|
Bestuur:

|
|
|
|
|
|
De marke:

|
|
|
|
In diverse straat - en gebouwnamen in Emmen komt het begrip
"marke" voor. Zo is er de Boermarkeweg, de Marke, de Zuidermarke, de Oostermarke, de Boermarke, enz.
Een marke was een georganiseerde (boeren)samenlevingsvorm die vanaf de 13e
eeuw vorm kreeg. Encarta zegt daarover:
"Marke, oorspronkelijk grens betekenend, werd in de late
middeleeuwen en daarna gebruikt ter aanduiding van het door de inwoners van een
nederzetting gemeenschappelijk gebruikte deel van het areaal van de
nederzetting, waarop door de heer gebruiksrechten waren toegestaan."
Linthorst Homan noemt in zijn boek "Geschiedenis van Drenthe" (p.72)
de poging van de Bisschop van Utrecht (13e eeuw) om de hoforganisatie in
te voeren en daardoor politiek en economisch meer vat op Drenthe te krijgen o.a.
als één der oorzaken van het ontstaan der marken in Drenthe. De bevolking zou
gereageerd hebben met het vormen van marken, om de woeste gronden in bezit te
kunnen nemen, mogelijk onder leiding van edelen of pastoors en onder invloed van
wat elders reeds was tot stand gekomen. Het feit, dat ook de kerk steeds in het
bezit was van waardeel, houdt de mogelijkheid in, dat ook zij een rol heeft
gespeeld bij het ontstaan der markegenootschappen. De stichting van de
voornaamste kerken in Drenthe vond in dezelfde eeuwen plaats.
Tot de 13e eeuw had de schaarse bevolking weinig middelen om de door hen
ontgonnen woeste gronden te bemesten. Ze ontgonnen niet meer grond dan ze konden
bemesten. Dit bemesten geschiedde met mest geproduceerd door op de woeste
gronden grazende schapen. Ook had men genoeg hout voor "huizen" bouw
en brandstof. Toename van de bevolking bekende echter uitbreiding van
bouwlanden. Het gevolg van uitbreiding der bouwlanden was een grotere
mestbehoefte met als wedergevolg een grotere veestapel. Ook het houtverbruik nam toe.
De bevolking van een buurtschap begreep dat niet ieder op eigen wijze
onbeperkt het aantal schapen en rundvee vermeerderde, plaggen ging steken of
hout gebruiken. Het zou de gronden veranderen in zandverstuivingen. Men moest de
ontgonnen (de es) en onontgonnen gronden op één of andere manier verdelen. Van
de es kreeg een ieder een eigen deel en een stuk grond voor een huis. Dit noemde men de
"gescheiden marke". De "ongescheiden marke" was voor gemeenschappelijk gebruik,
zoals de groen- en madelanden voor het vee, het bos en hout voor gebouwen en gereedschappen,
het veen voor de brandstof en de heide voor de schapen.
Uiteraard moest men met naburige dorpen tot overeenstemming komen tot hoeverre
ieders buurschap de woeste gronden zou mogen gebruiken. Door deze overeenstemmingen
ontstonden de markegrenzen en de marke.
De boeren van een buurschap stelden ook hun rechten en plichten vast. Zo ontstonden de
zogenoemde waardelen. Men bepaalde ieders rechten op de gezamenlijke woeste gronden, door
bepalingen aan dit waardeel of aandeel te verbinden. Bepalingen die o.a. inhielden hoeveel
paarden, koeien, schapen men zou mogen houden, hoeveel plaggen men zou mogen steken en hoeveel
hout men zou mogen gebruiken, "ende so na
advenant", rekening houdende met de grootte van ieders waardeel. Men moest
een maatstaf hebben tot hoever een gerechtigde gebruik kon maken van de ongescheiden gronden.
Deze regelingen zijn in de boerwillekeuren terug te vinden. Boerwillekeuren of markerechten
zijn te beschouwen als verordeningen, die allerlei regelingen bevatten, betreffende de es, de
buurschap en het gebruik van de markegronden. De bewaard gebleven markerechten zijn
gepubliceerd in de Verslagen en Mededelingen van het Oud-Vaderlandse Recht, deel VI.
Uit praktische overwegingen verdeelde men de woeste gronden niet. Zonder
verdeling kon men de schapen (en het vee) door één herder gezamenlijk laten
hoeden. Ging men de gronden verdelen, dan zou iedere gerechtigde op zijn eigen
gedeelte schapen moeten hoeden.
De hoeveelheid bouwland per boer varieerde tot 45 mud (12 ha). De meeste bedrijven hadden
zo'n 30 mud (8 ha). Dit was nodig, om voor een vol erf (1 waardeel) te kunnen doorgaan. Men
had echter al stemrecht, als men 1/4 waardeel bezat.
Ook de in de marke gelegen kerk bezat gewoonlijk een vol waardeel, opdat de pastoor, later
predikant, met een volledige boerenbeslag in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.
Waardelen hadden hadden in de diverse marken verschillende grootte want de grootte van
een waardeel was afhankelijk van de oppervlakte van de markegronden en het aantal buren
in de marke.
De marke van Emmen en Westenesch telde 24 waardelen, Noord en Zuidbarge 25 en
Weerdinge 10 waardelen.
Als eigenaren hadden de buren vrije beschikking over de markegronden. Als
samenlevingsvorm (de marke) hadden de buurtschappen een landsheer boven zich. Ondanks
dat deze landsheer vaak ook erven in de buurtschap bezat, had hij slechts als
medebuur of eigenerfde iets te zeggen.
|
|
|
Marke indeling:

|
|
|
Marke indeling in Zuidoost Drenthe omstreeks het jaar 1840.
Klik hier voor vergrootte versie
|
Zuidoost Drenthe kende vroeger de marken Westenesch, Weerdinge en Noord en Zuidbarge.
Een marke samenleving bestond o.a. uit:
- Eigenerfden: Dit waren de eigenaren van een boerderij met erf, landerijen en
bezaten (een) waarde(e)l(en). Ze werden ook wel buren (boeren) of markegenoten
genoemd. Ze erkenden elkaar als eigenaar.
- Meijers: Zij waren pachters van de grond, die ze huurden van de eigenerfden. Ook
traden zij wel op als zaakgelastigde van de eigenerfden. Veelal hadden meijers dezelfde
rechten als eigenerfden. Hun verdiensten waren nauwkeurig geregeld.
- Keuters: Dat waren feitelijk landarbeiders en bezaten geen waardeel. Zij hadden
geen rechten in de marke. Het gebruik van de grond was hen slechts toegestaan bij wijze van
gunst of tegen betaling.
Rechten in een marke konden niet afzonderlijk worden verkocht of weggeschonken. Vererving
was alleen in rechte lijn toegestaan. Was dit niet mogelijk dan kwamen de rechten (lees
grond en goederen) aan de buren toe. Overdracht van bijvoorbeeld onroerend goed deed men door
een symbolische handeling, "de stocklegginge" ten overstaan van de schout of schulte
en onder getuige van de volle buren. Een volle buur bezat tenminste 1/4 waardeel en waren nodig omdat
de overdracht anders geen geldigheid had.
Een eigenerfde kon uit de buurtschap treden om grotere zelfstandigheid te verkrijgen of
om van buurschaplasten verlost te zijn maar was wel aan allerlei regels gebonden. Eenmaal
afgescheiden gronden van de marke, maakten er geen deel meer van uit, evenmin dat de nieuwe
eigenaar een buur werd in de marke. Zulke afgescheiden gronden noemde men: "voorwerken" zoals
kloostergoederen.
In 1625 mocht een eigenerfde uittreden indien hij drie volle waren bezat. In 1634
al bij twee volle waren (een waar was 4x 1/4 waardeel). Ook konden eigenerfden die
gezamenlijk het vereiste aantal waren bezat uittreden. Toen later o.a. het erfrecht
wijzigde ontstond er, mede door de vererving, veel privé bezit (waardelen) buiten de
marke (in andere buurtschappen). Dergelijke scheidingen vonden steeds regelmatiger
plaats. Op 6 juni 1840 kwam er een wet die bij verdeling van de marken tijdelijk vrijstelling
van lasten toestond waardoor de verdeling in een sneller tempo plaats vond. In 1880 was
er volgens het kadaster nog 115.000 ha markegrond, doch in 1886 reeds volgde de
verdeling van laatste marken waarna ze werden opgeheven.
Een andere reden voor het opheffen der marken was omdat Drenthe ingevoegd werd in het
bestuurlijke geheel van de Nederlandse staat. Er vond een totale omschakeling plaats:
liberalisatie. Gevolgen:
- De op zelfvoorziening gerichte productie uit de landbouwgronden moest wijken voor
productie voor de vrije markt.
- Het oude informele gezag van de buurtschappen moest plaats maken voor het formele
gezag van een vreemde burgerlijke overheid.
|
|
|
Noaberplichten:

|
|
|


Hoe kunnen naoberplichten in beeld worden gebracht?
Boven: In het midden de in 1955 verplaatste schuur op de hoek
Noordeind en Weerdingerstraat.
Veertig mannen die in 1955 hulp verleenden een boerenschuur te verplaatsen. Een knap staaltje
burenhulp. Rechtsachter is de oude boerderij van Robben te zien. Op de voorgrond politieagent
Blaauw.
|
De economische en sociale structuur in een marke werd gekenmerkt
door het collectief. Doordat dorpen lange tijd slechts uit enkele families
bestonden waren de banden hecht. Mede door de geïsoleerde ligging van de dorpen
was men ook uit noodzaak op elkaar aangewezen. Zo ontstond een sterke
gemeenschap en wederzijds hulpbetoon. Vele diensten waren vrijwillig maar in
feite ongeschreven wetten, die men heden ten dage nog de naoberplichten noemt.
De dorpen waren verdeeld in naoberschappen die gevormd waren door dicht bij elkaar
wonende groepen. Elk gezin had zo'n 4 a 5 naobers aan beide zijden van het huis. Behoudens
aan deze naobers had men ook naoberplichten aan het dorp als geheel. Dit noemde men "de
boerwerken". Moest men bijdragen aan de boerwerken dan werd men door het blazen op de
boerhoorn bijeengeroepen.
Vandaag de dag komt het nog veelvuldig voor dat men de bewoners in de
zanddorpen niet kan begrijpen, zonder met respect rekening te houden met hun traditie.
Dat geldt niet alleen voor stadsmensen maar ook voor de veenkoloniale collega die
veelal door de moderne kapitalistische tijd een bedrijf kon opbouwen. Men
spreekt dan ook nog vaak over zanddorpen en veendorpen, zandboeren en veenboeren.
Voorbeeld 1: Hulp bij een sterfgeval
Bij een sterfgeval moesten de naaste buren (de naobers) bericht
zenden aan de overige buren, die op hun beurt de tijding moesten overbrengen aan
familieleden, vrienden en bekenden. Uit elk der tien burenhuizen kwam er één
buur om het lijk af te leggen. De eerste buren (altijd twee) moesten zorgen voor de
aangifte op het gemeentehuis en moesten de klok luiden.
Gezamenlijk werd de doodskist gehaald. De gestorvene werd op een boerenwagen, waarop stro
gelegd was, naar het kerkhof gebracht. De buurvrouwen (de naoberwieven)
vervaardigden het doodskleed en zorgden voor het goede verloop van den
begrafenismaaltijd, die na de begrafenis in het sterfhuis genuttigd werd.
Het overlijden van een dorpsgenoot werd aangekondigd door "den groevenneuger".
De duur van den rouw hing af van den verwantschapsgraad. Bij gebrek aan middelen droegen
de mannen dikwijls een zwarte band om de mouw of een zwarte kokarde aan het
hoofddeksel. De vrouwen overdekten het oorijzer met een zwarte stof.
Voorbeeld 2: Uit spinnen gaan
Een typisch Drents gebruik, eveneens voortvloeiende uit het wederzijdse
hulpbetoon, is het "uit spinnen gaan". Deze uitdrukking betekent
tegenwoordig "op visite gaan". Het spinnen van vlas komt tegenwoordig niet meer voor.
Oorspronkelijk beduidde het bij iemand in of buiten het dorp het vlas te gaan spinnen.
Daar de hoeveelheid vlas bij de boeren vaak zo groot was, dat ze zelf niet alles konden spinnen,
werden de meisjes uit het dorp verzocht hierbij behulpzaam te zijn.
Wanneer meisjes van buiten het dorp kwamen, bleven deze dikwijls enige weken. Voor de
meisjes was dit een feesttijd, doch voor de jongens van het dorp niet minder, daar deze
tegen het einde van den avond omstreeks 8 uur, het tijdstip, waarop de Drentse
boer naar bed ging, de meisjes kwamen halen.
Op de spinavonden werd meestal de grondslag gelegd voor een bruiloft. Ook
werden trouwlustigen wel met elkaar in kennis gebracht door den "maaksman",
die ook de taak had de bruiloft aan te kondigen. De met groen en strikken
versierde maaksman of "wasschupsneuger", die gewapend was met een lange
stok, ontving in elk huis, waar hij de bruiloft aankondigde, een glas jenever of
brandewijn, waarvan op bodem een geldstuk lag.
De bruiloft werd met grote luister gevierd. Op de huwelijksdag kwamen
bruidegom en genodigden in linnenwagens naar het huis van de bruid. Van dit huis
waren vensters en deuren zorgvuldig gesloten. De "broedeischer" (broed =
bruid) hield in naam van den bruidegom een toespraak tot de voor hem onzichtbare
ouders van de bruid en nadat hij gevraagd had of hij hier aan het juiste adres
was, werd de bovendeur van den "baander" (schuurdeur) geopend en de vraag
bevestigend beantwoord door de op de deel verzamelde familieleden van de bruid.
Alvorens de bruid veroverd kon worden, moest veel geveinsde tegenstand
overwonnen worden. Na het bevestigende antwoord werd door den broedeischer en
bruidegom op de gezondheid van de bruid gedronken en uit een zilveren schaal met
beugel, waarin zich brandewijn bevond. De bruiloften konden vroeger
verschillende dagen duren.
|
|
|
Dingspel:

|
|
|
|
Van 1024 tot 1522 bestuurden Utrechtse bisschoppen Emmen. Deze bisschoppen stelden een
drost aan die in Coevorden zetelde. Hij was uitvoerend bestuurder van Emmen en tevens
voorzitter van een zelfstandig rechtscollege welke Drenthe vanaf de 14e eeuw tot 1791 kende.
Dit rechtscollege wordt de Etstoel genoemd. De Etstoel bestond uit 24 etten die gekozen waren
uit afgevaardigden uit de zes dingspelen.
Een dingspel was een rechtsgebied. Drenthe was verdeeld
in zes dingspelen. De zes dingspelen en hun hoofdplaatsen waren: Noordenveld
(Vries), Oostermoer (Anloo), Zuidenveld (Sleen), Diever (Diever), Beilen (Beilen) en
Rolde (Rolde).
Om ette te kunnen worden moest men eigenerfde zijn. Elk dingspel leverde vier etten (24:6=4).
Emmen lag in het dingspel Zuidenveld, een naam die heden ten dage nog steeds bestaat.
Aan het hoofd van een dingspel stond de bannerschulte. (ook wel bander- of baanderschulte)
De Etstoel hield drie keer per jaar zitting, ook wel lotting
genoemd, en duurde soms enkele dagen. De Etstoel behandelde rechtszaken in
eerste aanleg, maar ook in hoger beroep en stelde algemene regels en
verordeningen voor openbare orde vast. Aanvankelijk werden deze zittingen door
de bisschop zelf gehouden, later door de drost of zijn vertegenwoordiger.
Heden ten dage herleeft deze historische
gebeurtenis jaarlijks op 19 augustus (de dag van Sint Magnus) nog steeds in
Anloo waarbij de gehele bevolking zich in Middeleeuwse kledij hult, en in de
oude historische kerk rechtspraken worden nagespeeld die daar ooit hebben plaatsgevonden.
|
|
|
Kerspel:

|
|
|
|
Een dingspel bestond weer uit kerspelen. Het dingspel Zuidenveld omvatte negen kerspelen: Emmen,
Odoorn, Roswinkel, Schoonebeek, Coevorden, Dalen, Oosterhesselen, Sleen en Zweeloo. (Noot:
Roswinkel was in 1795 nog geen zelfstandig kerspel.)
Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke benaming voor kerkgemeente
of parochie en werd omstreeks de 16de eeuw ook gebruikt voor wat later de ‘burgerlijke
gemeente’ zou gaan heten. Na 1600 ging deze laatste betekenis in verschillende delen van de
Republiek der Verenigde Nederlanden zelfs overheersen en werd de term dikwijls gebruikt naast de
streekeigen uitdrukkingen als schultambt, buurschap of marke. Soms bestond een marke uit
verschillende kerspelen, soms omvatte een kerspel verschillende buurschappen of marken. Het
begrip kerspel kan slaan op het territoir of op de inwoners of leden van de ‘gemeente’,
hetzij als collectiviteit, hetzij als rechtspersoon. De taakverdeling tussen het kerspel en de
grote of kleinere eenheden of collectiviteiten is dikwijls weinig scherp; herhaaldelijk werden
de functies van bijvoorbeeld kerspel en schultambt of kerspel en buurschap nauwelijks
uiteengehouden, zoals de Drentse zegswijze ‘Volle buur in de marke is volle buur in de karke’
illustreert. Bij de vorming van de Nederlandse gemeenten door Napoleon in 1811 werd in vele
provincies het kerspel als eenheid voor gemeente gebruikt, waarbij de (nieuwe) gemeente één of
meer kerspelen omvatte.
|
|
|
De schulte:

|
|
|
|
Een kerspel werd bestuurd door een schulte die tevens voor de openbare orde zorgde. Encarta
zegt over een schulte:
"Schout of schult (middeleeuws Latijn: scultetus), van De
Middeleeuwen tot ongeveer 1795 in de Nederlanden een ambtenaar in dienst van de vorsten,
grote heren en abdijen. Zijn taak was vooral van gerechtelijke aard. Na uitspraak van gerecht
zorgde hij voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook waren hem administratieve, politiële
en financiële taken opgedragen, zoals toezicht op het onderhoud van wegen, waterlopen en dijken,
handhaving van de orde, aanhouding van misdadigers, controle op drankhuizen, lichting van
weerbare mannen, publicatie van plakkaten en ordonnanties."
Kort gezegd: een schulte was een soort burgemeester, politieagent, rechter en notaris in
één. Emmen deelde van rond 1540 tot aan de instelling van de Bataafse republiek (ongeveer
1791) de schulte met de kerspelen Odoorn en Roswinkel.
Gedurende het bisschoppelijk bestuur werd een schulte aangesteld door de bisschop. Toen
Drenthe in 1522 onder Karel van Gelre kwam werden de schultes door hem benoemd. Na Karel
van Gelre was het Karel V die de macht had. Hij stelde Schenck van Tautenberg aan als
stadhouder over Groningen, Friesland en Drenthe. De aanstelling van schulte geschiedde
toen door de stadhouder. Om schulte te worden moest men een rasechte Drent zijn.
"Geen uitheemsche Man magh Schulte of Onderschulte in den Lande Drenthe
wezen, ten ware hij zonderlinge, tot hetzelve Ampt ware gequalificeert; maar wordt verstaan
dat steeds een Ingezeten, gelijk bequaam zijnde, voor een uitheemsche praeferentie zal
genieten".
De rechtszittingen (ook wel rochten of rochthegen genoemd) vonden meestal 's morgens
vroeg op de Brink plaats. "Nuchter en bij klimmende zon".
De schout opende de zitting met de woorden: "Ik spanne de bank en
heffe (hege) het regt". De schout werd bijgestaan door de bijzitters of keurnoten.
Ook aan de keurnoten werden eisen gesteld. Ze moesten eigenerfde zijn, en
"lofwaardige mannen zijn der zaken onpartijdig en onbesibt in dier wegen als van de Schulten
is gezegt, konnende lezen en schrijven".
|
|
|
De schultes van Emmen:

|
|
|
|
1482-???? Rolff Hunsinghe
1561-???? Johan van Selbach
Hij was familie van de rechtsgeleerde Hendrik van Selbach, die veel heeft gedaan om tot
verbetering te komen van het Drentse Landrecht. In Emmermeer is de Johan van Selbachstraat
naar hem genoemd.
1595-1599 Hans van Ommeren (Hans van Ommen)
1599-???? Everhard van Gemen
Het geslacht Mullinga - Emmen
Deze familie heeft bijna 150 jaar de functie van schulte vervuld, de eerste generaties
uitgezonderd.
De eerste generatie: Van de oudst bekende generatie Mullinga is alleen bekend
dat het een zekere Evert was, die een zoon had met de naam Warner Evers Mullinga.
De tweede generatie: Warner Evers Mullinga was een eigenerfde te Emmen. Hij was op 20 oktober
1596 mede ondertekenaar van een akte opgemaakt door de drost en 24 etten waardoor vaststaat
dat hij lid van de Etstoel namens het Dingspel Zuidenveld was. (Deze akte was een
overeenkomst tot onderlinge waarborging van elkaar tegen alle mogelijke nadelen die voort
zouden kunnen vloeien uit het feit dat zij hun ambtsbezigheden bleven uitoefenen, nadat zij
uit hun ambt waren gezet als gevolg van de hoog opgelopen onenigheid met de generaliteit
en de Stadhouder over de benoeming van de drost.)
Warner Evers werd ook vermeld bij de aanstelling van Reynold de Vos van Steenwijk tot
drost op 30 oktober 1598.
In 1612 had Warner Evers 37 mud land in Emmen bezaaid. Een volle boerderij was 30 mud,
gelijk aan 1 last koren.
In 1630 komt Warner Evers niet meer voor in het register van erven en huizen.
Warner Evers kreeg drie nakomelingen:
- Rudolpf Warners
- Everhard (Evert) Warners (1594-1654)
- Wolther Warners
bron: Boezem, Bonder (p.89), Joosting (1910, R 55), Magnin,
Meesters, NP 5, OSA 14
1625-1654 Everhard (Evert) Warners Mullinga
In 1625 werd Everhard (Evert) Warners Mullinga door de koning van Spanje (Philip IV)
als schulte van Emmen, Odoren en Roswinkel aangesteld. Volgens de overlevering gebeurde dit
op voordracht van zijn broer Rudolpf die een Spaanse heer van een ziekte had genezen.
Voor het jaar 1618 was Everhard (Evert) Warners Mullinga Landdagcomparant.
Everhard (Evert) Warners veranderde volgens het handschrift Sibinga de familienaam Mullinga in
de familienaam Emmen.
Everhard (Evert) Warners huwde op 3 oktober 1614 in Borger met Margaretha Lepels
(1592-1652)
Everhard (Evert) Warners en Margaretha Lepels kregen 13 kinderen:
- Warner Emmen (1615-1629)
- Margaretha Emmen (1617-1672)
- Elisabeth Emmen (1620-1692)
- Sara Emmen (1622-1656)
- Rebecka Emmen (1624-1629)
- Hemma Emmen (1625-1703)
- Maria Emmen (1627-1671)
- Warner Emmen (1629-1670)
- Coenraad Emmen (?-?)
- Susanna Emmen (1634-1635)
- Susanna Emmen (1636-1685)
- Jan Emmen (1637-1667)
- Abigaël Emmen (1638-1648)
bron: Belonjé (p.165), Buiskool (1980, p.110), Ebbens, Garming,
Kijmmell (1902), Meesters (1973, p.18 p.225-226; 1978, p.151-152), OSA 841, OSA 845
1654-1668 Warnerus (Warner) Emmen
Warnerus (Warner) werd op 17 september 1648 ingeschreven als student filosofie aan de
universiteit van Groningen. Hij bleek in zijn studententijd één van de ergste oproerkraaiers
te zijn tijdens conflicten in 1652 tussen de senaat van de academie in Groningen en de
studentenorganisatie.
Warnerus (Warner) nam op 23 mei 1654 de taak van schulte schulte van Emmen, Oderen en
Roswinkel op zich.
Warner huwde met Christina Sibilla Wijsmans (Weismans). Zij kregen één zoon:
- Everhardus Emmen (16xx-1685)
bron: Bos (p.99), Buiskool (1980, p.110), Dijck, HGG (p.58),
Jonkbloet (p.35 e.v.), Kijmmell (1902), Kijmmell 1897/1902), Mulder (1965)
1668-1685 Everhardus Emmen
Everhardus nam op 6 april 1668 de taak van schulte schulte van Emmen, Oderen en Roswinkel
op zich.
Hij trouwde op 23 november 1677 met Aleida van Beverforden. Zij kregen vijf kinderen:
- Christina Sibilla Emmen (1678-1678)
- Warnerus Emmen (1679-1683)
- Hugo Emmen (1681-1724)
- Walradina Emmen (1683-1746)
- Everhardina Emmen (1685-1773)
bron: Bos p.99), Buiskool (1980, p.10), Gerard (p.44-60 en 70-73),
Kijmmell (1902)
1685-1702 Herman Schierbeek en Stephen van Selbach.
Toen Everhardus in 1685 overleed waren de oudste twee kinderen reeds overleden en was
zijn oudste zoon Hugo (*1681) nog maar vier jaar. De taak van schulte werd waargenomen
door o.a. Herman Schierbeek en Stephen van Selbach.
De weduwe Aleida van Beverforden deed het verzoek aan het bestuur van Drenthe of de
schulten van Sleen en Anloo deze taak tijdelijk waar zouden willen nemen. O.a. Herman
Schierbeek (schulte van Sleen) en Stephen van Selbach (schulte van Anloo, Gieten en
Zuidlaren, tevens bannerschulte van de dingspelen Oostermoer en Rolde) hebben deze taak
waargenomen.
Hugo Emmen studeerde eerst aan de universiteit van Lingen, later aan de universiteit
van Utrecht. Hij promoveerde in 1705 op het proefschrift "De emtione et verditione".
Hugo woonde aan de huidige Hoofdstraat, bekend als het
Willingehuis.
Hugo was net 21 jaar oud toen hij de taak van schulte van Emmen, Oderen en Roswinkel op
zich nam.
Hugo trouwde op 23 oktober 1712 met Adriana Theodora de Quaadt. Zij kregen drie kinderen:
- Christiaan Wolter Emmen (1713-1772)
- Adriana Emmen (xxxx-1715)
- Adriana Anna Emmen (xxxx-1718)
bron: APRT (p.88), ASRT (nr.106), Bonder (p.89), Bos (p.98/99),
Buiskool (1980, p.10), Dijck, Hugo Emmen, Gerard (p.71), Heringa (p.437), Joosting (1910,
nrs. I 164 en R 11), Joosting (1921, nr.571), Kijmmell (1902), Tenfelde (96)
1722-1729 Maurits Casper Hommens
Toen Hugo in 1724 overleed was zijn oudste zoon Christiaan (*1713) nog maar elf jaar. De andere
twee kinderen van Hugo Emmen waren ook reeds overleden. De taak van schulte werd tijdelijk waargenomen
door Maurits Casper Hommens uit Gieten.
1729-1772 Christiaan Wolter Emmen
Christiaan Wolter was nog maar 16 jaar toen hij op 17 maart 1729 de taak van schulte van
Emmen, Oderen en Roswinkel op zich nam.
Nog tijdens het ambt liet hij zich op 18 april 1730 inschrijven aan de Universiteit
van Lingen.
Christiaan Wolter huwde op 31 oktober 1734 met Francina Hinsbeeck die echter al na één
jaar huwelijk overleed. Zij kregen één dochter:
- Francine Emmen (1735-1769)
bron: Alphen, Romein (p.162)
Christiaan Wolter hertrouwde op 25 oktober 1740 met de Hoogeveense Alegonda Johanna
Carsten. Zij kregen één zoon: Hugo Emmen, die jong overleed waardoor er in de familie
geen opvolger meer was. Bijna 150 jaar (van 1625 tot 1772) was de taak van schulte in de
familie Emmen geweest.
bron: Bos (p.98/99), Buiskool (1980, p.10), Dohmann, Doorminck,
Joosting (1910, nrs. I 178 207 en R 9), Joosting (1921, nr.560 en 566), Kijmmell
(1902), NP 54, Romein, Scheer (p.13) Tenfelde (nr.457)
De 41 jarige dr.Lucas Willinge (1731-1802) uit Peize werd door Prins Willem de V van
Oranje en Nassau (vanaf 1722 stadhouder van Drenthe en Gelderland) als schulte van Emmen,
Oderen en Roswinkel benoemd.
Lucas Willinge kocht in 1776 het huis aan de Hoofdstraat welke bekend zou worden als
het Willingehuis. B.J.Mensingh concludeert in zijn boek "Toen stilte nog te horen was" dat
deze koop vermoedelijk verband hield met de familierelatie tussen de familie Emmen en
Willinge. Het moge duidelijk zijn dat de families Emmen en Willinge in grote welstand
leefden.
Op 14 april 1795 werd hij net als de schulten van Drenthe door de Representanten van het
volk van Drenthe ontslagen, maar door de inwoners van Emmen, Roswinkel en Odoorn toch weer
gekozen, hetgeen door de Representanten op 29 mei 1795 werd goedgekeurd.
Lucas Willinge huwde in 1775 met Anna Siberdina Maria Winshemius. Zij kregen één zoon:
- Jan Jacob Willinge (1782-1849)
Jan Jacob was 20 jaar toen zijn vader in 1802 plotseling kwam te overlijden. Omdat
Jan Jacob vermoedelijk met rechtenstudie bezig was werd de taak van schulte tijdelijk
waargenomen door Cornelis Pothoff.
1802-1811 Mr.Cornelis Pothoff
Cornelis Pothoff (1766-1844) had rechten en letteren gestudeerd aan de universiteit van
Groningen. Na deze studie besloot hij in het onderwijs te gaan. In 1789 werd hij conrector
aan Latijnse scholen. Eerst in Oldenzaal, daarna Meppel. Vanaf 1803 was hij schoolopziener.
Pothoff was één van de 42 ondertekenaars van het verzoek aan de regering van de Bataafse
republiek, van Drenthe een nieuw zelfstandig gewest te maken. Hij trad nogal eigenmachtig
op en was erg veeleisend. Aan hem herinnert het oer Drentse gezegde: "Goeie morgen
Pothoff" met de betekenis: zo gemakkelijk zal dat niet gaan.
(Noot: in "De schulten in Drenthe van 1795-1811" door J.Folkerts
staat beschreven dat Hendrik Jan Camerlingh (schulte van Sleen) in 1802 door het
Departementaal Bestuur van Overijssel was geautoriseerd om het schuldambt
tijdelijk waar te nemen.)
1811-1813 Jan Jacob Willinge (maire)
1813-1825 Jan Jacob Willinge (schulte)
1825-1849 Jan Jacob Willinge (burgemeester)
Jan Jacob Willinge bekleedde één functie met drie benamingen. Van 1810-1813
werd Nederland door Napoleon Bonaparte bezet. Tijdens deze Franse bezetting ontstonden
naar Frans voorbeeld de burgerlijke gemeenten. Het Franse woord "maire" werd ingevoerd.
Na de Franse tijd werd het begrip schulte weer ingevoerd. In 1825 werd de functie
burgemeester ingevoerd.
Jan Jacob Willinge werd bijgestaan door griffier Henk Rosing en een ambtenaar van Openbaar Ministerie,
Johannes Boelken. Voor de "openbare orde" zorgde toen der tijd één veldwachter. In de wijk
Emmermeer is een straat naar Jan Jacob Willinge genoemd.
Jan Jacob Willinge overleed op 2 november 1849.
|
|
|
Burgemeesters van Emmen:

|
|
|
|
De hieronder gepubliceerde gegevens zijn zeer beperkt.
Aanvullingen van bezoekers die op de hoogte zijn met de bestuurlijke aangelegenheden van
Emmen worden vriendelijk verzocht te reageren
|
|
|
1849-1869 Mr.L.O.Tonckens
Eén van de veranderingen door de invoering van de functie burgemeester was dat de
functie niet automatisch meer van vader op zoon overging, maar dat deze werd benoemd.
Kandidaat notaris Mr.Lucas Oldenhuis Tonckens was de eerst benoemde
burgemeester van Emmen en vervulde deze functie van 14 november 1849 tot 18
oktober 1869. In 1869 aanvaardde hij de functie van notaris te Stadskanaal,
een functie waarvoor hij uiteindelijk ook had gestudeerd.
Lucas Oldenhuis Tonckens was tevens secretaris en ambtenaar van de burgerlijke stand. In
eerstgenoemde functie ontving hij fl 341,30 per jaar. Als ambtenaar kwam daar nog fl 61,30
bij. In 1855 werd hij tevens burgemeester van Sleen waardoor er fl 300,- bij kwam. Twee
jaar voor hij vertrok werd het salaris nog verhoogd naar fl 625,-.
Mr.Oldenhuis Tonckens werd bijgestaan door de brievengaarder Frans Philip Schnitger. Hij
vervulde na het vertrek van Oldenhuis Tockens tot aan de komst van Willem Tijmes het
secretariaatschap.
In de wijk Emmermeer is een straat naar Lucas Oldenhuis Tonckens genoemd.
|
|
|
Willem Tijmes was net als zijn voorganger burgemeester, secretaris en ambtenaar van de
burgerlijke stand van 22 november 1869 tot 11 januari 1902. Na 1902 werden de functies van
burgemeester en secretaris niet meer gecombineerd.
In 1891 bedroeg de jaarwedde van de burgemeester fl 950,-. Er waren toen twee wethouders:
Roelof Hadders en Jan Strating. Zij verdienden "slechts" fl 90,- per jaar. De raad
bestond uit veertien leden: Jan Meyering, Sjuck Johannes Oosting, Jacob Huizing Hzn, Johannes
Lamberts, Geert Garming, Johannes Joling, Klaas Ensink, Harm Boelken, Berend Horring Ezn,
Hendrik Huizing Azn, Johan Hora van Holthe tot Echten, Albert Zwiers en de twee genoemde
wethouders.
Gemeentelijke mededelingen werden gedaan door voorlezen ervan in het openbaar. Meestal op
zondag bij de kerk. Deze "aflezer" was in 1891 Harm Harms. Hij verdiende daarmee
één rijksdaalder per jaar.................. (bron: Emmer Courant 3 januari
1891 p.7)
Willem Tijmes (1836-1902) geboren te Beilen, huwde in 1860 met Geesje Santing (1840-1903)
eveneens geboren te Beilen. Hij gaf daarbij op landmeter van beroep te zijn.
Hij overleed op 11 januari 1902 en ligt begraven op de begraafplaats
Wilhelminastraat blok 1, rij A, graf 27. Zijn vrouw ligt begraven in blok 1, rij A, graf 26.
De burgemeester Tijmesstraat is naar Willem Tijmes genoemd.
|
|
Gemeentesecretaris H.Tijmes
|
Als opvolger van de overleden Willem Tijmes werd op 27 maart 1902 Adriaan Frederik
Meijer benoemd. Hij vervulde deze functie tot 9 augustus 1905. Hij werd de
nieuwe burgemeester van Meppel. Meijer was oud-militair, een rechtlijnig man, die de hele
gemeentelijke administratie onder zijn beheer had genomen. Dat was nodig omdat de grote
aanwas van de bevolking vroeg om een betere administratieve opzet.
(bron: Emmer Courant 1905)
Van 3 juli 1902 tot 1 september 1934 was Willem Tijmes zijn zoon Hilbertus Tijmes
gemeentesecretaris van Emmen.
|
|
|
Op 20 oktober 1905 verruilde de burgemeester van Havelte, Christoffel van der Wal, zijn
functie voor burgemeester van Emmen. Onder zijn ambt speelde de Eerste Wereldoorlog zich af.
Hij was burgemeester tot 13 september 1917. Hij vertrok naar Den Haag.
|
|
|
Op 13 november 1917, twee maanden na het vertrek van Van der Wal, werd Gauke Kootstra de
volgende burgemeester van Emmen. Hij kwam van Weststellingwerf in Friesland. Kootstra vervulde de functie bijna
tien jaar. Op 16 juni 1927 vertrok hij naar Gorkum.
|
|
|
Jan Liebbe Bouma was burgemeester van Emmen in de crisisjaren voorafgaande aan de Tweede
Wereldoorlog en gedurende de eerste jaren in deze oorlog. Voordat hij in Emmen aan de slag ging was Bouma burgemeester
van Hoogeveen. Hij was lid van de A.R.P. (Anti Revolutionaire Partij) maar trad tijdens WOII toe
tot de NSB. Op 1 mei 1943 werd hij benoemd tot
Commissaris van Drenthe.
Tot 1 september 1934 was Hilbertus Tijmes gemeentesecretaris. Hij werd op 10 september
1934 opgevolgd door Harmannus Reinder van Bruggen. Deze was tot dan secretaris van Appingedam.
|
|
|
Best is slechts 1,5 jaar burgemeester van Emmen geweest, van 23 augustus 1943 tot 11 april
1945. Hij was voordien bewaarder van hypotheken en kadaster in Almelo. Hij was Nationaal
Socialist en eveneens lid van de NSB. Hij zette zich met veel energie in voor de
"Organisation Todt" (OT) die verdedigingslinies zoals tankgrachten en versperringen aanlegde.
Hij dook in eerste instantie onder toen Emmen op 10 april door de Polen werd bevrijd. Enige
dagen nadat de geallieerden waren binnengetrokken meldde hij zich vrijwillig bij de
autoriteiten. Door het militair gezag werd als waarnemend burgemeester de heer R.Zegering
Hadders aangesteld.
|
|

|
1945-1946 R.Zegering Hadders
Roelof Zegering Hadders was waarnemend burgemeester van 1945 tot 1946. Zijn
staat van dienst is echter lang. Hij was van 1939 tot 1978 wethouder van Emmen
voor de portefeuilles onderwijs en armenzorg.
Hij is voor Emmen van enorm belang geweest, omdat hij tevens in de Eerste en Tweede Kamer
zat. Hierdoor was hij voor Emmen de ideale man om in Den Haag te lobbyen. Onder zijn
wethouderschap is veel voor het onderwijs in Emmen tot stand gekomen.
Hij stond een persoonlijke benadering voor en kende dan ook alle onderwijzers persoonlijk.
Aan hem herinnert de grote villa "De Lindenhof" in het centrum van Emmen, die
naderhand door het Dierenpark Emmen in gebruik is genomen. De bloemenklok op het Marktplein is een
aandenken aan een groot bestuurder.
Met de nieuwbouw van winkelcentrum De Weiert in de jaren 2000-2001, is
regelmatig de vraag gesteld waarom er geen straat of plein naar hem is
genoemd. Bij het overhandigen van zijn boek "Toen alles nog anders
was" aan burgemeester Bijl opperde B.J.Mensingh in zijn rede het nieuw te
bouwen theater naar deze man te gaan noemen. Tegelijkertijd zou één van de
theaterzalen dan naar burgemeester Gaarlandt genoemd kunnen worden, om de
onlosmakelijke twee eenheid tussen deze twee personen aan te geven.
Meer informatie over Roelof Zegering Hadders in het boek: "Toen alles nog anders was"
geschreven door B.J.Mensingh. Uitgeverij Drenthe te Beilen. ISBN 90-75115-33-4.
|
|

|
1946-1963 Mr.K.H.Gaarlandt
Geboren 1909 te Hilversum. Burgemeester van Emmen van 16 juni 1946 tot
1963. Overleden 1985. Was voor Emmen burgemeester van Gasselte. Hij is
één van de voortrekkers geweest tot de vorming van het nieuwe Emmen.
Onder zijn leiding ontwikkelde Emmen zich van dorp tot stad. Werd na
zijn burgemeesterschap commissaris van de koningin in Drenthe.
Karel Hendrik Gaarlandt was de man die na de Tweede Wereldoorlog weer een goed ambtelijk
apparaat wist op te bouwen. Hij trok daarvoor de juiste mensen aan, kende de persoontjes waarmee
hij zeer openlijk besprak wat er diende te gebeuren. Kenmerkend was dat er geen lijn in zat,
maar dat hij van dag tot dag de zaken bekeek. Vanaf 1952 kwam er meer en meer lijn in de opbouw
van het bestuurlijke apparaat.
De sociale dienst werd opgezet, bij de secretarie kwam de dienst
stadsontwikkeling en bij gemeentewerken de dienst stedenbouw.
Secretaris H.R.van Bruggen nam afscheid wegens zijn benoeming tot
burgemeester van Dalfsen. Chef van de afdeling financiën en onderwijs was de
heer P.G.Bakker die tijdelijk ook waarnemend secretaris was tot Albertus
Nicolaas Nap uit Wieringermeer op 12 maart tot secretaris werd benoemd.
De burgemeester was in die tijd het enige collegelid die een volledige
dagtaak had. Voor de wethouders was het een "bijbaantje". Toch
waren er behalve Zegering Hadders een aantal wethouders die een
behoorlijke stempel op Emmen hebben gedrukt zoals H.L.Reuvers (K.V.P.)
wethouder van volkshuisvesting, A.Klein (C.H.U.) en K.H.Brink (P.V.D.A.).
|
|

|
Werd geboren in 1916 te Rotterdam. Hij was tot zijn benoeming in Emmen
burgemeester van Lochem. Hij heeft zich vooral toegelegd op het versterken
van de economie in Emmen hetgeen zijn voorganger in gang had gezet. Hij had de
eerste zes jaar het tij mee, maar kreeg in de jaren zeventig te maken met
de zwakke economie in geheel Nederland.
|
|

|
Vooral bekend van de vervuilingaffaire in Lekkerkerk waar hij toen
burgemeester was. Was ook nog ombudsman bij de VARA. Was een sterke
voorstander van Emmen als stad. Heeft erg veel bijgedragen tot promotie
van Emmen naar buiten. Legde sterk de nadruk op het benadrukken van de
eigen sterke punten, en dat het af moest van het negatieve imago. Werd na
Emmen burgemeester van Zaanstad.
|
|
|
Onder zijn leiding ging het in de ambtelijke top geheel mis. Topambtenaren maakten misbruik van hun posities
en moesten
uiteindelijk het politieke veld ruimen. Door het wantrouwen wat er
ontstond kon ook de burgemeester niet langer blijven functioneren.
|
|
|
1996-2000 P.van der Velden
Sociaal Democraat, doortastend, ambitieus en toegankelijk mens die
aanvankelijk als waarnemer werd aangetrokken na de bestuurscrisis die in
de jaren ervoor was ontstaan. Werd daarna burgemeester met als
belangrijkste taak het stabiliseren van het bestuur waarin hij redelijk
goed is geslaagd. Heeft er tevens voor gezorgd dat Emmen toetrad tot de
grote steden waardoor er extra gelden uit Den Haag naar Emmen vloeiden.
Van der Velden werd per 16 november 2000 aangesteld als burgemeester van
Bergen op Zoom.
|
|
|
De op 27 juni 1955 in Enkhuizen geboren Bijl was voordien burgemeester van
Meppel, en is lid van de PvdA. Buiten het burgemeesterschap vervult hij nog een
aantal bestuursfuncties bij de stichting Nazorg Ousterhaule, de stichting
Hendrik van Boeijenoord, de stichting Dreei, de stichting Smash en de stichting
BAD Hesselingen.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- G.van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd).
- B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 verschenen zijn gegevens ook in het
Drents Genealogisch Jaarboek.
- "Geïllustreerde plaatsbeschrijving Gemeente Emmen".
- "De schulten in Drenthe van 1795-1811" door J.Folkerts.
- "Toen stilte nog te horen was" door B.J.Mensingh. Uitgeverij Drenthe te Beilen. ISBN 90-75115-22-9.
- Een publicatie van de gemeente Emmen van februari 1969.
- "Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe" onder redactie van Drs.M.A.W.Gerding, Mr.P.Brood,
Prof.Dr.P.Kooij, Dr.G.Groenhuis, G.de Leeuw, Drs.A.N.Witter in opdracht van het gemeentebestuur van Emmen.
- "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel III" door H.T.Buiskool.
- De Provinciale Drentsche en Asser Courant van dinsdag 27 februari 1883.
- "Emmen en Zuidoost Drenthe" uit 1940. Een geografische monografie door J.Visscher. Uitgeverij Kemink en Zoon NV te Utrecht.
- Foto's:
|

|