- voor 1931-1942 Van Dien, slager. Grint 76.
De Emmer Courant van 1931: "De woning, die we als de woning der de familie Vriend hebben gekend, later door de
familie Thedinga, en waarin daarna den heer M.N. van Dien zijn slagerij had gevestigd, is van ’t voorjaar geamoveerd en daarop
door den aannemer, den heer G.J.Flik, op ’t terrein een groot en modern woon en winkelhuis gebouwd, dat de herinnering aan weleer
heeft weggevaagd."
De winkel was ter gelegenheid van het feestelijk feit in de bloemetjes gezet.
De verandering was volgens deze krant wel heel groot: "De in modernen stijl opgetrokken en ingerichte
winkelruimte doet het oog prettig aan, en de aan den haak hangende verleidelijk uitziende
vleeschbouten, van een puik
vette koe, zoals de slagersterm luidt, wel op hun voordeligst uitkomen. De heldere tegelwanden en de granito vloerbedekking
maken een frisse indruk en komen met de moderne winkelinrichting en verlichting uitstekend tot hun recht, terwijl de
smakelijk uitziende etalage als vanzelf kijkers trekt."
De slagerij werd gebouwd in opdracht van Meijer Nathan van Dien
(1887-1942). Hij was een zoon van Nathan David van Dien en Judith Levie
Goudsmit en werd geboren te Aarlanderveen. In 1914 huwde hij met de modiste
Saartje Kropveld uit Emmen. Zij was een dochter van Abraham Kropveld en
Betje Stern.
Meijer Nathan van Dien werd mogelijk tijdens de razzia in de nacht van 2
op 3 oktober 1942 door de bezetter opgepakt en naar Auschwitz in Polen
overgebracht, waar hij op 8 oktober 1942 stierf.
Zijn zoon Ab (Alfred) was tijdens de Tweede Wereldoorlog één van de bewoners van
het
onderduikershol in het Valtherbos. Ab was één van de eerste joden in Emmen die onderdook
omdat hij doorzag wat de bezetter met de joden van plan was: "Ik
zelf heb er cynisch tegenover gestaan vanaf de eerste dag, dat ze ons
vertelden, dat we niets te vrezen hadden, dat we in werkkampen zouden worden
ondergebracht en dat we in eigen land zouden blijven. Ik geloofde het niet
en meermalen heb ik thuis gezegd 'We gaan weg, denkt er om lui, ze zenden
ons naar Polen'."
Van Dien verdween op zaterdag 15 augustus 1942, de dag dat het
bericht kwam dat alle joden uit Emmen zich op maandag 17 augustus 1942
moesten vertrekken. Zijn eerste onderduikadres was een schuilplaats in een
turfstobbe te Emmer Compascuum. Vanwege een onveilige omstandigheid moest
hij in november 1942 al naar een andere schuilplaats uitwijken.
Die werd hem geboden door Bertus Zefat in Valthe, die zijn vrij afgelegen
kippenhok had omgebouwd tot onderduikverblijf. Hier zaten al acht mensen
ondergedoken; drie mannen, vier vrouwen en een meisje van negen jaar. Op 1
december 1942 werden de kippenhokken door controleurs van de CCD
geïnspecteerd waarbij de onderduikers mogelijk door een kier zijn gezien.
's Avonds nog vertrokken ze en brachten samen met Van Dien de koude
decembernacht in de openlucht door.
De volgende dag werd, met hulp van Zefat, begonnen met het graven van een
hol in het Valtherbos. Meerdere malen werd het hol echter ontdekt. Eind
januari 1943 werd het hol ontruimd. Van Dien verbleef vijf maanden op
een onderduikadres in Emmen, maar die situatie daar bleek ook niet langer
houdbaar.
Van Dien keerde weer terug naar het Valtherbos en verbleef daar twee jaar.
Het grote probleem was dat steeds meer mensen gingen vermoeden wat Zefat
uitvoerde. Zo ook Jan Hendriks uit Emmer Compascuum, die het geheim van het
hol zelfs kende. Hij stuurde zijn oomzegger Appie Hendriks, die gedeserteerd
was, naar Zefat voor een onderduikplaats. Na overleg met de holbewoners,
werd dat geweigerd. Hendriks viel in handen van de Duitsers, werd in het
Scholtenshuis ondervraagd, en sloeg toen door.
Op 27 juli 1944 werd Zefat gegrepen en bij zijn huis doodgeschoten. Hij
bleef zwijgen. De onderduikers hebben dankzij Bertus Zefat en enkele ter
goeder trouw staande helpers de oorlog overleefd.
Van Dien verhuisde na de oorlog naar Amsterdam alwaar hij werkzaam was in
de architectuur, stedenbouw en vormgeving.
|