|
De belangstelling voor het voetbal in Zuidoost Drenthe was groot in de naoorlogse jaren. Bij thuiswedstrijden
van Emmen en Zwartemeer tegen het Heerenveen van Abe Lenstra, de superster in die jaren, stonden bijvoorbeeld
negenduizend toeschouwers aan de kant op accommodaties zonder behoorlijke tribunes.
In 1954 speelde de profclub Rotterdam twee thuiswedstrijden in het kader van de NBVB-competitie op
sportpark Veenoord. Op het eerste duel kwamen maar liefst veertienduizend bezoekers af. Op de tweede,
onder slechtere weersomstandigheden, nog altijd zo’n achtduizend. Op zich dus een regio waar betaald voetbal
zou kunnen gedijen.
Na de fusie in 1954 tussen de officiële KNVB en de wilde bond NBVB bestond de eerste profcompetitie
uit 56 clubs.
Zwartemeer hoorde daar nog niet bij. Voor het tweede seizoen konden belangstellende clubs zich aanmelden
indien ze aan bepaalde toelatingseisen konden voldoen. Het minimum salaris was zeshonderd gulden per seizoen
en een club moest minstens twaalf en maximaal twintig spelers onder contract nemen. Ook moest de club over
vijftigduizend gulden in liquide middelen beschikken.
De leden van de v.v. Emmen zagen in meerderheid een overstap niet zitten. De stemming in Klazienaveen
was duidelijk positiever. De leden van Zwartemeer werden warm gemaakt voor het betaald voetbal door een
drietal heren: trainer Toon Duijnhouwer, Jo de Jong en Rieks Hoge. De Jong was penningmeester en in het
dagelijks leven procuratiehouder bij het metaalbedrijf Rademaker. Hij had evenals Duijnhouwer een Rotterdams
verleden. Hoge was directeur van de plaatselijke Boerenleenbank.
Tijdens een ledenvergadering in april 1955 gaf Zwartemeer-voorzitter Bronk voor een gehoor van 120
aanwezigen een uiteenzetting van de doelstellingen van de club. "We willen meer belangstelling bij
de spelers kweken voor intensievere training met als gevolg opvoering van het spelpeil." Dat zou
dus moeten worden bereikt door het betalen van de spelers.
De leden konden zich in de woorden van de preses vinden. Een probleempje was nog die vereiste
waarborgsom van vijftigduizend gulden. Zwartemeer bleek voor 27.000 gulden nog geen dekking te hebben.
Ter vergadering lieten de leden schriftelijk weten voor welke bedragen ze hoofdelijk borg wilden staan.
Na optelling bleek dat voor meer dan de helft was ingeschreven. Het betaald voetbal kon er wat de
Klazienaveners betrof komen.
|