisgeving van afscheiding"
ondertekenden. Op 28 februari 1843, drie maanden later, richten zij tot koning Willem II het verzoekschrift
tot toelating en erkenning, dat op 14 juni 1843 bij Koninklijk Besluit werd goedgekeurd en bekrachtigd.
Eén van de ondertekenaars van het verzoekschrift was Jantien Hendriks Joling (1802-1872), die "de motor van
de afscheiding in Emmen" werd genoemd. Zij was de nog jonge weduwe en erfgenaam van Willem Lutke Frieling
(1759-1840), die samen met zijn twee broers, uitgebreide landerijen en veenderijen bezat. De weduwe werd rijk en
besteedde veel van het geërfde geld aan de bouw van een eigen kerk voor de afgescheidenen.
Voordat de Christelijke Afgescheiden Gemeente over een eigen kerk beschikte werden de samenkomsten gehouden
in "een woonhuis, bewoond en in eigendom toebehorende aan de weduwe W.L.Frieling, staande te Noordbargen,
gemeente Emmen, no125". Op 26 april 1843 schreef de toenmalige burgemeester Jan Jacob Willinge op
verzoek van de Minister van Staat, belast met kerkelijke zaken, een verklaring dat hij het huis geschikt achtte tot
uitoefening van openbare erediensten der afgescheidenen. Noot: in deze verklaring
werd echter als nummer 126 vermeld.
Tussen 1843 en 1845 maakten de drie podagristen hun voetreis door Drenthe en deden daarbij ook Emmen aan. In hun
boek "Drenthe in vlugtige en losse omtrekken" dat zij over de reizen schreven vermeldden zij:
"De Afgescheidenen hebben hier in 1843 een bedehuis getimmerd, dat - het klinkt wel wat Babelsch; maar er
zijn ter wereld zoo vele doodonschuldige, onvoorbedachte inconsequentiën! - dat zelfs met een toren voorzien is.
Te regt verwondert men zich, dat deze juist op 't oostelijk einde is aangebragt. Immers, waar gij in Drenthe een
kerk met een toren ziet prijken, daar zult gij dien aan den westkant des gebouws ontmoeten"
De schrijvers van "150 jaar gereformeerde kerk Emmen" achten het zeer waarschijnlijk dat het de weduwe
Jantje Hendrik Joling is geweest die een groot aandeel heeft gehad in de kosten van de bouw van de kerk.
De kerkgang was in deze tijd een moeizame tocht. Een gemeentelid beschreef dat de kerkgangers vanuit Emmen,
Westenesch, Zuid- en Noordbarge, Angelsloo, Den Oever, Oranjedorp, Barger Oosterveld, Klazienaveen,
Odoornerveen, Erm, Diphoorn en Sleen te voet of per voertuig naar de kerk kwamen. Bij regenachtig weer en
modderige wegen moesten de vrouwen hun lange rokken optrekken of opspelden en konden ze hun natte kleren in
de kerk drogen door hun voeten op een stoof te zetten, waarin men kooltjes vuur had gelegd uit een groot
turfvuur in de consistorie. Daarbij kon de stoof gaan schroeien en moest de vrouw met stoof en al de kerk
uit vanwege de schroeilucht. De mannen, die langdurige werkdagen hadden, vielen tijdens de dienst nogal eens
in slaap waarna de prediker hard op de preekstoel sloeg. Hielp dat niet, dan moest een slaper gaan staan om
wakker te blijven. Tijdens de dienst, die niet zelden twee uur duurde, gingen de snuifdoosjes en pepermunten
kwistig rond. De kerk werd verwarmd door een grote kachel, waarvan de pijp langs de zolder naar boven liep. Als
het regende, lekte het regenwater langs de pijp naar beneden, met gevaar van roetplekken op de kleding en het
oorijzer met kanten mutsje zodat de kerkganger wel eens en andere plek moest opzoeken. De mannen en vrouwen zaten
apart in de kerk.
In de notulen van de kerk staat vermeld dat het torentje op de kerk op zeker moment gestut moest worden.
Hoewel er begin 1870 plannen waren voor de bouw van een nieuwe kerk besloot de kerkenraad in 1873 tot verbouw
van het bestaande kerkje. Voor een bedrag van f 500,- werd het metsel- en timmerwerk uitgevoerd door de aannemers
M.Popping en J.Kuiper uit Noordbarge.
De pastorie, zoals deze op de foto rechts van de kerk staat afgebeeld, bestond toen
nog niet. De eerste pastorie heeft waarschijnlijk aan het Noordeind gestaan, daar waar de Weerdingerstraat vroeger
op het Noordeind aansloot. J.A.Heidsma vermeldt in het jaarboekje van 1976 in vogelvlucht de geschiedenis van de
gereformeerde kerk en schreef o.a. dat deze in 1967 afgebroken woning de pastorie is geweest en dat deze in 1884
voor f 2.000,- gulden werd verkocht aan D.Voordewind.
In 1890 werd de kerk van nieuwe dakgoten voorzien, waarvan de kosten voor de helft werden betaald door Broeder
K.Ensink. Van binnen werd de kerk gewit en de westelijke muur werd behandeld tegen het doorlaten van vocht.
De Generale Synode besloot op 17 juni 1892 tot het samenvoeging van de dolerende kerk en de kerk der
afgescheidenen die was ontstaan in 1834. Zo ontstond in 1892 de Gereformeerde Kerk Emmen.
In december 1895 werd de kerk voorzien van een nieuwe kachel.
In de jaren van 1843 tot 1904 werden de diensten gehouden met een voorzanger omdat het de kerk nog aan een
kerkorgel ontbrak. In 1901 klonk de roep om een orgel voor het eerst. De kerkenraad kon de wens billijken mits
het financieel haalbaar was. Een ingestelde orgelcommissie volbracht de taak en droeg het aangeschafte orgel
op 13 juli 1904 over aan de gereformeerde gemeente.
Het was een oud, door orgelbouwer Jan Proper, verbouwd orgel met één klavier dat op de galerij boven de
toreningang werd geplaatst. Het orgel was, gelet op de makelij, vermoedelijk aan het eind van de 18e eeuw gebouwd.
In het orgel werd een vrachtbrief aangetroffen waaruit bleek dat het orgel uit Amsterdam werd verzonden. Proper
voorzag het orgel waarschijnlijk van een magazijnbalg en plaatste mogelijk ook de drie gipsen beelden op het
front. (bron: website orgels in Drenthe) De eerste organist was
de heer Reinink die daarbij geholpen werd door een orgeltrapper.
In oktober 1916 werd besloten de kerk en de pastorie van elektrisch licht voorzien. Voor f 161,- gulden
werden 24 lichtpunten aangebracht.
Inmiddels was het aantal leden vervijfvoudigd:
| jaar |
aantal leden |
belijdend |
| 1856 |
120 |
- |
| 1880 |
300 |
- |
| 1890 |
390 |
- |
| 1900 |
400 |
- |
| 1910 |
452 |
- |
| 1916 |
501 |
204 |
| 1917 |
547 |
222 |
| 1918 |
572 |
233 |
| 1919 |
614 |
245 |
| 1920 |
623 |
267 |
| 1921 |
626 |
269 |
| 1922 |
679 |
289 |
Als gevolg van deze ledengroei werd het kerkje te klein. Door het plaatsen van banken en stoelen in de gangpaden
en het thuislaten van kinderen werd getracht het probleem op te lossen. Verbouw van het kerkje bleek te kostbaar
en bovendien was er aan de Wilhelminalaan reeds grond aangekocht omdat ook de ligging van het oude kerkje niet
ideaal werd bevonden.
Nieuwbouw was de enige optie, helemaal toen het oude kerkje op 6 november 1921 niet ontkwam aan een zeer zware
herfststorm die over het land raasde en grote schade aan het kerkje aanrichtte. Op zondag 6 december 1922 was het
wederom mis met het weer en de angst was groot dat het gewelf neer zou storten. Er zou zelfs sprake geweest zijn
van paniek onder de kerkgangers.
Gelukkig kon de nieuwe kerk aan de Wilhelminalaan, die de naam
Zuiderkerk kreeg, op 3 januari 1923 in gebruik worden genomen.
Het oude kerkje, het perceel grond en de pastorie werden op 8 mei 1923
publiekelijk bij palmslag verkocht. Het geheel werd ingezet voor f 5.225,-
maar de opbrengst was zo hoog dat daarvan een nieuwe pastorie gebouwd kon worden naast de nieuwe kerk.
Het oude kerkje aan de Vreding werd vervolgens afgebroken. Van de stenen en ramen wordt vermeld dat deze zijn
gebruikt voor de bouw van een woning aan de Burgemeester
Tijmesstraat.
Voor de gaanderij met banken was de zustergemeente te Zweeloo een gegadigde, maar voor zowel de banken als de
preekstoel bleken geen liefhebbers te zijn. Ze werden ter beschikking gesteld voor een destijds nog te bouwen
evangelisatiegebouw in de omgeving van het Emmerzand. De bomen bij het kerkje werden voor f 200,- eigendom van
de diakeen Koster. Het orgel tenslotte werd in de nieuwe kerk herplaatst.
|