|
Emmen omstreeks 1650:

|
|
|
|
|
|
Es en esdorp

|
|
|

|
Emmen was ooit een karakteristiek esdorp. Bij een esdorp waren de boerderijen om een brink
gegroepeerd, waarbij de bouwlanden zich in de directe omgeving bevonden. Op enige afstand
lagen weilanden, veelal in de nabijheid van een stroompje. Een es was vroeger het
gezamenlijke bezit van alle boeren in dorp of buurtschap. Hierop verbouwden zij hun
gewassen zoals rogge het z.g.n. broodkoren.
Hunebedden en vuursteen vondsten bewijzen dat de latere es gronden 4500 jaar geleden
(2500 v.Chr.) al bewoond werden. Hunebedbouwers hadden op de hoogste punten in het
landschap nederzettingen gevestigd. Zij trokken niet meer achter het wild aan maar bleven
plaatselijk hoog en droog wonen. Water was dichtbij. In de omgeving groeide heide, struiken,
allerlei wilde grassen en er waren bospartijen. De kleine nederzettingen bevonden zich aan
de rand van het bos, het vee graasde in het bos. Ze aten struiken, grassen en de van de
bomen gevallen bladeren en eikels.
Ook de essen bij de dorpen rond Emmen zijn gelegen op de hoogste punten en de hellingen
van de Hondsrug. De grondsoort is Pleistoceen keizand (ontstaan door temperatuur wisselingen
[tussen de diverse ijstijden] 1,8 miljoen jaar geleden), waaruit niet alle keileem is
verdwenen.
De Schimmer es, het gebied ten westen van het centrum van Emmen in het zuiden begrensd
door de Ermerweg en in het noorden door de Sluisvierweg, werd in De IJzertijd ( 800 v.Chr.
- 12 v.Chr.) al gebruikt om gewassen op te verbouwen.
|
|
|
Het ontstaan der essen

|
|
|
|
In de Romeinse tijd (12 v.Chr. - 450 na Chr.) kwam een akkervorm voor die bestond uit
kleine vierkante perceeltjes. De bewerking hiervan geschiedde met een haakploeg. Deze
scheurde de grond alleen open zonder werkelijk omploegen. Dergelijke oude akkervormen noemt
men een celticfield ofwel raatakkercomplex. Deze zijn op verschillende plaatsen in Drenthe
aangetroffen. Van Giffen (4) beschreef o.a. een opgraving te Rhee nabij Assen. Op de Emmer
es heeft, ter plaatse van de Sluisvierweg, 2500 jaar geleden ook een dergelijk celticfield
gelegen.
Na de invoering van de kouterploeg - die aan het einde van de akker versteld moest worden,
hetgeen tijd vergde - was het voordeliger om langere percelen te nemen. Onze tegenwoordige
perceelsindeling zal hiervan het gevolg kunnen zijn.
Door gebrekkige bemesting raakten de kleine akkertjes spoedig uitgeput en werden
onvruchtbaar. Als oplossing voor dit probleem werden elders nieuwe akkertjes aangelegd, die
na verloop ook weer uitgeput raakten. De akkertjes kwamen hierdoor steeds verder van de
woonomgeving te liggen. Als gevolg hiervan verplaatsten deze woonomgeving zich (soms) ook.
Rond de 9e eeuw kregen de akkertjes een vastere plaats in het landschap omdat ze beter konden
worden bemest. Door betere bemesting hoefden minder nieuwe akkertjes te worden aangelegd
waardoor de bevolking minder verhuisde. Rond deze tijd kreeg ook de Emmer es haar vastere
vorm. Deze es kenmerkte zich van de overige landen door een omheining die bestond uit een
aarden of beboste wal. Zo'n wal rond een es werd vreding, eswal of wildgraaf genoemd. De
omheining moest ervoor zorgen dat het vee niet op de akkers kon komen. Bij Noordbarge bestond
de oostzijde niet uit een aarden wal maar grensde de es aan het Bargermeer.
Tot 1500 werden landbouwgronden vruchtbaar gehouden met o.a. mest van het vee uit de
stallen en met gemaaide heide. Na 1500 veranderde de bemesting met de komst van de eerste
grote schaapskudden. Deze ontstonden door de vraag naar wol uit het westen. Het houden van
grote schaapskudden werd een winstgevende bezigheid. De schapen graasden op de hei waardoor
deze er anders uit kwam te zien. Grassen, struiken en bospartijen, die voor 1500 overal op
de heide te zien waren, werden door de schapen weggevreten. De heideplaggen werden van de
schraal geworden heidevelden gehaald en in de schapenstal gelegd die op hun beurt de plaggen
iedere nacht met hun uitwerpselen bemestten. Deze door schapen bemestte plaggen werden eens
per jaar op de es gebracht.
Voor het bepalen van de ouderdom van essen en bouwlanden zijn verschillende uitgangsmogelijkheden:
- Het verschijnen van rogge en vlas op de akkers. Van rogge wordt in een resolutie van de
Staten Generaal van 17 november 1617 gezegd: "wezende het enichste middell waarbij
de voorschr.landschap principalijk bestond". Rogge was het meest geschikte graan om te
verbouwen vanwege de pH waarde van de zandgronden, de grote wintervastheid en haar geringe
gevoeligheid voor plantenziekten. Hoops (6) schreef dat rogge "unter den angestammten
Getreidearten der Alten Welt die jüngste" was en dat het pas na het begin der jaartelling
in Noord Duitsland voorkwam en daar in de Middeleeuwen algemeen werd verbouwd.
- De vorm en de oppervlakte van de percelen. Vlakbij de dorpen lagen de woertakkers (zoals ze in
1640 bijvoorbeeld nog ten zuiden van Noordbarge lagen). Ze hadden een zeer onregelmatige vorm en de
oppervlakten waren betrekkelijk klein. Het lijkt erop dat ze zonder systeem of organisatie waren
aangelegd. Vele eeuwen later werden deze percelen groter en regelmatiger. Ze waren dus beter
aangepast voor bewerking. De intrede van de kouterploeg zal hieraan mede debet zijn. Hoe jonger de
percelen blijken te zijn, des te nieuwer de namen en des te regelmatiger de vormen.
Verder van de dorpen bevonden zich blokken waarin regelmatige langwerpige rechthoekige
percelen lagen, met een evenwijdige ploegrichting. De blokgrenzen zijn (duidelijk) terug te
vinden op de kaarten van 1640. Hier was blijkbaar meer systeem en organisatie bij de
ontginning geweest. Ook de zogenoemde lienstukken (vlasakkertjes) lagen geordend bijeen.
Lienstukken kwamen op alle oude essen voor. Was hier al sprake van (een voorloper van) een
marke organisatie die de latere ontginning regelde? Het waren immers de marken die de
rechten op de ongescheiden gronden hadden en deze d.m.v. het bezit van waardelen hadden
georganiseerd.
Verspreid over de es kwamen een aantal woest gelegen percelen voor. Het merendeel van
deze percelen waren aan de randen van de essen gelegen. In het algemeen waren dit
gronden van de slechtste kwaliteit en lagen ze het verst van de dorpen. Mogelijk speelde
hier de oorlogstoestand van 1580 tot 1594 nog een rol, met de vele verwoeste boerderijen
en gebrek aan arbeidskrachten.
Buiten de eswal kwam een aantal kampen voor, aangelegd temidden der woeste gronden en
omgeven door een wal. Ook deze kampen lagen woest. Mogelijk een indicatie voor een eerste
individuele ontginningspoging?
In grote lijnen was de perceelsindeling rond 1955 (voor de "ruilverkaveling")
nog gelijk aan die van 3,5 eeuw geleden omdat de blokgrenzen terug te vinden zijn op
kaarten uit 1640.
Het begin van de aanleg van essen met een kouterploeg zal dus kunnen liggen tussen:
- de Romeinse tijd met de zogenaamde "celticfields" en
- het ontstaan van een dorpsorganisatie, mogelijk een markenorganisatie met een
georganiseerde es aanleg. [Het ontstaan der marken wordt door prof.dr.B.H.Slicher van Bath,
hoogleraar landbouwgeschiedenis aan de landbouw universiteit te Wageningen, gesteld in de
eerste eeuwen na het jaar 1000 (14).]
- De regionale verspreiding van verschillende perceelsnamen, zoals bijvoorbeeld woertakkers,
die tot de oudste gedeelten der es behoorden en waarschijnlijk uit eenzelfde tijdperk stammen
als het verschijnen van rogge. Perceelsnamen zijn de laatste 3,5-4 eeuw onveranderd.
- Een andere manier om de ouderdom der essen te kunnen bepalen is door profielstudie van
de dikte van de zwarte bovenlaag. Per jaar zou de bodem 1 mm opgehoogd zijn door
plaggenbemesting. Voor 1 meter dus 1000 jaar. In Drenthe treft men dergelijke profielen niet
aan. Zeer oude es percelen hebben vaak een zwarte laag van 40 tot 60 cm. Een rekensom, van
wat jaarlijks aan bemesting vervoerd moest worden, doet het onwaarschijnlijke van deze ene
mm inzien.
- Ook bosprofielen kunnen een indicatie geven van de ouderdom der essen. Een bos veroorzaakt
een verkleuring van de bodem van ongeveer 70 cm. Een ontgonnen oude bosgrond - zoals de
Schimmer es van 1741 - zou men misschien met voorgaande methode tot de oude es gronden willen rekenen.
|
|
|
Opmeting der bouwlanden:

|
|
|
|
De bouwlanden lagen dus bijeen op de essen. Van deze essen zijn kaarten, behorende bij de
grondschatting registers uit de 17e eeuw, bewaard gebleven. De bouwlanden waren opgemeten
door de landmeters Bartholomeus van der Burch en Pouwel Dircksen Schencker. Deze kaarten zijn
uit de hand getekend, waardoor de percelen iets vertekend zijn in lengte en breedte. De
maten zijn echter wel bij de percelen op de kaarten aangetekend, zodat een duidelijke
vergelijking met de tegenwoordige toestand mogelijk is met hulp van de moderne kadasterkaarten. Om
'een goed inzicht in de oude situatie verkrijgen is enige theorie en enig rekenwerk nodig.
De landmeters Van der Burch en Schencker gebruikten de volgende wijze van aanduiding voor hun maten:
- voor 8 roeden de notatie: 8/(0
- voor 8 roeden en 2 voeten de notatie: 8/2(1
- voor 18 roeden en 26 duimen de notatie: 18/26(2
- voor 55 duimen de notatie: 55/(2
Om hiervan de lengtemaat, uitgedrukt in metrieke stelsel, te bepalen werden een aantal
percelen vergeleken, waarvan viel aan te tonen, dat deze de laatste 300 jaar geen
grenswijziging hadden ondergaan. Voor de lengte van 1 roede werd ongeveer 4,12 meter gevonden.
Geoloog en landmeetkundige W.C.H.Staring (15) en G.Kuyper (9) vermeldden voor 1 Drentse roe
respectievelijk 4,12 meter en 4,123 meter. Eén Drentse roe is onderverdeeld in 14 voeten. Eén
voet = 29,45 cm. Eén voet = 12 duim. Eén duim = 2,45 cm.
Ook Het Drentse landrecht van 1608, derde boek artikel 48, vermeldt hoe groot een roede
"in de lande Drenthe" is: "Een roede in den vijff Dingspillen der
Lantschap Drenthe als Suidenvelt, Beilen, Rolde, Noordenvelt ende Oostermoer, sal lanck wesen
veertyn holtvoeten ende in Diever dingspel sestijn holtvoeten".
Er heerste dus een vrij grote éénvormigheid op dit gebied in Drenthe, in tegenstelling met
andere streken, met juist grote plaatselijke verschillen.
Behoudens andere lengtematen kende men indertijd ook oppervlaktematen:
- Eén mud land = 4 schat
- Eén schat = 4 spint
- Eén spint = 10 vierkante roeden
Eén mud land was omgerekend dus 160 vierkante roeden. [4x4x10=160] Dit kan men vervolgens
omrekenen in m2. [160 x 4,12 x 4,12 = ongeveer 2720 m2 = 27,2 are]
Zo kan achtereenvolgens ook berekend worden:
- Eén schat = 6,80 are
- Eén spint = 1,70 are
- Eén vierkante roe = 17m2
|
|
|
Nadere beschouwing der bouwlanden:

|
|
|
|
De essen in het carspel Emmen, maar ook de andere essen in Drenthe, blijken van 1640 tot
1850 weinig of niet uitgebreid. (sommige es grenzen bleven zelfs tot 1900 onveranderd). Dit
werd door Garming onderzocht met kaarten uit de 19e eeuw. Op 7 januari 1742 is in een
aanvullend grondschatting register over nieuw aangemaakte landerijen in het carspel Emmen
geschreven: "Door de markegenoten van Emmen en Westenesch is tot
saayland uit het waardeel gescheiden de sogenaamde Schimmer, groot na gissinge agt en veertig
mudden lands ten tide de priseringe geweest zijnde een bos van sware en grote bomen. Dog
tegenswoordig voor een groot gedeelte nog woest leggende. Schulte van Emmen en Odoorn,
C.W.Emmen 1741"
Uit het document blijkt een uitbreiding van de es van Emmen en Westenesch met 48 mudden
land, ongeveer 13 ha op een totaal van 246 ha (zie tabel) van deze dorpen. Noot: "uit
het waardeel gescheiden" wil zeggen dat een gedeelte van de ongescheiden markegronden
(in dit geval oude bosgrond) verdeeld werden onder markegenoten. Met "ten tide de priseringe"
werd de tijd van 1640 tot 1654 bedoeld.
Door het erfrecht zijn sommige percelen in de loop der eeuwen doorgedeeld. Vaker kwam het
voor dat percelen werden samengevoegd om een betere werkgrootte te verkrijgen. Bij het delen
van een bedrijf deelde men gewoonlijk het aantal percelen en niet de percelen zelf. Omdat
vergaande verdeling van het grondbezit of waardeel vaak ongewenst was, door de lagere
opbrengsten kwamen er veel ongehuwden voor.
Het Drents Landrecht van 1608 en 1614, derde boek artikel 16 vermeldt o.a. over het
erfrecht: "Erfgoet verblijft bij de soens ende stamme ende sijn
gehouden haere susteren aff te boelen, Welverstaende nochtans dat de Erffenisse ende dat
Erfgoet ende grondt bi de soons blijft ende bi de stamme ende niet bi de dochteren dewelcke
daer van ...etc....afgeboelt, afgecoft ende uithgehijlicht moegen worden ende....etc
".
Beziet men de eigenaren van de percelen in de verschillende blokken, dan blijkt dat de
meeste boeren wel één of meer percelen in zo'n blok hadden, maar niet steeds alle boeren in
alle blokken.
De perceelsgrootte varieerde. De lienstukken waren het kleinst met een grootte van 2-10
are. De gewone bouwlandpercelen varieerden van 10 are tot 1 ha. Het merendeel der percelen
had een grootte liggend tussen 25 en 50 are.
|
Oppervlakte van het in gebruik zijnde bouwland in 1654: |
| Emmen |
536 mud |
ongeveer 146 ha |
| Westenesch |
362 mud |
ongeveer 100 ha |
| Weerdinge |
333 mud |
ongeveer 91 ha |
| Noordbarge |
629 mud |
ongeveer 171 ha |
| Zuidbarge |
413 mud |
ongeveer 112,5 ha |
|
Schattingsprijzen van het in gebruik zijnde bouwland in 1654: |
| |
per mud |
per ha |
| Emmen |
50 car.gulden |
183.50 car.gulden |
| Westenesch |
50 car.gulden |
183.50 car.gulden |
| Weerdinge |
50 car.gulden |
183.50 car.gulden |
| Noordbarger es |
50 car.gulden |
183.50 car.gulden |
| De es tussen Noord en Zuidbarge |
40 car.gulden |
147.00 car.gulden |
|
Waarde van het in gebruik zijnde bouwland in 1654: |
| Emmen |
45.000 car.gulden |
| Westenesch |
45.000 car.gulden |
| Weerdinge |
16.650 car.gulden |
| Noordbarge |
44.470 car.gulden |
| Zuidbarge |
44.470 car.gulden |
|
|
|
Graslanden op de es:

|
|
|
|
Het grondschatting register van 1654 onderscheidt grasland in stroomland en bovenland.
Stroomland overstroomde 's winters in tegenstelling tot bovenland wat hoger lag en haar naam
aan de hoogteligging te danken heeft.
- Stroomland lag o.a. langs De Slener Stroom, De Runde en De (Barger)Beek.
- Bovenland was het overgangsgebied tussen stroomland en heidevelden. In latere jaren
stond het bekend als "bonte grond", een met een vegetatiemengsel van heide en grassen
begroeide grond. Bij de perceelsnamen werd vermeld of het bovenland dan wel stroomland
betrof, of dat de percelen "met het ene einde op de stroom strekken".
- In Weerdinge werd ook nog "hoylant" (met perceelsnamen) vermeld.
De grootte en de perceelsnamen, of het gebied van ligging der graslanden, waren aangegeven
met de bijbehorende eigenaren of gebruikers. Dit duidt op een verdeling met eigendom vóór 1640.
Deze perceelsnamen - meestal grote groepen van percelen - waren anno 1955 nog in gebruik. Dit
gaf de mogelijkheid de uitgestrektheid van het grasland globaal te bepalen alsmede de grenzen ervan.
De hoeveelheid grasland was beperkt. Het kwam alleen daar voor waar natuurlijke grasgroei
mogelijk was, dus zonder ingrijpen van de mens. Dit vormde een beperking voor het houden van
vee en dus voor de mestproductie. Dit was bepalend voor de oppervlakte bouwland. De heidevelden
gebruikte men om het tekort aan grasland aan te vullen. Het graslandbezit van de eigenaren was
sterk verspreid over het gehele gebied van hun marke. In 1640 was nog niet in alle marken de
verdeling van het grasland doorgevoerd zoals bijvoorbeeld in de marke van Odoorn. Hier hoorde
het grasland nog onder het "waardeel" (het aandeel in de onverdeelde en dus gezamenlijke
markegronden).
Uit de aanhef van de registers van Emmen van 1645 blijkt, dat de lijst bevat:
"Hooy, koe ende andere groenlanden onder die waardelen niet
begrepen". De opgave luidt in dagmaat - veerdels - halven. Uit de optelling blijkt,
dat halven gedeelten zijn van veerdels. De opgaven van 1654 zijn iets nauwkeuriger en luiden
in dagmaten en roeden, waarbij 1 dagmaat = 400 vierkante roeden. Bij het bouwland is reeds
aangegeven dat 1 mud land = 160 vierkante roeden = 27.2 are. Eén dagmaat is dus 68 are.
Door het ontbreken van kaarten van het grasland uit die tijd is vergelijking,
zoals bij het bouwland geschiedde, hier niet mogelijk. Zoals reeds vermeld
kunnen de perceelsnamen een aanduiding geven omtrent de uitgebreidheid der
graslanden. Men heeft geconstateerd, dat er van 1640 tot 1840 wel een aanzienlijke
uitbreiding van het grasland was, in tegenstelling met het bouwland, waar geen
uitbreiding van betekenis plaats vond.
In 1654 was de oppervlakte stroomland verminderd en het bovenland toegenomen, vergeleken
met 1645. Stroomland en bovenland grensden aan elkaar. Bovenland was goedkoper dan stroomland,
dus ook voor de belasting. Op deze wijze is die vermindering wel verklaarbaar.
De oppervlakte hooi-, koe- en groenlanden bij de verschillende dorpen in
gebruik in 1645 was als volgt:
| |
dagmaat |
veerdels |
halven |
ha |
| Emmen |
126 |
0 |
1/8 |
85.70 |
| Westenesch |
78 |
1 |
1/2 |
53.20 |
| Weerdinge |
62 |
1 |
0 |
42.40 |
| Noordbarge |
124 |
1 |
1/2 |
84.50 |
| Zuidbarge |
80 |
3 |
0 |
54.90 |
De perceelsgrootte van het grasland varieerde van 10 are tot 4.5 ha. Het
merendeel der percelen had een grootte tussen 0.50 ha en 1.50 ha. De
waarde van het grasland in markeverband was in 1654 als volgt geschat:
- Weerdinge 11.160 car.gulden.
- Emmen en Westenesch 38.700 car.gulden.
- Noord en Zuidbarge 41.000 car.gulden
Het kwaliteitsverschil der gronden kwam tot uitdrukking in de schattingsprijzen:
| Emmen en Westenesch |
| Stroomland |
220 car.gulden per dagmaat |
330 car.gulden per ha |
| Bovenland |
150 car.gulden per dagmaat |
225 car.gulden per ha |
| Runde |
150 car.gulden per dagmaat |
225 car.gulden per ha |
| Koeweyde |
100 car.gulden per dagmaat |
150 car.gulden per ha |
| Barger marke |
| Stroomland |
220 car.gulden per dagmaat |
330 car.gulden per ha |
| Bovenland |
80 car.gulden per dagmaat |
270 car.gulden per ha |
| Runde en beek |
150 car.gulden per dagmaat |
225 car.gulden per ha |
Noortmae (de naam van een weidegebied) |
150 car.gulden per dagmaat |
225 car.gulden per ha |
| Koeweyde |
100 car.gulden per dagmaat |
150 car.gulden per ha |
| Weerdinge |
| "Hoylant" |
180 car.gulden per dagmaat |
270 car.gulden per ha |
Koeweyde kwam op verschillende plaatsen voor. Het was grasland van de slechtste
kwaliteit.
Niet steeds werd het aantal dagmaten en roeden koeweyde nauwkeurig opgegeven, soms alleen
1 koeweyde van 100 gulden. Tiesing (2) vermeldt, dat 1 koeweyde niet altijd
oppervlaktemaat is, maar de hoeveelheid die nodig was om 1 koe gedurende een zomer voedsel te
verschaffen. Door plassen, struikgewas en andere bosschages kan de oppervlakte dus nog wel eens
verschillend zijn. Ook speelt in dit geval de grasgroei een rol. Bij de scheiding van de
Bargermarke in de 19e eeuw gebruikte men ook koeweyden, zijnde 1 koeweyde = 1/32 deel van één
vol waardeel. De grootte van een koeweyde wisselde, al naar de grootte van het blok, dat
verdeeld werd.
|
|
|
Marke, markegronden en waardeel:

|
|
|
|
De geringe bevolking kon oorspronkelijk in zijn behoeften voorzien door wat de natuur
opleverde. Jacht en visserij waren hoofdbronnen van bestaan. Door bevolkingstoename en
vermindering van de wildstand etc, werd landbouw en veeteelt noodzakelijk, aanvankelijk als
aanvulling, later hoofdzaak. Voor landbouw moest men echter bemesten en had men gewassen
nodig die op een schrale zandbodem wilden groeien. Dit gewas was vooral rogge.
Aanvankelijk kon de schaarse bevolking op de gronden buiten hun bouwlanden
zoveel schapen en vee houden als men nodig oordeelde voor de behoeften van het
bouwland. Eveneens had men aanvankelijk genoeg hout voor huizenbouw en
brandstof. Toename van de bevolking bracht echter uitbreiding van bouwlanden mee.
Dientengevolge was er een grotere mestbehoefte en dus een grotere veestapel
nodig. Ook het houtverbruik nam toe.
Men moest tenslotte met naburige dorpen tot overeenstemming komen - al dan niet na
veel strijd - tot hoeverre iedere buurschap de woeste gronden zou mogen gebruiken. Bij zo'n
overeenkomst ontstonden toen de markegrenzen en de marke. De boeren van een buurschap dienden
verder rechten en plichten vast te stellen. Men kon immers niet voortgaan dat ieder op eigen
wijze onbeperkt het aantal schapen en rundvee vermeerderde, plaggen ging steken of hout
gebruiken, daar dit de gronden zou doen veranderen in zandverstuivingen.
Zo ontstonden de zogenoemde waardelen. Men bepaalde ieders rechten op de gezamenlijke
woeste gronden, door bepalingen aan dit waardeel of aandeel te verbinden. Bepalingen die o.a.
inhielden hoeveel paarden, koeien, schapen men zou mogen houden, hoeveel plaggen men zou mogen
steken en hoeveel hout men zou mogen gebruiken, "ende so na
advenant", rekening houdende met de grootte van ieders waardeel. Men moest een
maatstaf hebben tot hoever een gerechtigde gebruik kon maken van de ongescheiden gronden.
Deze regelingen kan men in de boerwillekeuren terugvinden. Boerwillekeuren of
markerechten zijn te beschouwen als verordeningen, die allerlei regelingen bevatten,
betreffende de es, de buurschap en het gebruik van de markegronden. De tot heden bewaard
gebleven markerechten zijn gepubliceerd in de Verslagen en Mededelingen van het
Oud-Vaderlandse Recht, deel VI.
Uit praktische overwegingen verdeelde men de woeste gronden niet. Zonder verdeling kon
men de schapen (en het vee) door één herder gezamenlijk laten hoeden. Ging men de gronden
verdelen, dan zou iedere gerechtigde op zijn eigen gedeelte schapen moeten hoeden.
Linthorst Homan noemt in zijn boek "Geschiedenis van Drenthe" (blz72) de poging
van de Bisschop van Utrecht (13e eeuw) om de hoforganisatie in te voeren en daardoor
politiek en economisch meer vat op Drenthe te krijgen o.a. als één der oorzaken van het
ontstaan der marken in Drenthe. De bevolking zou gereageerd hebben met het vormen van marken,
om de woeste gronden in bezit te kunnen nemen, mogelijk onder leiding van edelen of pastoors
en onder invloed van wat elders reeds was tot stand gekomen. Het feit, dat ook de kerk steeds
in het bezit was van waardeel, houdt de mogelijkheid in, dat ook zij een rol heeft gespeeld
bij het ontstaan der markegenootschappen. De stichting van de voornaamste kerken in Drenthe
vond in dezelfde eeuwen plaats.
De marke van Emmen en Westenesch telde 24 waardelen, Noord en Zuidbarge 25 en
Weerdinge 10 waardelen.
De in de marke gelegen kerk bezat gewoonlijk ook een vol waardeel, opdat de pastoor, later
predikant, met een volledige boerenbeslag in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.
De hoeveelheid bouwland varieerde tot 45 mud (12 ha). De meeste bedrijven zo'n 30 mud (8 ha).
Dit was nodig, om voor een vol erf te kunnen doorgaan. Men had echter ook stemrecht, als
men 1/4 waardeel bezat.
De hoeveelheid grasland wisselde sterker. De grootste bedrijven hadden 10 tot 12 dagmaat
grasland (7 tot 8 ha). Het merendeel der bedrijven had een hoeveelheid grasland ter beschikking
variërend van 1/2-2/3 van de hoeveelheid bouwland, tot ongeveer 5 ha dus. De boeren hadden
dus een tekort aan grasland. Schapenteelt op de heiden moest uitkomst brengen om in het
meststoffentekort enigermate te voorzien.
In 1654 werd een vol waardeel voor deze marken geschat op respectievelijk 1800, 2000 en
2400 caroli-guldens. Van een vijftal erven te Weerdinge was echter 1/3 deel van het waardeel
verpacht aan Roswinkel, zodat het waardeel dat deze erven in gebruik hadden voor 1600 gulden
"gepriseert" was. Het totale waardeel (ongescheiden woeste
gronden) werd aldus vastgesteld:
- Emmen en Westenesch: 24x1800 = 43.200 car.gulden
- Noord en Zuidbarge: 25x2000 = 50.000 car.gulden
- Weerdinge: 10x2400 = 24.000 car.gulden, verminderd met wat de 5 erven verpacht hadden.
De prijs van de waardelen hing onder meer af van de volgende factoren:
- oppervlakte van de gezamenlijke gronden
- aantal waardelen, waarin de marke was verdeeld
- kwaliteit van de markegronden (groenland, bossen, venen en/of heide)
- aantal gegadigden naar waardeel
In 1654 was de globale verdeling van het waardeel in het carspel Emmen als volgt:
In Emmen waren 22 personen met waardeel, variërend van 1/8 tot 3 volle waardelen. Men
moest minstens 1/4 waardeel bezitten om stemrecht te hebben in de markevergadering en
in de (provinciale) landdagen. 11 personen hadden 1 vol waardeel of meer, waaronder de
schulte met 3 volle waardelen.
In Westenesch waren 12 personen met waardeel, variërend van 1/4 tot 1 1/2. Drie personen
hadden 1 vol waardeel of meer.
In Noordbarge waren 20 personen met waardeel, variërend van 1/4 tot 1 1/4.
Negen personen hadden 1 vol waardeel of meer.
In Zuidbarge waren 14 personen met waardeel, allen minder dan 1 vol waardeel.
In Weerdinge hadden 11 personen waardeel in gebruik, variërend van 1/4 tot 1 1/2 waardeel.
Zes personen met 1 vol waardeel of meer.
Vergelijkt men de waardeel verdeling van 1654 met 1642 dan ziet men geringe verschillen
van 1/2 of 1/4 waardeel waaruit blijkt dat er wel eens 1/4 waardeel overgedragen werd van
de ene persoon aan de andere. Verkoop van waardelen aan personen buiten de marke werd zoveel
mogelijk tegengegaan, maar was wel mogelijk, als er binnen de marke geen liefhebbers voor
waren. Verder bestond de mogelijkheid, om waardeel te pachten van andere boeren.
Er waren personen die van de markegenoten het recht verkregen hadden in beperkte mate van de
markegronden gebruik te mogen maken, zonder dat ze in het bezit waren van waardeel. In
verschillende marken hadden 5 à 6 keuters de gebruiksrechten samen overeenkomend met 1 vol
waardeel of 1 volle drift. Boven het aantal vastgestelde waardelen kwamen dus nog de
keuterdriften ten laste van de ongescheiden gronden. In 1654 was een "keuterij opslach"
te Emmen 400 gulden waard, met de vermelding: "Moet daervan aende bueren betalen".
Er moest dus een pachtsom opgebracht worden. In 1654 was het aantal keuteropslagen sterk
verminderd vergeleken met 1642. In de loop der 17e eeuw zijn de rechten dezer keuteropslagen en
het pachten van waardeel door keuters in vele marken weer beperkt of ingetrokken.
|
|
|
Behuizingen in 1645

|
|
|
Voorbeeld van vakwerk met leem bestreken.
Deze boerderij stond aan het Noordeind.
De gebinten van oude boerderijen waren van zware eiken stammen en de wanden waren een
vakwerk. In een raam van eikenhout met spijlen zat het "wand".
Dit was een met leem bestreken vlechtwerk van om de spijlen gevlochten stro. In enkele
oude boerde rijen kan men nog de sporen van deze bouwwijze bij de binnenmuren vinden.
Mede door het slinken van de houtvoorraad is het vakwerk meer en meer door baksteen vervangen.
Plattegrond zoals een boerderij eruit zou hebben kunnen zien. De afstand
der gebinten onderling werd niet genoemd. Uit maten van oude boerderijen uit de 18e
eeuw blijkt dat dit gemiddeld op 3 meter mag worden gesteld. Per gebint kon men 2-3
stuks groot vee plaatsen en 3-4 kleinere. Daarnaast had men dan nog schuren van kleinere
afmetingen voor de schapen en als hooiberging.
De korenoogst werd "op de balken" geborgen. Bij deze boerderijen was ongeveer 30-45
mud (8-12 ha) bouwland in gebruik.
|
Het grootste gedeelte van het carspel Emmen bestond hoogveen en was vrijwel onbewoonbaar.
De dorpen lagen langs de hellingen van de Hondsrug. Alleen het zandgedeelte was geschikt
voor het stichten van nederzettingen. De boerenhuizen in de dorpen lagen betrekkelijk willekeurig
en dicht bijeen rondom een brink.
Boerderijen werden vrijwel geheel uit hout gebouwd. Steen of baksteen werd
aanvankelijk alleen voor de haardstede gebruikt. In latere eeuwen ook voor het voorhuis.
Volgens de Tegenwoordige Staat van Drenthe uit 1795 kwamen er in veel dorpen geen bakstenen
boerderijen voor.
In Emmen werd in 1645 "een stuinen huis"
vermeld. In de meeste dorpen was de kerk of de toren het enige stenen gebouw.
Boerderijen werden in 1645 opgegeven naar het aantal gebinten en het aantal
"voeten widt". Voorbeelden:
- (Naam van het erf) 11 gebint, 25 voet widt, de schure 4 gebint, 21 voet widt.
- Een oldt schaepschot 4 gebint 11 voet widt.
- Een backhuis 3 gebint 12 voet widt.
- Een torfschure 2 gebindt 10 voeten widt.
Er waren boerderijen, die een apart veehuis hadden van 3-5 gebinten en 11-16 voeten
breedte.
Drie personen in Emmen hadden tevens een brouwhuis van 4 gebinten en 15-18
voeten breed. Verder kwamen nog spickers voor met ongeveer dezelfde maten
als back- en brouwhuizen.
In ieder dorp kwam een schepershuis voor. Het aantal gebinten varieerde van 4
tot 5 en 15-16 voeten breed.
De grootste boerenbehuizingen in het carspel Emmen telden 11 gebinten en 28 voeten breed.
|
|
|
Aantal huizen in 1645

|
|
|
|
Het aantal huizen (huisjes) in 1645 in Emmen, welke in de registers voorkomen, is als volgt:
- Emmen: 38 huizen en 1 huisje "arm". 8 huizen bestonden uit 10 gebinten of meer, Lippinge-
en Hunningehoff zonder huis en nog een woeste hof, waarvan de naam niet wordt genoemd.
- Angelsloo: 1 huis met 11 gebinten.
- Den Oever: 1 huis met 10 gebinten.
Uit aanvullende registers uit de 18e eeuw blijkt, dat er wel nieuwe huizen zijn gebouwd,
maar dat daarentegen vele oude huizen werden afgebroken. De gebinten van deze oude huizen
werden bij de nieuwe bouw weer gebruikt. Ook is gebleken dat gebinten werden verkocht naar
andere dorpen. Van een vermeerdering van het aantal huizen was slechts in geringe mate
sprake.
In totaal waren er in het carspel Emmen ruim 100 huizen, groot en klein. Vermenigvuldigt
met 5 à 6, geeft een bevolking van 500 à 600 zielen. Volgens de Tegenwoordige Staat van
Drenthe telde de Gemeente Emmen in 1796: 1280 bewoners, inclusief Roswinkel. In 1645 telde
Roswinkel 48 huizen, groot en klein. Voor 1645 komt men dan voor de gemeente Emmen op 750
tot 900 bewoners.
|
|
|
Grondschattingen

|
|
|
|
Uit grondschatting registers kunnen gedetailleerde gegevens over de economische toestand
in de 17e eeuw worden gehaald.
Als gevolg van de grondschattingen werden vele bezwaarschriften ingediend bij Drost en
Gedeputeerden. Ingezetenen of hele buurtschappen waren van mening, dat hun gronden of huizen
veel te hoog geschat waren voor de belastingen.
Ingezetenen van Emmen en Westenesch waren van mening, dat hun landerijen en waardeel
te hoog "geastimeert" (lees: vastgesteld) waren.
Het land aan De Runde wilden ze verlaagd zien tot 25 car. gulden per dachwerck
"ende dat ten Respecte, dat men het naulyx omme het darde ofte
veerde Jaer kan winnen als synde in een seer vuill Vene gelegen, 't welcke niet dan bij groete
droechten kan gebruecket worden". Alleen in droge zomers is het blijkbaar bereikbaar.
"Die Ingesetenen van Suet ende Noertbargen verklaren dat sij oerdelen
dat haere Wardielen nae die Wardije ende nae de hoegeste toep daervan oijt gewest sijnde bij
openbaere Uitmijninge behoeren gestelt te worden op twalff hondert Caroly-gulden".
Het is later op tweeduizend vastgesteld.
Uit een nog iets later bezwaarschrift van Emmen en Westenesch: ".....die kleinheit
ende mede de onvruchtbaerheit van haere
groenlanden, ende dat sij hebben haere marcke gescheiden in achte parten waervan een yder part
naulyx Vertich dachmaet groet is. Waarvann oock een seer groot deell bestaande is uit heitland
ende dorre onvruchtbaere hoechten, jae ten dele mit buschen hulten ende bulten beloepen. Item
dat haer holt seer weinich is ende haere venen vuill ende onvruchtbaerheit". ".....dat haere
Hoylanden doorgaens seer slecht ende onvruchtbaer sijn .....". De buurtschappen
boden "eene oculare inspectie ende besichtinge ter gelegene
tijd" aan H.H.Ridderschap en Eigenerfden aan. Aan de betrouwbaarheid van de gegevens
valt dan ook weinig te twijfelen.
In het Drents Plakkaatboek no.464 staat een Besluit van Ridderschap en Eigenerfden tot
heffing - naast andere belastingen - van een grondschatting, gedagtekend 16 februari 1630.
- 3 volle ommeslagen
- Grontschattinge, coemende op den driehondertsten penninck.
De ommeslag was een schatting, welke van de bezaaide landerijen werd gevorderd. Volgens de
Tegenwoordige Staat van Drenthe (I, blz. 89), werd van iedere mudde land, 160 vierkante roeden
groot, jaarlijks in ieder paaij omslagen 3 stuivers betaald en werden er toen (in 1795 sedert
enige jaren) drie zodanige paaijen uitgeschreven (11).
In de registers van 1654 komen de bedragen voor van het bezit in de dorpen. De belastingen
werden kerspelgewijs geïnd. Het kerspel werd voor een bedrag aangeslagen en de inwoners moesten
zelf de lasten maar verdelen. Uit aanvullende registers uit de 18e eeuw blijkt dat men niet
alle bezitsveranderingen van personen heeft genoteerd, maar slechts de bezitsvermeerderingen
per dorp of kerspel. Pachters betaalden 1/3 van de belasting, waarvoor hun gepachte boerderij
was geschat. De eigenaar van het verpachte nam 2/3 voor zijn rekening.
| 't Carspel Emmen. |
| |
car. gulden |
stuivers |
penningen |
| Emmen |
91833 |
8 |
8 |
| Westenesch |
56191 |
8 |
8 |
| Weerdinge |
51999 |
4 |
0 |
| Noortberge |
93678 |
13 |
0 |
| Suitberge |
52133 |
12 |
8 |
| Somma totalis |
345836 |
6 |
8 |
" 't gehele Carspel Emmen is geestimeerd op 345836 - 6 - 8
daervan de 900e penninck ofte een paije Grontschatting d' somma van 384 - 5 - 4, zijnde alsoo
ijder paije grontschatting over 't gehele carspel d'sa van 384 - 5 - 4". Voor de
300e penninck dus 3 ommeslagen per jaar.
|
|
|
Beroepen rond 1650

|
|
|
|
Het kerspel Emmen bestond voornamelijk uit landbouwers met verspreid de noodzakelijke
ambachtslieden. Deze laatste waren hoofdzakelijk geconcentreerd in het kerkdorp Emmen. Alle
dorpen in het kerspel samen vormden een economische eenheid. Het kerspel was ingesteld op
volledige zelfvoorziening.
Emmen kende van 1642 tot 1654 de volgende beroepen:
- landbouwers waaronder veel kleinbedrijf
- 2 wevers
- 2 / 3 snijders
- 1 timmerman
- 1 smid
- 1 kuyper
- 1 schoemaker
- de schulte tevens eigenaar van de molen
- 1 prediker
- 1 schoolmeester - koster
- 1 soms 2 schepers
- 1 persoon met een vinkerij
- 3 personen met een brouwhuis
|
|
|
Bezittingen in 1654

|
|
|
|
In 1654 waren er in Emmen 39 gezinshoofden met vermogen, waaronder 2 pachters,
met elk nog een klein vermogen (daardoor dubbel vermeld). Verder kwam nog een eigenerfde voor,
die er iets bij pachtte. Ook waren de 2 vicaryen afzonderlijk opgenomen onder de vermogens.
De Nijemans vicary voor 62 gulden en de Campers vicary voor 933 gulden. In het register van
1645 werd 1 persoon als "arm" vermeld. Het bezit van de schulte bedroeg 11.491 gulden en
bovendien nog de molen ter waarde van 1500 gulden.
De vermogens waren opgebouwd uit: bouwland, groenland, waardeel, hofften, gaerdens, huizen,
brouwhuizen, backhuizen, schuren en een molen.
Vermogen per bezitter in 1654:
| vermogen (in car.gulden) |
aantal bezitters |
| tot 500 |
18 (waarvan 1 pachter) |
| 500-1000 |
7 |
| 1000-2000 |
4 |
| 2000-3000 |
2 |
| 3000-4000 |
3 |
| 4000-5000 |
3 |
| 5000-6000 |
6 (waarvan 1 pachter) |
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- "Het carspel Emmen omstreeks 1650" door Ir.R.W.Garming (Drentse Volksalmanak 1955 uitgave Koninklijke Van Gorcum te Assen)
Publicatie met toestemming van de heer Ir.R.W.Garming.
- Gerrie van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd)
- "Technisch Gemeenteblad". Officieel orgaan van hoofden van gemeentewerken, van de hinderwet en bouwtoezichtvereniging.
Uitgave 4 september 1958.
Literatuur:
- Drentsch Plakkaatboek no. 448, 464, 483
- C.H.Edelman: Harm Tiesing, Landbouwleven in oostelijk Drenthe
- Th.H.Engelbrecht: Uber die entstehung des Kulturroggens
- A.E.van Giffen: Opgravingen te Rhee, Nieuwe Drentse Volksalmanak 1938
- J.H.Gosses: De organisatie van bestuur en rechtspraak in de Landschap Drenthe
- Hoops: Waldbäume und Kulturpflanzen im Germanischen Altertum
- Mr.J.G.C.Joosting: Markerechten in Versl. en Med. van het Oudvaderlandsche Recht, deel VI
- H.Keuning: Nederzettingvormen in diluviaal Nederland; in tijdschrift voor econ. geografie (27) jaargang 1936
- G.Kuyper: Tafels ter herleiding van de oude landmaten enz. Groningen, 1823
- A.F.W.Lunsingh Meyer: De rechtspositie van de eigenerfden in Drenthe
- L.Oldenhuis Gratama: Een blik op de belastingen en den materielen toestand van 't Landschap Drenthe in 't begin der 17e eeuw. Drentse Volksalmanak 1849
- M.O.Oldenhuis Gratama: Het Landrecht van Drenthe van 1608
- F.N.Sickenga: Bijdrage tot de geschiedenis der belastingen in Nederland
- B.H.Slicher van Bath: Mensch en land in de Middeleeuwen
- W.C.H.Staring: Lijst voor binnen en buitenlandse maten, gewichten en munten, 2e druk 1885
- Statenarchieven: OSA 845, OSA 858. Grondschatting van Emmen. Drents Archief te Assen
|

|