|
De eerste bewoners:

|
|
|
|
|
|
|
Hoe oud is Emmen?:

|
|
|
|
Vaak vragen mensen zich af hoe oud Emmen eigenlijk is. Maar wat bedoeld men met deze vraag? De ouderdom van de naam Emmen?
De plaats Emmen? De omgeving? De eerste bewoners? Op al deze vragen zijn verschillende antwoorden te geven.
De oudste bekende oorkonde stamt uit 1139, waardoor Emmen in 1989 precies 850 jaar bestond. In deze oorkonde wordt
echter niet geschreven over Emmen maar Emne.
Dit artikel behandelt de oudste bewoning van de omgeving die tegenwoordig onder de gemeente Emmen valt.
|
|
|
40.000 jaar geleden:

|
|
|
vuurstenen


|
De amateur archeologen Rieks en Henk Trip, vader en zoon uit Emmen, hebben bij Emmen vuurstenen
werktuigen gevonden van zo'n 40.000 jaar oud die ooit door de Neanderthalers gemaakt en gebruikt zijn.
Archeologen weten dat die stenen door de Neanderthalers gemaakt zijn door de vorm en de bewerking ervan.
Wanneer iemand zulke werktuigen enkele keren heeft gezien is het gemakkelijk om ze te onderscheiden van
de vuurstenen werktuigen uit latere periodes. Dit betekent dus dat waar nu Emmen ligt zo'n 40.000 jaar
geleden al mensen rondliepen.
Deze periode valt in het tijdperk Midden Paleolithicum, de periode in de Oude Steentijd tussen 300.000
jaar voor Christus en 8800 jaar voor Christus. De mensen die hier toen leefden worden Neanderthalers genoemd.
Lange tijd is gedacht dat de huidige mens afstamt van de Neanderthaler. In 1997 werden de resultaten van
een onderzoek van internationale wetenschappers gepubliceerd waarbij was vastgesteld dat de Neanderthaler
genetisch te zeer van de mens afweek om onze voorvader te kunnen zijn. Het onderzoek richtte zich op DNA
dat was gevonden in 30.000 jaar oude Neanderthaler beenderen.
Het eerste voorbeeld van een Neanderthaler werd in 1856 geïdentificeerd door F.G.Fuhlrott
in het Duitse "Neanderdal", bij Düsseldorf. Onderzoek heeft uitgewezen dat vanaf
ongeveer 300.000 jaar geleden een mensensoort met Neanderthaler kenmerken zich begon te
ontwikkelen. Vanaf ongeveer 120.000 jaar voor Christus verscheen de "klassieke"
Neanderthaler. Typisch waren de lange schedel, de massieve wenkbrauwbogen, de grote, bijna
kinloze onderkaak. Een volwassen man was vrij klein (1,60 m lang), gedrongen en veel gespierder.
De Neanderthaler is dus geen voorloper van de moderne mens, de homo sapiens. Beide soorten hebben
gemeenschappelijke voorouders, de Neanderthaler was een afzonderlijke zijtak in de evolutie van de mens. Hij
leefde voornamelijk in Europa. Vanaf 100.000 jaar geleden zwermde hij uit naar het oosten, zoals
vondsten in Israël, Irak en Oezbekistan bewijzen. Verder kwam hij niet, wellicht vormde de Middellandse
Zee een niet te overbruggen barrière. In het Nabije Oosten leefde hij naast de moderne mens. De gedachte
dat de mens oorspronkelijk uit Afrika zou komen en zich van daaruit zo'n 100.000 jaar geleden over de
aarde zou hebben verspreid wordt daardoor losgelaten.
De Neanderthaler hier leefde in een koude omgeving. In Noord Europa heerste 40.000 jaar geleden nog
een ijstijd. Deze laatste ijstijd, er zijn meer ijstijden geweest, duurde van 120.000 jaar geleden tot
11.500 jaar geleden. Noord Europa was toen bedekt met een pak ijs dat net niet tot ons land reikte. Het
was in onze streken wel koud zodat de Neanderthalers hier niet onafgebroken konden leven. Ze kozen ons
gebied niet uit als vaste woonplaats, want ze leefden van de jacht en trokken telkens daar naar toe waar
ze de meeste dieren konden vangen. Dieren waar ze op jaagden waren o.a. wolharige mammoeten, wisenten en
wolharige neushoorns. In deze laatste ijstijd kwamen tussen 80.000 jaar en 23.000 jaar geleden periodes
voor waarin het hier iets minder koud was en juist in die periodes hebben de Neanderthalers geleefd waar
nu Emmen ligt.
|
|
|
3.000 jaar geleden, Hunebedbouwers:

|
|
|
|
Door de aanwezigheid van hunebedden, de oudste monumenten van ons land, in en
rond Emmen, weet men dat hier in die tijd al mensen hebben geleefd.
Wanneer men de gigantische grote stenen ziet, vraagt men zich af welke
geweldenaren het voor elkaar gekregen hebben om zonder takels en kranen een
hunebed te bouwen. Deze vraag hield de Romeinen ook al bezig. Romeinse
verkenners zijn ongeveer 2000 jaar geleden in onze omgeving op
ontdekkingstocht geweest en zij dachten dat de zware stenen van de hunebedden
alleen maar vervoerd konden zijn door de sterke Hercules, een door de oude
Grieken en Romeinen zeer vereerde krachtpatser.
Het woord "hunebed", of "huneberg" werd in ons land
voor het eerst genoemd in de 17e eeuw door de Drentse predikant Picardt. Hij
bedoelde daar echter niet de tegenwoordige hunebedden mee, maar grafheuvels. De
hunebedden noemde hij "steenhopen". De eerste die in ons land een
megalithisch graf als hunebed aanduidde was Titia Brongersma in 1685.
Hunebedden zijn tussen 3400 voor Christus en 2900 voor Christus gebouwd in
het tijdperk Neolithicum, ook wel de Nieuwe Steentijd genoemd. Het was de
periode waarin stenen werktuigen, als bijlen en maalstenen, werden gebruikt door
de mensen van de zogeheten "Trechterbekercultuur" en waarin het
aardewerk haar intrede deed. Deze mensen waren de eerste boeren in ons land die
op één plek bleven wonen. Tot deze tijd trok de bevolking van plek naar plek
achter het wild aan. In deze tijd ging men zelf beesten fokken en leefde de
bevolking i.p.v. de jacht meer van de landbouw, vooral graan. Het veen was
onbewoonbaar maar de Hondsrug was hoger (en droger) gelegen en dat was een
bepalende reden waarom de prehistorische mens daar ging wonen. Wat men nu nog
van een hunebed ziet, is slechts het skelet. Oorspronkelijk lag er een grote
heuvel over. De openingen tussen de grote stenen werden dichtgestopt met
kleinere keien, de stopstenen. De heuvel is door o.a. weersinvloeden
verdwenen en de stopstenen zijn er tussenuit gevallen. Vaak werd een hunebed
zelf ook nog eens gebouwd op een heuvel. Dit is nog goed te zien bij het hunebed
D45 in de Emmerdennen.
De grote zwerfstenen die werden gebruikt voor de bouw van een hunebed zijn
tijdens de voorlaatste ijstijd, 180.000-130.000 jaar geleden, met het landijs
naar deze streken geschoven. De stenen werden uitgegraven en werden verplaatst
naar de plaats waar de grafkelders moesten komen.
De vloer van een hunebed bestond voornamelijk uit granietgruis en kleine
keien. De vloer stond vol met potten die de dode mee kreeg. Vermoedelijk
bevatten deze potten voedsel voor de lange reis. Men heeft er geen
crematieresten in gevonden en het dus geen urnen zijn. Raakte de vloer vol dan
legde men er gewoon een nieuwe vloer over aan en men kon weer een nieuwe laag
met potten plaatsen. Er zijn hunebedden waar meer dan honderd potten in gevonden
zijn. Wel vond er secundaire verbranding plaats. Was een hunebed vol, dan werden
de restanten wel in een hoek van de grafkamer verbrand. Dit vond ook plaats
BUITEN het hunebed zoals is aangetroffen bij het langgraf.
Als wordt aangenomen dat bij elk hunebed een nederzetting hoorde, dan is
daarmee bekend waar deze nederzettingen ooit lagen. Dat er soms vele potten zijn
gevonden betekent niet automatisch dat het om grote nederzettingen zou gaan. De
hunebedden zijn immers eeuwenlang in gebruik geweest. Het is bekend dat elke
overledene gemiddeld vijf potten of kommen meekreeg, maar tevens dat niet iedere
overledene werd bijgezet. Hierdoor is het aantal bewoners van een nederzetting
slechts bij benadering bekend.
Er wordt gedacht dat hunebedden, naast de functie van grafkelder, ook sociale
of rituele functies hadden of zelfs wel dienden om een territorium aan te geven.
|
|
|
Herkomst:

|
|
|
|
Waar kwamen de hunebedbouwers eigenlijk vandaan? Daarover zijn meerdere theorieën:
- Archeologen hebben lange tijd gedacht dat ze uit Noord Duitsland, Polen,
Denemarken en zuid Zweden kwamen. Men veronderstelde dat ze daar
weggetrokken waren vanwege een te hoge bevolkingsdruk.
- Er is ook een theorie die aangeeft dat lokale bewoners van ons land de
gewoontes van de mensen uit die landen hebben overgenomen. Het vreemde is
namelijk dat er in Drenthe nooit sporen gevonden zijn van de huizen van
hunebedbouwers. In Duitsland en Denemarken zijn wel huisplattegronden
aangetroffen uit die tijdsperiode. De huizen die daar opgegraven zijn,
stonden allen binnen een omheining. Ze waren zo'n 10 tot 12 meter lang en 4
tot 5 meter breed. De wanden waren van takken gevlochten en dichtgesmeerd
met leem. Er zijn in Denemarken omheiningen gevonden waarbinnen vier huizen
hebben gestaan. Op grond daarvan denken archeologen dat in een dergelijke
nederzetting ongeveer 20 tot 30 mensen hebben gewoond.
- Tot slot zouden de hunebedbouwers waarschijnlijk uit het Nabije Oosten via
de Hongaarse laagvlakte en de Duitse vlakten naar - wat nu Nederland heet -
zijn gekomen. De begrafenis 'gewoonte' zou waarschijnlijk uit het zuiden
komen zoals het Middellandse zeegebied, Spanje of Frankrijk waar men
soortgelijke graven kent. Evenals trouwens in Ierland (Menhir, Dolmen, Allignements).
|
|
|
Verdwenen:

|
|
|
|
Drenthe telde ooit ongeveer honderd hunebedden. Daar zijn er nu nog 52 van over, waarvan 10 in Emmen,
de andere zijn verdwenen.
In de vorige eeuwen zijn er veel hunebedden gesloopt. De stenen werden namelijk nog al eens als
bouwmateriaal gebruikt.
In 1734 werd er voor het eerst een verordening opgesteld om de hunebedden te beschermen:
"Alzo wij in gewisse ervaringe zijn gekomen, dat
op veele plaatsen in deze landschap, in het verkopen en wegvoeren van
veldstenen, merkelyke excessen worden begaan, niet alleen door de markgenoten
selfs, maar ook door de meyeren en andere gedisqualificeerde ingesetenen, met te
verkopen en doen removeren van markstenen, voordestenen en andere scheidstenen,
ja selfs ook van de soogenaamde Hunebedden, die, allenthalven, als waardige
monumenten en van ouds beroemde gedenktekenen, behoorden geconserveert te
worden: so is 't dat wy, mits dezen, wel ernstelyk intercideren en verbieden aan
alle en een iegelyk, om eenige scheidstenen, mitsgaders de stenen van de
sogenaamde Hunebedden, te mogen verkopen, removeren of vervoeren, bij de poene
van hondert goltguldens t' eIken reyse te verbeuren boven de waardye van de
verkofte of weggevoerde stenen."
Veel keiendelvers stoorden zich er echter niet aan en gingen gewoon door met
hun sloop werkzaamheden. Dit blijkt o.a. uit een reisverslag van Harm Boom uit
1868 welke door Ger de Leeuw is weergegeven in "Rondom de Heerenhof":
"Regts van mij liep de kunstweg over Emmen naar
Dalen, Hoogeveen en Coevorden, oostwaarts lagen de uitgestrekte veenen en links,
onmiddellijk aan de brug palende, het gehucht Noord-Barge, onder de schaduw van
eikengeboomte. Aan den oever van het kanaal, dat zich tot aan Zuid-Barge
uitstrekt en sterft aan den ingang van het onmetelijk turf paradijs, lagen miljoenen
ponden keisteen opeengestapeld, wachtende op gelegenheid om naar onze
zeeweringen vervoerd of onder de slagen van den hamer verbrijzeld te worden, ten
einde dan onze wegen te bevloeren."
In de 18e en 19e eeuw zijn er veel keien verkocht naar het westen van het land. Toen "vrat"
daar de paalworm namelijk het hout op dat in die tijd nog veel gebruikt werd om dijken en beschoeiingen
van te maken. Ook oudheidkundige Andries Schoemaker (1660-1735) schreef hierover tijdens zijn
reis door Zuidwest Drenthe in 1732. 1)
't Heeft de Heere des Hemels en der aarde behaagt om de geunieerde Nederlanden (wegens haar
hooggaande sonden en ongeregtigheden) met een seer bedroefde quale te besoecken: namelijk een soort van
gewormte die niet allenig de schepen door knagen: maar wel insonderhijt het paalwerk dat aan de deycken
staat: dat door dat gedierte door knaagt word tot aan de grond toe waar door dan de paalen afgeknaagt
zijnde daar heen vallen en den dijk gevaar loopt om bij stormwinden en hooge vloeden in te breken: waar
door het land dat doorgaans in Holland: Zeland: en Vriesland: door de deyken bewaart word: ten eene maal
soude kunnen onder water loopen gelijk wíj daar van de droevige gevolgen voor onse tijt: soo selfs meer
als eens gesien hebben en noch sien dat de beylemer meer tussen Amsteldam en Weesp nog onder water lijt.
Om was het mogelijk nu dese toetale Ruine deser landen voor te komen soo hebben haar hoogmogende
de Heere staten van Holland: nevens de andere staten haare bontgenoten een bede dagh doen uytschrijven:
om was 't mogelijk Godt almagtig te bidden dat het sijn vaderlijke en seer goedertierende hand mogte
geliven de plagen: en straffe: schoon die wel verdient waren van den landen te wenden: en de selve landen
in sijn Genadige bescherming aan te nemen en te behoeden. Ten andere hebben se ook na menschelijke middelen
omgesien en een premie belooft aan den Gene die iets wist uyt te vinden dat tot wering mocht dienen om dit
gewormpte te stuyten soo sijn er al verschijde opgekomen die meenden een middel gevonden te hebben om het
quaat te weeren doende de niwe paalen die er soo ver in geslagen wierden met een sekere harde stof bestrijken
soo verre als die in 't water stonden waar men heeft bevonden dat het gewormpte die van verschijde soorten
sijn dat echter in een seer korten tijt hebben doorknaagt en ten eene maal te niet gegaan soo heeft onder
andere Pieter Straat burgemeester te Boven-Karpsel en hoofdingeland nevens zijn Confrater een boekje uyt
gegeven in de welke een middel werd aan de hand gegeven om niet alleen het quaat van 't gewormte te boven
te komen maar ook de dijken bestandiger te maken het boekje is in 't jaar 1735 voor de twede maal gedrukt
bij Johannes Oosterwijk op den dam: hier in werd sonne klaar aan, getoont en een middel aan de hand gegeven
om (onder Godes segen) dit quaat te stuyten 't welk is om voor de dijken al gloyende steenen te werpen van
een groote zwaarte, dit is werkstellig gemaakt: en den bovengenoemde Pieter Straat heeft mijn mondeling
gesegt: en getoont dat dit een seer goede uytwerking is geweest aan de Geldersche dijk tusschen Enkhuysen
en Medenblik daar de dijk maar swack en qualijk gestelt was. Daar op heeft men bezig geweest om uyt alle
Gewesten steen bij den andere te krijgen om die te gebruyken: dat wel goeth was maar, seer langsaam voort
gong: soo heeft het God behaagt dat men in ons eygeland daar men geen gedachte op had: een groote meenigte
van steen in de aarde ondeckte in het land van Drent en voor eerst in sonderheyt omtrent Havelte: om nu daar
van de waarhijt te weten: soo hebbe ik versocht aan J.Dannenberg wonende tot Meppelen twee uurtjes van
Havelte: die mijn dat antwoord: onse heeren hebben verboden om niet te verkopen de soogenaamde hunebedden en
de groote antiquitijt steenen, maar de andere steenen wel die in meenigte uytgevoert worden en van een verbaasde
groote sijn en nu ondeckt worden en in de grond leggen, ik ging voor leden vrijdagh na Dieveren en sag toen in
een moerassig veentyen een steen die opgegraven wierd: en was soo ver als men hem sien konde: al 17 voeten
over sijn kruys die sol bemoelijk wesen daar van daan te krijgen: de wijl de wegh bijna ontoegankelijk was:
ik ben daar met veel moeyte en gevaar bij geweest. Hier sijn al (steenen) laten springen daar 136 wagenvragten
sijn afgevoert en sit noch veel aan de grond etc,
"Was gedateert 16 April 1735, getekent J.Dannebergh."
Stenen waren een goed alternatief en die lagen er in Drenthe genoeg. Toen men weinig tijd had om ze te zoeken
gingen ze maar naar een hunebed. Veel mensen gingen naarstig op zoek naar stenen omdat de verkoop er van een
aardige bijverdienste opleverde. De stopstenen tussen de staanders - maar ook andere hunebedstenen - werden
fijn geklopt door ijverige Drentse winterarbeiders. In "Rondom de Heerenhof" merkt Ger de Leeuw over
deze klopperij op, dat er 's winters toch weinig te doen was rondom de boerderij.
Grote stenen van hunebedden zijn echter erg zwaar. Om ze te kunnen vervoeren werden er gaten ingeboord.
Vlak naast elkaar. In de gaten werd springstof tot ontploffing gebracht, waarna de steen uiteen spatte in een
groot aantal kleine stukken.
Pas in de twintigste eeuw werd er beter op toegezien.
1) Bron: A.E.van Giffen, De hunebedden in Nederland, 1925.
|
|
|
Hunebed D38

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: in het Valtherbos.
- Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792).
Het hunebed werd nooit wetenschappelijk onderzocht en is in 1960 gerestaureerd.
|
|
|
Hunebed D39

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: in het Valtherbos.
- Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). In 1925 is de
dekheuvel door Van Giffen onderzocht en vervolgens in 1984 door J.N.Lanting. Ook dit hunebed
is in 1960 gerestaureerd. Het hunebed telt nog maar één deksteen terwijl dat er ooit drie zijn geweest.
|
|
|
Hunebed D40

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
De hunebedden D40, D39 en D38
gezamenlijk op een heideveldje.
|
Ligging: in het Valtherbos.
- Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). In 1918 en 1921 door Van Giffen onderzocht omdat dit
een van de weinige dekeuvels was die destijds nog in oorspronkelijke staat verkeerde. In 1987 stelde J.N.Lanting
er een onderzoek in. De kelder werd in 1918 grotendeels leeg aangetroffen. Gedeeltelijk in maar vooral om het
hunebed heen is nog veel trechterbeker aardewerk gevonden. Eveneens in 1960 gerestaureerd. Het hunebed telt nog
maar één deksteen terwijl dat er ooit ook drie zijn geweest.
|
|
|
Hunebed D41

|
|
|
Tekening W.Pleyte
|
Ligging: Aan de Odoornerweg.
- Werd ontdekt in 1809 en dat jaar onderzocht door P.Hofstede.
- Na 1818 werd het hunebed gerestaureerd.
- In 1960 deed A.E.van Giffen er onderzoek.
Zie verder Odoornerweg,
voor een beschrijving en de vondsten in D41.
|
|
|
Hunebed D42

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: Op de Schimmeres aan de Schietbaanweg.
- Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Het hunebed werd nooit
wetenschappelijk onderzocht en is in 1960 gerestaureerd voorafgegaan door een onderzoek. Dit hunebed is het enige
hunebed in Nederland met 3 paar poort zijstenen. Van Giffen zou hier een bronzen scheermes uit de Midden Bronstijd
hebben gevonden. Bij dit hunebed is de schurende werking van bergen en dalen goed te zien vanwege de gladheid
van één der dekstenen.
|
|
|
Hunebed D43

|
|
|

|
Ligging: Op de Schimmeres.
- Staat vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Het is het enigste langgraf in Nederland.
Zie verder Noordeind,
voor een beschrijving en de vondsten in D43.
|
|
|
Hunebed D44

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.

|
Ligging: In Westenesch.
- Voor de eerste keer vermeld in 1848 door L.J.F.Janssen. In 1961 onderzocht en gerestaureerd door Van Giffen.
Het enige particuliere hunebed in Nederland. Eén der stenen vertoond een rij boorgaten. Tussen 1848 en 1878 werd
het hunebed vernield.
|
|
|
Hunebed D45

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: In de Emmerdennen.
- Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Ondeskundig
opgeknapt in 1870. Zwaar beschadigd door sloopwerkzaamheden in 1885. In 1957
door Van Giffen onderzocht en gerestaureerd. Een der dekstenen heeft
boorgaten. Het verhaal gaat dat Napoleon er met zijn paard op heeft gestaan.
|
|
|
Hunebed D46

|
|
|

|
Ligging: Aan de Fokkingeslag in de wijk Angelslo.
- Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Nooit
wetenschappelijk onderzocht. Ligt midden in een woonwijk. Gerestaureerd in
1960 en 1997. Eén der dekstenen bezit boorgaten.
|
|
|
Hunebed D47

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: Aan de Haselackers in de wijk Angelslo.
- Voor de eerste keer vermeld in 1819 door L.Willinge. Nooit wetenschappelijk onderzocht. Ligt midden in een
woonwijk. Gerestaureerd in 1960 en 1997. Bij de laatste restauratie zijn twee dekstenen van elders gebruikt.
|
|
|
Hunebed D48

|
|
|
Foto: Van Giffen 1925.
|
Ligging: In het Noordbargerbos.
- Deze forse kei die in de verste verte niet op een hunebed lijkt kreeg het hunebednummer D48 mee.
Waarschijnlijk vanwege het kenmerkende feit bij hunebedden dat de bovenzijde uitermate vlak is. Deze
steen ligt in het Noordbargerbos nabij de afslag Nieuw Amsterdam en waarover geschreven wordt dat het de grootste
megaliet van Nederland zou zijn. De kei bevat boorgaten en een afgesprongen vlak is nog zichtbaar.
|
|
|
Hunebed D37a

|
|
|
|
Niet meer bestaand, lag bij Weerdinge in het Valtherbos.
- In 1837 opgegraven door J.Kouwens De Sille. Uit onderzoek van Van Giffen in 1925 bleek dat het
nadien totaal is vernield. In 1933 nogmaals door J.N.Lanting onderzocht.
|
|
|
Hunebed D39a

|
|
|
|
Niet meer bestaand, lag in het Valtherbos.
- Ten noordoosten van hunebed D39 werd in 1992 een geheel vernielde grafkelder ontdekt in een ovale
ondiepe verlaging waarin steengruis werd aangetroffen. Het omzomende heuveltje bevatte veel stenen en
wordt beschouwd als de grafheuvel. Door de kleine afmetingen van maximaal 5,5x2,5 meter denkt men aan
een steenkist. Er zijn geen Trechterbeker vondsten gedaan.
|
|
|
Hunebed D43a

|
|
|
|
Niet meer bestaand, lag op de Schimmeres.
- Dit hunebed werd in 1918 door L.Willinge voor het eerst beschreven. In 1847 werd het hunebed nog bestudeerd
door L.J.F.Janssen. Dit niet meer bestaande hunebed lag ten zuiden van het bekende langgraf
D43 en is vermoedelijk tussen 1869 en 1871 gesloopt. Men denkt dat de stenen zijn
gebruikt voor de restauratie van het langgraf D43 in 1869. Door de aantekeningen van Janssen is bekend dat
het hunebed tijdens zijn onderzoek bestond uit drie zijstenen, twee dekstenen en één sluitsteen. Er werden
drie complete potten gevonden en enkele scherven. In 1968 werd de plaats herontdekt door J.E.Musch en werd
het in 1984 wederom aan een onderzoek onderworpen. J.N.Lanting vond toen nog 5500 scherven, waardoor 114 potten
konden worden gereconstrueerd. Daarvan werden weer 89 potten toegekend aan de Trechterbekercultuur.
|
|
|
Hunebed D44a

|
|
|
|
Niet meer bestaand, lag in de Saalhof.
|
|
|
Ongenummerd

|
|
|
|
Niet meer bestaand, lag ten noorden van de Houtweg in de wijk Emmerhout.
- Geen gegevens bij Historisch Emmen bekend.
|
|
|
Niet meer bestaand, lag bij Westenesch.
- Geen gegevens bij Historisch Emmen bekend.
|
|
|
Grafheuvels:

|
|
|
|
Grafheuvels zijn de "opvolgers" van de hunebedden en werden voor
het "eerst" opgeworpen rond 2900 voor Christus, in het tijdperk Nieuwe
Steentijd (5300-2000 voor Christus). Eén van de grootste verschillen met de
hunebedden is, dat in het begin van de grafheuvelperiode overledenen niet langer
collectief begraven werden, maar dat ieder individu een eigen laatste rustplaats
kreeg. Men noemt het begin van het grafheuveltijdperk dan ook wel de periode van
de enkel grafcultuur. In diezelfde tijd doet ook een ander soort aardewerk haar
intrede. Vanaf 2900 voor Christus worden de potten van het zogeheten
"trechterbeker type" vervangen door het "standvoetbeker
type". Deze bekers zagen er mooier uit dan hun voorgangers.
Geleerden zijn het niet eens over die plotselinge verandering in vorm.
Sommige denken, dat binnentrekkende bevolkingsgroepen uit andere streken er de
oorzaak van zijn. Andere menen, dat het komt door veranderingen binnen de
inheemse samenleving. Het juiste antwoord zal men wel nooit vinden.
Wanneer er tijdens de enkel grafcultuur iemand kwam te overlijden werd hij
dus niet meer bijgezet in een hunebed, maar "gewoon" begraven. Over
het graf werd een heuvel geworpen, de grafheuvel. Het graf lag in het centrum
van de heuvel. Niet altijd werd er een heuvel over het graf geworpen. Wanneer de
heuvel ontbreekt, spreekt men van een vlakgraf.
In sommige gevallen werd er rond de grafkuil een greppeltje gegraven waar
palen in werden gezet. Men weet niet waarom. Bij de aanleg van Angelslo zijn
veel van dergelijke graven aangetroffen. Overledenen werden in een hurkhouding
begraven in een rechthoekige grafkuil die oost westelijk georiënteerd was.
Mannen werden op de rechterzij, met het gezicht naar het zuiden gelegd. Vrouwen
op de linkerzij, eveneens met hun gezicht naar het zuiden.
Overledenen kregen grafgiften mee. Daarbij werd er verschil gemaakt tussen
mannen en vrouwen. Mannen kregen namelijk meer voorwerpen mee. Typerend voor
mannengraven zijn de stenen hamerbijlen en vuurstenen werktuigen zoals messen en
pijlpunten. Soms werd er een mooie pot meegegeven. Ook de mensen van de
standvoetbekercultuur maakten dus gebruik van (vuur)stenen bijlen en werktuigen
evenals de mensen van de klokbekercultuur. Uit deze tijd stammen ook de oudste
in West Europa gevonden wagenwielen.
De mensen van de klokbekercultuur leefden in dezelfde tijdsperiode tussen
2600 - 2100 voor Christus. Zij werden eveneens onder een grafheuvel begraven. In
het begin van de bronstijd, rond 2000 voor Christus werd nog steeds vastgehouden
aan het begraven van de doden en de grafheuvel, al veranderde er wel het één
en ander. De rechthoekige grafkuil was vanaf toen namelijk noord zuid georiënteerd
en een uitgeholde boomstam, die als kist diende, was nieuw en kenmerkend voor de
Midden Bronstijd (1000 voor Christus) Ook hier vond men vaak palenkransen rond
het graf zoals in de Emmerdennen. Ook werden er vanaf die tijd meerdere mensen
begraven onder een heuvel. Precies in het midden van een heuvel lag nog wel een
hoofdgraf, maar steeds vaker werden er, parallel aan de heuvelvoet, nieuwe
graven gedolven. Men noemt dergelijke grafheuvels ook wel "meer perioden
heuvels". Wat in de bronstijd tevens "nieuw" was, waren de
"dodenhuisjes". Dit waren eenvoudige houten bouwwerkjes die tijdelijk
over de heuvel werden gebouwd. De paalgaten zijn bij veel opgravingen teruggevonden.
Vanaf 1100 voor Christus werden overledenen gecremeerd en de urn, met daarin
de asresten van de dode, begraven in een kuil die eveneens weer met een heuvel
bedekt werd.
In Emmen zijn meer dan honderd (!) urnenvelden gevonden. Op de Emmeres alleen
al werden er in 1843 maar liefst 67 aangetroffen! In het Valtherbos liggen er
tientallen en in de Emmerdennen zijn er al meerdere opgegraven. In Emmerhout en
Angelslo heeft men in het verleden ook grafheuvels onderzocht. Bij Angelslo vond
men onder één heuvel een kindergraf. Beenderen van mensen die in de
prehistorie begraven zijn, worden in Drenthe niet aangetroffen omdat ze niet
bewaard blijven in de kalkarme bodem.
Ook in 2001 werden wederom sporen van voor de jaartelling gevonden. Op een
voormalig deel van de es tussen Westenesscherstraat en Frieslandweg werd door
het ARC (Archeological Research and Colsultancy) van de Rijksuniversiteit in
Groningen onderzoek gedaan. Waar nu parkeerplaatsen liggen voor 800 auto's,
lagen sporen van nederzettingen. De meest bijzondere vondst was een vuurstenen
mesje die 1500 jaar voor Christus in gebruik is geweest.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- Gerrie van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd).
- De Standaard 22 april 1996.
- De Telegraaf 11 juli 1997.
- "De Hunebedden in Nederland" door A.E.van Giffen, uitgave 1925 bij uitgeverij A.Oosthoek te Utrecht.
- "De eerste Nederlandse Hunebeddengids" door Frits Bom. Uitgave Ankh-Hermes bv te Deventer. ISBN 90-202-5407-3.
- "Hunebedden monumenten van een Steentijdcultuur" door Evert van Ginkel, Sake Jager, en Wijnand van der Sanden.
Uitgave Uniepers te Abcoude. ISBN 90-68 25 3336.
- Drentse Courant 21 juli 2001.
- "Rondom de Heerenhof, historische balans van Emmen, een stad vol dorpen in het jaar 2000", door Ger de Leeuw.
Uitgeverij Drenthe, Beilen. ISBN 90-75115-29-6.
- Aanvulling: G.de Leeuw
- "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB. ISBN 90-228-3925-7
|

|