|
De Middeleeuwen:

|
|
|
|
|
|
Inleiding:

|
|
|
|
Met de Middeleeuwen wordt de tijdsperiode van 500-1500 na Christus bedoeld.
In de Middeleeuwen maakten de bisschoppen van Utrecht gedurende 500 jaar de dienst uit in Emmen. Deze bisschoppen
hadden kerkelijke en wereldlijke macht. Deze periode, die duurde van 1024 tot 1522, is een lange maar belangrijke
periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen.
Zo werd in het jaar 918 Baldericus, die uit een rijk Betuws geslacht voortkwam, tot bisschop van Utrecht benoemd.
In het jaar 950 ontving bisschop Baldericus goederen en grafelijke rechten van keizer Otto I van Duitsland. Eén van
deze rechten bestond uit het jachtrecht op grootwild in het gebied waarin Emmen lag. Deze grafelijke rechten gingen
vervolgens over op nieuw benoemde bisschoppen.
In het jaar 1024 werd Drenthe, met toestemming van de bevolking, bij een giftbrief van 9 januari 1024, door de
Duitse keizer Hendrik II aan de toenmalige bisschop Adelboldus van Utrecht geschonken. Dit betekende dat "de Oude
Lantschap" Drenthe onder diens gezag kwam.
|
|
|
1139, de oudste vermelding:

|
|
|
De oudste vermelding van Emmen uit 1139.
|
Het bisdom van Utrecht bezat in Emmen een hof die, in tegenstelling tot andere hoven in de omgeving, was ingericht om
als verblijf van de bisschoppen te dienen. Deze hof wordt in oude stukken "De Hoofdhof", "De Edele
Hof", "'t Heerenhoff", "De Saalhof" genoemd waarbij een "reken - en rentekamer"
zou hebben behoord.
In een acte uit de 16e eeuw staat beschreven: " 't Heeren Hoff tot Empne of Honninge".
De hof was kennelijk één van de oudste bisschoppelijke hoven in ons land. Er wordt zelfs gesuggereerd dat
deze hof uit de tijd van Karel de Grote (768-814) zou kunnen stammen. Karel de Grote had zichzelf in het jaar 800 tot
keizer uitgeroepen en hij had het ook rond Emmen voor het zeggen. Karel de Grote bezat, verspreid over z'n rijk, ook
een groot aantal hoven. Juist omdat de hof in Emmen ouder is dan veel andere bisschoppelijke hoven in ons land zou
deze hof van keizerlijke afkomst kunnen zijn.
Bij de Heerenhof hoorden volgens een rentmeester rekening: "Omtrent vijff ede dartig mudden bouwlants,
tijn mannemat hoeylandts, met noch enen acker genoemt den Breeden Acker, die verbijstert is." (ongeveer
35 mudden akkerland, tien maten hooiland, en de "Brede Akker".)
Aan deze hof heeft Emmen zijn ontstaan te danken. In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door
P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. De oudste oorkonde (nummer 27) waarin van deze hof
te Emne (Emmen) sprake is, is een in de Latijnse taal gestelde schenkingsbrief van bisschop Andreas (1128-1139) uit
het jaar 1139. Volgens deze brief kreeg hij de hof in bezit door inkomsten uit de kerken van Anloo, Vries, Beilen,
Norg, Roden, Roderwolde en Eelde te ruilen voor de hof.
"In nomine sancte et individue Trinitatis. Notum sit omnibus tam futuris quam praesentibus, qualiter ego
Andreas, Dei gratia Trajectensis episcopus, dedi ecclesiae Oldenzalensi ad opus fratrum debitum altariorum, quod
singulis annis presbyteri subscriptarum ecclesiarum in festo sancti Jacobi in Anloe solvunt pro concambio unius
mansi in Emne, quem predecessor meus bone memorie dominus Godebaldus episcopus pro remedio anime Werneri dapiferi
sui predictae ecclesie tradiderat. Volens igitur omne ratum esse, quod ipse pie fecit et ipsius saluti nostreque proficere,
praefatum mansum, quem de curte nostra Emne acceperat, denariis prenominatis consilio fidelium meorum
commutatum ab ecclesia redemi curtique restitui. Hee sunt ecclesie solventes hos denarios: Anloe solve octo untias,
Bele octo untias, Vrees quatuor untias, Nurch duos solidos, Rothen duos solidos, Roterwolde duos solidos, Elde duos
solidos. Ut autem hec nostra tradicio fratribus Oldensalensibus eorumque successoribus nunc et in posterum stabilis
et inconvulsa permaneat, cartam hanc sigilli nostri impressione corroboratam in munimentum eis tradidimus. Acta sunt haec
anno Dominice incarnacionis millesimo centesimo tricesimo nono, indictione quarta, anno primo regni Conradi secundi,
episcopatus nostri undecimo. Hujus rei testes isti sunt: Hartbertus Majoris prepositus, Albero prepositus sancti Petri,
Adelardus prepositus, Hugo prepositus sancte Marie, Lutbertus decanus sancti Martini, Arnoldus decanus, canonici; Simon,
Leodricus, Henricus, liberi; comes Godefridus et frater suus Har-mannus, Franco de Deepnaham, Wernerus frater suus,
ministeriales; Hugo de Honnorst, Fredericus scultetus, Otto de Runa, Bartoldus et Goswinus filius suus, Lidulphus de
Oldenzeel et alii multi."
- "In nomine sancte et individue Trinitatis": "In naam van de heilige en ondeelbare drie-eenheid".
- "unius mansi in Emne": "een grote hoeve in Emmen"
- "nostra Emne acceperat": wie helpt?
Noot: In de Middeleeuwen werden belangrijke zaken in een zogenaamde oorkonde vastgelegd. Belangrijke zaken waren o.a.
de verkoop van een boerderij of de betaling van de jaarlijkse pacht. Een oorkonde was in feite een schriftelijke vastlegging,
vaak op perkamant, van een juridische handeling die rechtsgeldig werd door een waszegel. Veel oorkonden zijn vastgelegd in het
oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok.
|
|
|
1229, Emmen in brand:

|
|
|
|
De bisschoppen van Utrecht lieten zich niet tot weinig in Drenthe zien. Zij stelden drosten (landvoogden) aan die
de zaken in het verre afgelegen Drenthe voor hen moesten regelen.
Eén van deze drosten was Rudolf III (1195-1229) van Coevorden die aldaar op het kasteel woonde. Coevorden was de
toegangspoort tot het vrijwel ontoegankelijke moerassige Drenthe. Wie Coevorden bezat, bezat Drenthe. Het streven van
Rudolf was onafhankelijkheid, dit geheel tegen de zin van bisschop Otto van der Lippe (Otto II).
Tussen Rudolf van Coevorden en Egbert van Groenenberg, een zetbaas van de bisschop, ontstonden problemen toen
georganiseerde burgers, de Gelkingen, zich probeerden te ontworstelden aan de macht van Egbert, om de handel beter
te laten floreren. Rudolf verjoeg Egbert van Groenenberg in eerste instantie, maar deze sloeg terug, waarna Rudolf
een leger op de been wilde brengen.
Bisschop Otto van der Lippe besloot zich er persoonlijk mee te bemoeien en riep vele edelen en bewapenden bijeen.
In 1227 kwam het bij Ane tot een uitbarsting waarbij de bisschop met een stoet van edelen, een groot ridderleger
en veel voetvolk de heersers uit Coevorden tot orde wilde roepen. Het leger van drost Rudolf bestond uit een handvol
mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards die liever tot de laatste druppel bloed wilden vechten, dan zich het bloed
onder de nagels weg te laten halen.
De bisschop had niet op de gevaren van het veen gerekend. Gevaren die de bevolking beter kende dan wie dan ook.
Paarden en geschut zakten weg in het veen. Het bisschoppelijke leger, meer dan 400 man sterk, werd verslagen en de
bisschop kwam daarbij om het leven. In 1923 zijn bij het graven van het kanaal Coevorden - Ane onder andere een
zwaard en een vechtnaald gevonden die jarenlang in de Oudheidkamer van Emmen waren te zien.
De geestelijkheid van Utrecht klaagde en jammerde, maar verkoos daarna Willebrand, bisschop van Paderborn, heer
van de Herdenbergh (een slotstee waarnaar later Hardenberg is vernoemd), als opvolger. Hij moest de dood van Otto
van der Lippe wreken. Willebrand trok in het jaar 1228 op zes verschillende plaatsen Drenthe binnen. Rudolf zag in
dat hij hier niet tegen opgewassen was en gaf zich op 10 oktober 1228 over.
Vanuit Coevorden ging Willebrand richting Emmen. In 1229 werd Emmen, inclusief de kerk die Willehad ooit had laten
bouwen, geheel platgebrand en verwoest. Bij deze dramatische gebeurtenis sneuvelden vermoedelijk ook de gebroeders
Theodoor en Gerlach van Empne die op dat moment de pachters waren van 't Heerenhoff tot Empne.
|
|
|
Oorkonde uit 1313:

|
|
|

|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne.
In de oorkonde van 1313 (nummer 244) wordt vermeld: "meyeri in Emne" en "in marka
Emne".
Op 7 augustus 1313 verklaarden de gebroeders Henricus en Albertus (zonen van Gerardus) in Emmen
de bisschoppelijk hof van de bisschop te hebben gepacht, tezamen met de akkers, weilanden, hooilanden,
venen en bossen, zowel ontgonnen als onontgonnen. Zij verplichtten zich de bisschop,
tezamen met een metgezel en twee paarden, viermaal per jaar onderdak te zullen verlenen.
Zij mochten als hofhorigen zelf geen land in bezit hebben of ander land in gebruik hebben
dan van hun leenheer. Het land mocht volgens Lonsain (DVA 1927) wel worden gesplitst.
Als huur voor het gebruik van de hof dienden zij 80 mud winterrogge, 20 mud zomerrogge, 20 mud haver,
de helft van de eikel en houtopbrengsten en 60 palingen (3 stijg) uit het Bargermeer te betalen.
Gerardus, Henricus en Albertus zijn door deze verklaring de oudst bekende namen van inwoners van Emmen.
"Universis, ad quos presentes littere pervenerint, nos, Henricus et Albertus, fratres, filii Gerardi, meyeri
in Emne, servi ecclesie et . . episcopi Trajectensis, notum facimus in hiis scriptis, quod nos a domino nostro episcopo
Trajectensi recepimus in conductione curtim suam in Emne cum omnibus agris, pascuis, pratis, paludibus, nemoribus,
cultis et incultis, pro quadraginta modiis siliginis hyemalis, viginti modiis siliginis estivalis, viginti modiis avene, pro
dimidietate omnium lignorum et glandium, que evenire poterint, et tribus stigis anguillarum , solvendis dicto domino nostro . .
episcopo vel suo . . officiate annuatim, prout alii meyeri suis dominis in Drenthia solvere consueverunt. Item . . officiatum ejus
una nocte cum uno socio cum duobus equis quater in anno sub nostris expensis hospitabimur. Agros eciam nostros proprios
sitos in marka Emne infra sex annos a data presentium vendemus aut permutabimus extra illam markam, ne cum agris curtis
eos permiscere possimus. Alioquin extunc omnes agri nostri habiti et habendi in marka Emne attinebunt curti predicte,
negotia etiam domini nostri . . episcopi et suorum . . officiatorum promovebimus, prout hactenus est consuetum, edificia dicte curtis
edificabimus et reparabimus. Et hec conductio est heriditaria, dummodo heredes nostri servilis conditionis existant . . ecclesie
et . . episcopo Trajectensibus, et dictam curtim et bona predicta eidem attinentia in duas partes equaliter et non ultra dividere
possumus. Et si nos vel heredes nostri quocunque casu contingente ipsam curtim colere noluerimus aut non potuerimus seu predicta
annuatim non persolverimus, sepedicta curtis cum omnibus suis pertinenciis et edificiis libere et absolute ad dictum nostrum . .
episcopum et suam ecclesiam divolvetur. In cujus rei testimonium sigillum Reynaldi de Covorde ac sigillum terre Drenthie presentibus
litteris apponi rogavimus. Et nos, Reynoldus de Cove de et universitas terre Drenthie, ad preces predictorum Henrici et Alberti sigilla
nostra presenitibus litteris duximus apponenda. Datum anno Domini MCCC tercio decimo feria tercia post beati Petri ad Vincula."
|
|
|
Oorkonde uit 1327:

|
|
|
|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne -
Empne. De oorkonde van 1327 (nummer 311) betreft een oorkonde "in vidimus" uit 1471 waarin wordt
vermeld: "Bartoldus in Empne".
Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een
oorkonde waarin de oorkonders een vanuit hun functie (bijvoorbeeld een bevoegde autoriteit)
verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien.
Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst.
Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie. Een
authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt.
In deze oorkonde doen vijf Drentse pastoors uitspraak in een geschil tussen ingezetenen van Weerdinge en "den
proost" en het klooster van Schildwolde:
"Nos Bartoldus in Empne, Fredericus in Rotlo,
Johannes in Borghere, Remboldus in Oderen, Rodolphus in Gheyten, ecclesiarum rectores ad universorum presencium et futurorum noticiam
cupimus pervenire lucide protestando, quod causam, quam cives de Weerdighen moverunt domino preposito et conventui de Schildwolde
super palude, sita in marka de Werdighen juxta Roeswinkel, in nos compromissam, terminavimus in hunc modum, quod prepositus et
conventus predicti pro palude a ponte, posito super fluvium Ruetna, linealiter usque in medium versus fluvium Musla usque ad justum
terminum marke de Weerdighen et domus in Hare CVI marcas Osnabrugenses integraliter persolverunt et solvent civibus predictis in
perpetuum annuatim in die Philippi et Jacobi apostolorum beatorum pro pacto sub pena dupli in villa Weerdighen tres solidos brunorum
sterlingorum vel pecuniam his equivalentem. Quod si neglectum fuerit, cives predicti in eadem palude sine contradictione, molestacione,
defensione et actione prepositi et conventus predictorum tres solidos sterlingorum in duplo expandabunt, civesque predicti dominum
prepositum et conventum predictos indempnes secundum consuetudinem terre Trentye in eadem palude conservabunt propriisque defendent
laboribus et expensis. In quorum omnium testimonium et perpetuum munimen presens scriptum inde confectum sigilli terre Trentye una
cum sigillis nostris est munitum. Datum anno Domini MCCCXXVII die Processi et Martiniani martirum beatorum. Superscriptionem notitiam
approbamus. Datum ut supra."
|
|
|
Oorkonde uit 1362:

|
|
|
|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne -
Empne. In de oorkonde van 1362 (nummer 513) wordt vermeld: "Hummeldinckhuus tot Empne".
In deze oorkonde keuren Arnout Huus, Lamme, zijn vrouw en Wibbe en de weduwe van Wermoldts van Gasselt, de stichting goed
van een vicarie in de kerk aldaar, en de ten behoeve daarvan door wijlen Wermoldts gemaakte beschikkingen: "Wy,
Arnout Huus, Lamme, mijn trouwe wijff, ende Wibbe, wedwe Wermoldts van Gasselt, daer Godt die ziel af hebben moet, maken condt
ende kennelijck allen luyden, die desen brieff sullen sien off horen lesen, dat Wermoldt van Gasselt voirn. gegeven hevet
ende gaf met gesonden lieve ende met vrien wille in rechten testament ende om zalicheydt syne ziele ende alle syne vriende,
die recht lohn daeraf hebben sullen, ende wy mede volgen, des die daer rechte erffgenahmen toe sijn, in der kercken toe Gasselt
tot een outare, dat geconsecreert is in sijnte Nicolaes ehren ende sijnte Catharynen, vertich mudde sades Groninger mate, welek
en doerende, ende des voorseyden sades zijn dartich mudde roggen en tien mudden haveren moltes tot eens priesteren behoeff, die
daermede gerhentet zy ende daerom sal missen doen ende bidden voor dieghene, daer hy recht schuldich is voor te bidden. Ende
dese voorseyde renthen sijn gelegen: int erve Oversmeedinchuus to Wune twaelff mudde roggen ende twee mudde moltes; item acht
mudde moltes over drie acker landes tot Gasselt, ende die soeven mudde leggen over die twee acker, die geheten sijn die Bergacker,
ende die ander hetet Opperlapsate; ende dat achte mudde moltes leget op eenen acker van Tebinckhuus; item op Alckinchuus tot
Waerdingh soeven mudde roggen; item op Alberthuus tot Zweberghen vier mudde roggen item op Hummeldinckhuus tot Empne vijff mudde
roggen; item op Alckinchuus tot Westenesche twee mudde rogge. Item eene hoffstede tot Gasselt. Item so is daertoe gegheven
alsoeveele erves tot Gasselt, dat wel doen magh jaerlix tien mudde roggen. En want Wermolt, daer Godt die ziel af hebben moet,
voerschreven dese voirn. renthen en goede besproken ende gegeven heft, so doen wy, Arnout, Lamme ende Wibbe, erffname Wermoldt
voorseydt, onssen consent daertoe ende onssen vryen willen, welcken daermede voor ons ende onssen naecommelinge, behoudelijck
ons ende onssen naecommelinge die giffte des voors. outaers. Ende opdat dit vast ende stede blyve, so heb ick, Arnout Huus voirn.,
mynen segell aen desen brieff gedaen. Ende wy, Lamme ende Wibbe voers., oirconden ende getuygen ende volgen met onssen vryen
willen ende consent alle voors. saken, also als zy geschreven sijn, ende tuygen dat onder Arnout Huus segell voorseydt, want wy
selve gheene segelen hebben. Gegeven int jaer onses Heeren duysendt dryhondert twee ende sestich des vijften daghes in May."
|
|
|
Oorkonde uit 1374:

|
|
|
|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne -
Empne. In de oorkonde van 1374 (nummer 620) wordt op de vierde regel vermeld: "et Albertum, custodem in Emne".
("en Albertum, beschermheer in Emne")

|
|
|
Oorkonde uit 1376:

|
|
|
|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne -
Empne. In de oorkonde van 1376 (nummer 641) wordt vermeld: "unde in en tot Empne".
Ich, Johan, heer van Runen, ridder, bekenne dat in dessen openen brieve, dat ich mit mynen gueden vrien willen
unde met volboert mijnre rechter erfghenamen hebbe vercoeft drie unde veertichstehalf Groninc mudde rogghen unde een half
scat rogghen gulden jaerlikes pachtes, alle jaer te boeren unde te betalen alse een lantrechte is in Drenthe, unde my
anghecomen sijn van dode Ecbertes van Peyse, heren Ecbertes soen, den God ghenedich sij, alse over Smedinghehuys tyen
Groninc mudde rogghen unde over Scultingheshuys vyef Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe unde in
en kerspel tot Empne, unde voert over Bebingheguet ses Groninc mudde rogghen, over Wemeringhehuys eens halven scat min dan
een Groninc mudde rogghen, over Hoevyngheguet vyef Groninc mudde rogghen unde een verendeel rogghen, over Alferdingheguet
ses Groninc mudde rogghen, over Tammyngheguet IIII Groninc mudde rogghen, over Ubbekingheguet drie Groninc mudde rogghen
unde over Dillingheguet derdehalf Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe tot Exle unde in den kerspel
van Oderen, um een summe van ghelde, de my witteliken unde wal betalet is, Johanne Vos van Stenwijch, Arnde Huys unde horen
rechten erfghenamen te besittene unde te bruyken erfliken unde ummermeer, voer my unde voer mijnen rechten erfghenamen.
Welke mudde vorg. wy hem upghelaten hebben unde daervan verteghen hebben erfliken unde ummermeer unde legheden hem daervan
den stoc under den bueren tot Empne unde tot Exle, daer desse vorg. mudde gheleghen sijn, alse een lantrecht is in Drenthe,
unde soelen hem derre waren erfliken voer my, voer mynen rechten erfghenamen unde voer alle deghene, de des to rechte comen
willen to rechten Drentschen lantrecht, sunder yenegherhande arghelijst. In orcunde unde rechten tughe desser dinch soe heb
ich, Johan, heer van Runen vors. mijn seghel an dessen brieve ghehanghen voer my unde voer mynen rechten erfghe-namen vors.
Ghegheven in den jaer unses Heren dusent driehundert ses unde tseventich up sunte Wolburghenavonde.
In deze acte uit 1376 worden de volgende erven genoemd die in het kerspel Emmen lagen:
- Smedinghehuys
- Scultingheshuys
|
|
|
Leenmannenregister 1379-1384:

|
|
|
Leenmannenregister 1379-1384
Collectie Brands
|
In de late veertiende eeuw legden de Utrechtse bisschoppen registers aan van hun dienstmannen en de goederen en rechten die
ze aan deze dienstmannen [leenmannen] hadden geleend. In ruil daarvoor moesten deze leenmannen bestuurlijke, rechterlijke of
militaire taken verrichten. De leenman legde aan zijn leenheer een leeneed af waardoor hij zich verplichtte tot trouw aan
zijn heer. De leenheer bood hem vervolgens bescherming en een leengoed als bron van inkomsten. Deze leengoederen werden al
spoedig beschouwd als een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen.
Een leenman kon ook zelf weer als leenheer optreden door taken te delegeren en daarvoor goederen in leen te geven. De
bisschop van Utrecht oefende o.a. de grafelijke macht in Drenthe uit als leenman van de Duitse koning. Daarnaast
fungeerde hij als leenheer van de prefect van Groningen en de drost van Coevorden. Bovendien had hij een groot aantal
van zijn goederen, rechten en andere inkomsten (de tienden) in Drenthe uitgegeven aan leenmannen.
In 1528 droeg de bisschop van Utrecht zijn landsheerlijke rechten over aan keizer Karel V.

In het leenmannenregister van 1379-1384 wordt slechts één naam vermeld in het kerspel van Emmen. De tekst luidt:
"Henric Germinghe hout Germynghehuys in der buerscap to Berghe in den kerspel van Empne".
|
|
|
1450, een nieuw tijdperk:

|
|
|
|
In de bisschoppelijke tijd was er veel handel tussen het graafschap Bentheim,
het sticht Munster en Groningen. Vooral Coevorden heeft van deze handel kunnen
profiteren. De handel ging in stokvis, traan boter en kaas naar Bentheim en
Musterland en in zandsteen, hout, rogge wol, ham, canvas en dergelijke in
omgekeerde richting.
Hoge tolheffingen bij Coevorden, de verdere strijd tussen de drosten en
bisschoppen die klaagden dat de Drenthen de bisschoppelijke belastingen niet
wilden betalen, en zich niet stoorden aan de rechten van de bisschop en goederen
die de bisschop toebehoorden, kochten en verkochten alsof het hun eigen goederen
waren belemmerden een verdere ontwikkeling.
Aan het einde van de 14e eeuw (1397) zag de toen heersende bisschop van
Utrecht, Frederik van Blankenheim, kans het gezag weer enigszins te herstellen.
De opmars en autonomie van Drenthe kon hij echter niet meer terugdraaien. Aan de
sterk op rechten staande Drenten, waarvan gezegd wordt "dat het goede
onderdanen maar slechte slaven zijn", moest de bisschop het behoud van de
bestaande rechten waarborgen. Dit geschiedde middels het Drents Landrecht in 1412.
De bisschoppen die Frederik van Blankenheim opvolgden lieten zich zelden in
Drenthe zien en hun gezag brokkelde langzaam weer af. In de 16e eeuw raakte
Drenthe betrokken bij de Gelderse oorlogen tussen Karel van Egmont, de hertog
van Gelre, en de bisschoppen van Utrecht. In 1522 moesten de Drenten deze Karel
van Egmont uit naam van Karel V als landsheer dulden.
Met Karel van Egmont eindigde voor Drenthe het tijdperk van bisschoppen, die van 1024 tot 1522 had geduurd.
|
|
|
Schattingslijst uit 1450:

|
|
|
|
Emne en Empne zijn voormalige namen van Emmen die beide gelijktijdig voorkwamen. Dit blijkt
uit de oorkondes uit 1139, 1313, 1327, 1362 en 1374, maar ook uit de schattingslijst van omstreeks 1450.
Deze lijst is door historici vergeleken met de 15e eeuwse ordelen [vonnis] van de etstoel. Zij dateren de lijst
omstreeks 1450 met een marge van 20 tot 30 jaar. Hoewel het bisschoppelijk tijdperk in Drenthe
in 1422 ophield te bestaan betreft het vrijwel zeker een bisschoppelijke lijst van belastingplichtigen.
Het was geen persoonlijke belasting maar betrof een landschatting. Een eigenaar van "een vol erf" moest twee
schild [een muntsoort ingevoerd in 1337] betalen. Een koter [keuter], met veel minder land, één schild.
In Emne - Empne waren betalingsplichtig:
- Rolof Wrensing - 2s.
- Wyllem Brandinge - 2s.
- Roloff Havynges - 2s.
- Gert Lunsinges - 2s.
- Willem Nyen Rasing - 2s.
- Willem Smeding - 2s.
-
- Lubbert Smyt - 1s.
- Rolef Stuve - 1s.
- Wolter Havync - 1s.
- Ghert Scroder eyn s.
- Jan Stuve - 1s. koter
- Rolof Hont - 1r.
- Alpher van Schalchwijck - 1s.
Noot: Bovenstaande namen zijn zoveel mogelijk letterlijk weergegeven maar aan huidig gebruik aangepast.
|
|
|
Oorkonde uit 1471:

|
|
|
|
In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne.
In de oorkonde van 1471 wordt vermeld: "Bartoldus in Empne".
Deze oorkonde betreft een oorkonde "in vidimus" uit 1327.
Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een
oorkonde waarin de oorkonders een vanuit hun functie (bijvoorbeeld een bevoegde autoriteit)
verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien.
Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst.
Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie. Een
authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt.
|
|
|
Historische belastingen

|
|
|
|
De boeren uit de omgeving moesten hun "precariën", tienden (historische belastingvorm bestaande
uit een tiende van de oogst, vee, etc) en pachten aan de bisschop betalen. Deze goederen werden opgeslagen
in een zogenaamde spieker, ofwel een voorraadschuur, die bij de hof behoorde. Het woord spieker is een
verbastering van het Latijnse "spica" wat graan betekent. De voorraadschuur was een
"spicarium". Als de bisschop de hof bezocht verbruikte hij samen met zijn gevolg een groot deel
van de in de spieker opgeslagen "belastingen".
In de Middeleeuwen werd door de bisschoppen uit Utrecht ook een soort belasting geheven
op gebruik van woeste gronden, de "schuldmudde". Deze werd alleen geheven (of is
alleen bekend bij) nederzettingen die ouder zijn dan de 10e eeuw. Uit deze schuldmudde kan
bewoning worden afgeleid en had kunnen helpen de grootte van Emmen te bepalen.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld Noordbarge en Weerdinge is het heffen van de schuldmudde
in Emmen niet bekend. Een verklaring hiervoor kan liggen in het feit dat de rentmeester
er als dorpsgenoot directe controle over had. Het bodemarchief en rentmeesterrekeningen geven
hierover geen uitsluitsel. Daarom vermoedt men dat Emmen zeker niet meer dan 10 hoeven had,
tegen 24 aan het einde van de Middeleeuwen.
|
|
|
Vondsten (Weiert):

|
|
|
|
Uit de Laat Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen zijn enige bijzonderheden bekend over Emmen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond
dat er ten westen van het huidige centrum van Emmen bewoning was geweest.
In 1962 is tijdens het uitgraven van het belastingkantoor in het huidige winkelcentrum
De Weiert een zogenaamde 'hutkom' gevonden. Hutkommen waren kleine gebouwtjes die op een erf
stonden en werden gebruikt voor bewoning of ambachtelijke doeleinden zoals spinnen en weven.
Ze waren deels in de grond gegraven. Deze hutkom is volgens de onderzoekers omstreeks
het jaar 1000 gebouwd. Dit was na te gaan door de aangetroffen scherven van potten te
onderzoeken. Deze scherven waren van het zogenaamde 'kogelpot' type. Een aantal scherven waren
overblijfselen van een kogelpot tuitkan.
De vloer van de Emmer hutkom bestond uit een laag gelig zand van 20 cm. dikte.
De totale lengte van de hutkom in Emmen was slechts 5.30 meter.
De breedte 4.50 meter. Het trapje dat naar beneden leidde bestond uit veldkeien
en heideplaggen. De ingang van dit trapje lag aan de kopse kant van de "woning".
Na het vinden van een hutkom probeert men antwoord te krijgen op de vraag of deze voor
bewoning diende of dat het een bijgebouw, voor andere doeleinden, was. Soms werden er
weefgetouwen in geplaatst. Men heeft er zelfs een keer sporen
van een middeleeuwse smederij in aangetroffen. Een hutkom zag er wel even anders dan
onze tegenwoordige luxe rijtjeswoningen! Er werd eerst een kuil gegraven van ongeveer
anderhalve meter diep. De woning werd dus half in de grond gebouwd. Tegen de kuilwand
werd een wand opgetrokken die gemaakt werd van hout en vlechtwerk. Het zadeldak dat de
gebruikers tegen regen en wind moest beschermen rustte vermoedelijk op de begane grond.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- Gerrie van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd)
- "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel I" door H.T.Buiskool.
- "Jij bent een deel van de geschiedenis" door A.Geluk - Bleumink en J.Pool.
- "Rondom de Heerenhof, historische balans van Emmen, een stad vol dorpen in het jaar 2000", door G.de Leeuw.
Uitgeverij Drenthe, Beilen. ISBN 90-75115-29-6.
- "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB, ISBN 90-228-3925-7
- "Geïllustreerde plaatsbeschrijving gemeente Emmen".
- Historisch Centrum Overijssel, inv.nr. AAZ.01.1252
- Drents Genealogisch Jaarboek 1997, R.Alma p.62-77
- Leenmannen register 1379-1384, Collectie Brands
- Oorkonden overgenomen van:
- Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok. Collectie Brands.
- www.cartago.nl. Copyright 2004
Stichting Digitaal Oorkondeboek Groningen en Drenthe (DOGD).
|

|