dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

Geïnteresseerd in historie?
Wordt ook lid van de
Historische Vereniging
Zuidoost Drenthe.
Aanmelden >>

Nieuws over HE
Lees meer >>

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Enquête dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot


Historie: Emmen in de jaren 1000 t/m 1522: Omhoog


Inleiding: Omhoog

Met de Middeleeuwen wordt de tijdsperiode van 500-1500 na Christus bedoeld.

In de Middeleeuwen maakten de bisschoppen van Utrecht gedurende 500 jaar de dienst uit in Emmen. Deze bisschoppen hadden kerkelijke en wereldlijke macht. Deze periode, die duurde van 1024 tot 1522, is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen.

Zo werd in het jaar 918 Baldericus, die uit een rijk Betuws geslacht voortkwam, tot bisschop van Utrecht benoemd. In het jaar 950 ontving bisschop Baldericus goederen en grafelijke rechten van keizer Otto I van Duitsland. Eén van deze rechten bestond uit het jachtrecht op grootwild in het gebied waarin Emmen zich zou ontwikkelen. Deze grafelijke rechten gingen vervolgens over op nieuw benoemde bisschoppen.

In het jaar 1024 werd Drenthe, met toestemming van de bevolking, bij een giftbrief van 9 januari 1024, door de Duitse keizer Hendrik II aan de toenmalige bisschop Adelboldus van Utrecht geschonken. Dit betekende dat "de Oude Lantschap" Drenthe onder diens gezag kwam.

Om inkomsten te verkrijgen hieven de bisschoppen van Utrecht diverse vormen van belasting. Zo moesten de boeren "precariën", tienden en pachten aan de bisschop betalen. Een tiende was een historische belastingvorm die bestond uit het betalen van een tiende deel van de oogst, vee, etc. Ze werden opgeslagen in een zogenaamde spieker, een voorraadschuur. Het woord spieker is een verbastering van het Latijnse "spica" dat graan betekent. De voorraadschuur was een "spicarium". Als de bisschop Emmen bezocht verbruikte hij samen met zijn gevolg een groot deel van de in de spieker opgeslagen "belastingen".

In de Middeleeuwen werd door de bisschoppen uit Utrecht ook een soort belasting geheven op gebruik van woeste gronden, de "schuldmudde". Deze is alleen bekend bij nederzettingen die ouder zijn dan de 10e eeuw. Uit deze schuldmudde kan derhalve bewoning worden afgeleid. De schuldmudde had kunnen helpen de grootte van Emmen te bepalen, maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld Noordbarge en Weerdinge is het heffen van de schuldmudde in Emmen niet bekend. Een verklaring hiervoor is mogelijk omdat de rentmeester er als dorpsgenoot directe controle over had. Het bodemarchief en rentmeesterrekeningen geven hierover geen uitsluitsel. Daarom vermoeden geschiedkundigen dat Emmen zeker niet meer dan 10 hoeven had, tegen 24 aan het einde van de Middeleeuwen.


1139, de oudste vermelding: Omhoog

Foto Historisch Emmen oorkonde uit 1139
De oudste vermelding van Emmen uit 1139.

De bisschop van Utrecht bezat vele hoeven in Drenthe, ook in de omgeving waar Emmen zou ontstaan. Deze hoeven werden volgens Waterbolk beheerd vanuit een hof (Latijn: curtis).

Een hofstelsel bestond uit hoven of hofboerderijen en andere boerderijen en boerderijtjes. Het geheel was (meestal) een soort grotendeels zelfvoorziende leefgemeenschap met hofleiding en horigen. De boerderijen en boerderijtjes werden "bestuurd" vanuit de hofboerderij. In een latere tijd werden de boerderijen en boerderijtjes verpacht, maar werden in de hofboerderij wel de opbrengsten bijgehouden van de pachters.

In vrijwel alle hofboerderijen was een voorziening waar de bisschop kon overnachten. Ook moest de hof er zorg voor dragen dat het de bisschop en zijn gevolg aan niets ontbrak. Zo moest er bijvoorbeeld (veel) eten en drinken aanwezig zijn maar ook verzorging voor de paarden en uitrusting. De groep rond de bisschop wist er wel raad mee en nam het er goed van. De hof had vaak een timmerman, smid en andere ambachtslieden die net als de pachters hand en spandiensten of herendiensten moesten verlenen.

Ook Emmen bezat een hof waar de bisschop van Utrecht met zijn gevolg kon overnachten. Deze hof was kennelijk één van de oudste bisschoppelijke hoven in ons land. Er wordt zelfs gesuggereerd dat deze hof uit de tijd van Karel de Grote (768-814) zou kunnen stammen. Karel de Grote had zichzelf in het jaar 800 tot keizer uitgeroepen en had het ook rond Emmen voor het zeggen. Karel de Grote bezat, verspreid over z'n rijk, ook een groot aantal hoven. Juist omdat de hof in Emmen ouder is dan veel andere bisschoppelijke hoven in ons land zou deze hof van keizerlijke afkomst kunnen zijn.

De hof in Emmen komt in oude stukken afwisselend voor als "Hoofdhof", "Edele Hof", "Heerenhoff" en "Saalhof" en waarbij een "reken - en rentekamer" zou hebben behoord.

Het is overigens allerminst zeker dat de beschreven hof en de Saalhof op dezelfde plaats hebben gestaan of gelegen, hoewel Waterbolk in het boek Geschiedenis van Drenthe p.87 schrijft: "De bisschoppelijke hoven in Anloo en Emmen (de Zaalhof) zijn zonder opgravingen verloren gegaan." Cruciaal is de zinsnede "zonder opgravingen". Hiermee maakt hij duidelijk dat er geen overtuigend bewijs is dat Heerenhof en Saalhof één en hetzelfde is.

De Hoofdhof of Heerenhof in Emmen was de plaats waar eeuwenlang de tienden, pachten, huren, cijnsen en tijnsen, die op de gronden van dat landgrond rustten en ten behoeve van de bisschop of het bisdom werden geheven, werden opgebracht, aldus B.Lonsain in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak van 1927. Hij citeerde daarmee J.S.Magnin (Kerkelijke geschiedenis van Drenthe bladzijde 108). Hoewel de Heerenhof in deze streek als bergplaats van het in natura betaalde dienst deed werd het gebouw niet als spijker vermeld.

A.C.van Oorschot daarentegen vermeldt in "Geschiedenis van Emmen" (pagina 42) echter "Emmen bestond in de late Middeleeuwen waarschijnlijk uit 24 boerderijen, die in de oude dorpskern gestaan moeten hebben rondom de herenhof, een lemen spieker omgeven door een wal en gracht."

Aan deze nog niet plaatsbare bisschoppelijke hof heeft Emmen zijn ontstaan te danken.

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. De oudste oorkonde (nummer 27) waarin van deze hof te Emne (Emmen) sprake is, is een in de Latijnse taal gestelde brief van bisschop Andreas (1128-1139) uit het jaar 1139.

Bisschop Andreas wou de boerderij terug hebben die zijn voorganger Godebaldus aan de kerk te Oldenzaal had gegeven. In ruil daarvoor moesten zeven kerken jaarlijks aan Oldenzaal datgene betalen wat ze vermoedelijk voor die tijd ook aan Andreas betaalden.

"In nomine sancte et individue Trinitatis. Notum sit omnibus tam futuris quam praesentibus, qualiter ego Andreas, Dei gratia Trajectensis episcopus, dedi ecclesiae Oldenzalensi ad opus fratrum debitum altariorum, quod singulis annis presbyteri subscriptarum ecclesiarum in festo sancti Jacobi in Anloe solvunt pro concambio unius mansi in Emne, quem predecessor meus bone memorie dominus Godebaldus episcopus pro remedio anime Werneri dapiferi sui predictae ecclesie tradiderat."

"Volens igitur omne ratum esse, quod ipse pie fecit et ipsius saluti nostreque proficere, praefatum mansum, quem de curte nostra Emne acceperat, denariis prenominatis consilio fidelium meorum commutatum ab ecclesia redemi curtique restitui."

"Hee sunt ecclesie solventes hos denarios: Anloe solve octo untias, Bele octo untias, Vrees quatuor untias, Nurch duos solidos, Rothen duos solidos, Roterwolde duos solidos, Elde duos solidos."

"Ut autem hec nostra tradicio fratribus Oldensalensibus eorumque successoribus nunc et in posterum stabilis et inconvulsa permaneat, cartam hanc sigilli nostri impressione corroboratam in munimentum eis tradidimus. Acta sunt haec anno Dominice incarnacionis millesimo centesimo tricesimo nono, indictione quarta, anno primo regni Conradi secundi, episcopatus nostri undecimo."

"Hujus rei testes isti sunt: Hartbertus Majoris prepositus, Albero prepositus sancti Petri, Adelardus prepositus, Hugo prepositus sancte Marie, Lutbertus decanus sancti Martini, Arnoldus decanus, canonici; Simon, Leodricus, Henricus, liberi; comes Godefridus et frater suus Har-mannus, Franco de Deepnaham, Wernerus frater suus, ministeriales; Hugo de Honnorst, Fredericus scultetus, Otto de Runa, Bartoldus et Goswinus filius suus, Lidulphus de Oldenzeel et alii multi."

Getranscribeerd staat er:

"In naam van de heilige en ongedeelde drie-eenheid. Aan allen, nu zowel als in de toekomst, zij bekend dat ik, Andreas, bij de gratie Gods bisschop van Utrecht, aan de kerk te Oldenzaal, ten behoeve van de broeders die de zorg hebben voor de altaren, heb gegeven wat de priesters van de hieronder genoemde kerken jaarlijks op Sint Jacobsdag te Anloo betalen in ruil voor een boerderij te Emne, die mijn voorganger heer bisschop Godebaldus vromer nagedachtenis tot heil van de ziel van zijn hofmeester Wernerus aan voornoemde kerk had overgedragen."

"Willende dat al wat hij vromelijk gedaan heeft bekrachtigd zij en tot heil strekke van hem en van ons, heb ik voornoemde boerderij, die zij van onze hof te Emmen ontvangen had, op raad van mijn getrouwen, omgezet in de hierboven bedoelde geldsbedragen, van de kerk teruggekocht en aan de hof teruggegeven."

"Dit zijn de kerken, betalende deze bedragen: Anloo acht ons, Beilen acht ons, Vries vier ons, Norg twee schellingen, Roden twee schellingen, Roderwolde twee schellingen, Eelde twee schellingen."

"Opdat nu deze onze overdracht aan de Oldenzaalse broeders en hun opvolgers duurzaam en bestendig zij, hebben wij hun deze akte overgegeven, ter bevestiging bekrachtigd met de afdruk van ons zegel, gedaan in het elhonderdnegenendertigste jaar van de vleeswording onzer Heren, het eerste jaar van het koningschap van Pondadas de Tweede, het elfde jaar van ons bisschopsambt."

"Getuigen zijn de volgenden: Hartbertus proost van het Domkapittel, Albero proost van Sint Pieter, de proost Adelardus, Hugo proost van Sinte Marie, Lutbertus deken van Sint Maarten, de deken Arnoldus, kanunikken: Simon Leodricus, Henricus, vrije mannen's de ambtenaar Godetridus en zijn broeder Harmannus, Franco van Diepenheim, zijn broeder Wernerus, bisschoppelijke dienaren's Hugo van Honthorst, de schulte Fredericus, Otto van Ruinen, Bartoldus en zijn zoon, Goswinus, Lidulphus van Oldenzaal en vele anderen."

Volgens professor Slicher van Bath (die veel onderzoek naar het hofstelsel in Nederland heeft gedaan) is in Drenthe het hofstelsel juist laat ingevoerd en daarom niet goed tot ontwikkeling gekomen en al vrij gauw in verval geraakt. Daarom waren Drenten veel "vrijer" dan het volk in Overijssel waar nog zeer lang (soms tot ca. 1800) horigen waren. Boerderijen (en de hof soms ook) werden toen verpacht. Ambachtslieden werden in plaats van horig, vrije ondernemers alhoewel veel ambachtlieden een keuterij gepacht zullen hebben en zo in zekere mate toch weer "horig" werden.

Noot: In de Middeleeuwen werden belangrijke zaken in een zogenaamde oorkonde vastgelegd. Belangrijke zaken waren o.a. de verkoop van een boerderij of de betaling van de jaarlijkse pacht. Een oorkonde was in feite een schriftelijke vastlegging, vaak op perkamant, van een juridische handeling die rechtsgeldig werd door een waszegel. Veel oorkonden zijn vastgelegd in het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok.

Met Sint Jacobsdag [naar Ja(c/k)obus de Meerdere] wordt 25 juli bedoeld. Aan dezer dag zijn een groot aantal spreuken gewijd.


1229, Emmen in brand: Omhoog

De bisschoppen van Utrecht lieten zich niet tot weinig in Drenthe zien. Zij stelden drosten (landvoogden) aan die de zaken in het verre afgelegen Drenthe voor hen moesten regelen.

Eén van deze drosten was Rudolf III (1195-1229) van Coevorden die aldaar op het kasteel woonde. Coevorden was de toegangspoort tot het vrijwel ontoegankelijke moerassige Drenthe. Wie Coevorden bezat, bezat Drenthe. Het streven van Rudolf was onafhankelijkheid, dit geheel tegen de zin van bisschop Otto van der Lippe (Otto II).

Tussen Rudolf van Coevorden en Egbert van Groenenberg, een zetbaas van de bisschop, ontstonden problemen toen georganiseerde burgers, de Gelkingen, zich probeerden te ontworstelden aan de macht van Egbert, om de handel beter te laten floreren. Rudolf verjoeg Egbert van Groenenberg in eerste instantie, maar deze sloeg terug, waarna Rudolf een leger op de been wilde brengen.

Bisschop Otto van der Lippe besloot zich er persoonlijk mee te bemoeien en riep vele edelen en bewapenden bijeen. In 1227 kwam het bij Ane tot een uitbarsting waarbij de bisschop met een stoet van edelen, een groot ridderleger en veel voetvolk de heersers uit Coevorden tot orde wilde roepen. Het leger van drost Rudolf bestond uit een handvol mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards die liever tot de laatste druppel bloed wilden vechten, dan zich het bloed onder de nagels weg te laten halen.

De bisschop had niet op de gevaren van het veen gerekend. Gevaren die de bevolking beter kende dan wie dan ook. Paarden en geschut zakten weg in het veen. Het bisschoppelijke leger, meer dan 400 man sterk, werd verslagen en de bisschop kwam daarbij om het leven. In 1923 zijn bij het graven van het kanaal Coevorden - Ane onder andere een zwaard en een vechtnaald gevonden die jarenlang in de Oudheidkamer van Emmen waren te zien.

De geestelijkheid van Utrecht klaagde en jammerde, maar verkoos daarna Willebrand, bisschop van Paderborn, heer van de Herdenbergh (een slotstee waar Hardenberg naar is vernoemd), als opvolger. Hij moest de dood van Otto van der Lippe wreken. Willebrand trok in het jaar 1228 op zes verschillende plaatsen Drenthe binnen. Rudolf zag in dat hij hier niet tegen opgewassen was en gaf zich op 10 oktober 1228 over.

Vanuit Coevorden ging Willebrand richting Emmen. In 1229 werd Emmen, inclusief de kerk die Willehad ooit had laten bouwen, geheel platgebrand en verwoest. Bij deze dramatische gebeurtenis sneuvelden vermoedelijk ook de gebroeders Theodoor en Gerlach van Empne die op dat moment de pachters waren van 't Heerenhoff tot Empne.


Oorkonde uit 1313: Omhoog

Foto Historisch Emmen oorkonde 1313

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. In de oorkonde van 1313 (nummer 244) wordt vermeld: "meyeri in Emne" en "in marka Emne".

De hof te Emmen werd in 1313 in erfpacht gehouden door Henricus en Albertus, zonen van Gerardus en horigen der kerk te Utrecht. Op 7 augustus 1313 verklaarden zij de bisschoppelijk hof van de bisschop te hebben gepacht tezamen met de akkers, weilanden, hooilanden, venen en bossen, zowel ontgonnen als onontgonnen.

Zij verplichtten zich de bisschop, tezamen met een metgezel en twee paarden, viermaal per jaar onderdak te zullen verlenen.

Als huur voor het gebruik van de hof dienden zij 80 mud koren, enig hout, eikels en palingen betalen. (NDVA 1927)

Door deze verklaring uit 1313 zijn zij waarschijnlijk bij naam de oudst bekende "Emmenaren".

Als hofhorigen was het Henricus en Albertus verboden om zelf land in bezit te hebben of ander land te gebruiken dan dat van hun leenheer. (Mr.A.S. De Blécourt p.519) Het land mocht volgens B.Lonsain (NDVA 1927 p.73) wel worden gesplitst. Dat geschiedde kennelijk, want de rentmeester der domeingoederen spreekt later, behalve van 't Heerenhof, ook van een Mouwengoed te Emmen: "dat met het voorn. Herengoet offte hoff twijer broeder scheijdinge iss." De Heerenhof vormde kennelijk ooit een geheel met het Mouwengoed maar werd later gesplitst. Beide werden separaat verpacht, in kleine stukjes aan diverse lieden.

Later zijn hieraan administratief verschillende eigendommen toegevoegd en wel die gelegen te Noordbarge, Westenesch en Weerdinge. (NDVA 1927 p.73)

De oorkonde van 1313: "Universis, ad quos presentes littere pervenerint, nos, Henricus et Albertus, fratres, filii Gerardi, meyeri in Emne, servi ecclesie et . . episcopi Trajectensis, notum facimus in hiis scriptis, quod nos a domino nostro episcopo Trajectensi recepimus in conductione curtim suam in Emne cum omnibus agris, pascuis, pratis, paludibus, nemoribus, cultis et incultis, pro quadraginta modiis siliginis hyemalis, viginti modiis siliginis estivalis, viginti modiis avene, pro dimidietate omnium lignorum et glandium, que evenire poterint, et tribus stigis anguillarum , solvendis dicto domino nostro . . episcopo vel suo . . officiate annuatim, prout alii meyeri suis dominis in Drenthia solvere consueverunt. Item . . officiatum ejus una nocte cum uno socio cum duobus equis quater in anno sub nostris expensis hospitabimur. Agros eciam nostros proprios sitos in marka Emne infra sex annos a data presentium vendemus aut permutabimus extra illam markam, ne cum agris curtis eos permiscere possimus. Alioquin extunc omnes agri nostri habiti et habendi in marka Emne attinebunt curti predicte, negotia etiam domini nostri . . episcopi et suorum . . officiatorum promovebimus, prout hactenus est consuetum, edificia dicte curtis edificabimus et reparabimus. Et hec conductio est heriditaria, dummodo heredes nostri servilis conditionis existant . . ecclesie et . . episcopo Trajectensibus, et dictam curtim et bona predicta eidem attinentia in duas partes equaliter et non ultra dividere possumus. Et si nos vel heredes nostri quocunque casu contingente ipsam curtim colere noluerimus aut non potuerimus seu predicta annuatim non persolverimus, sepedicta curtis cum omnibus suis pertinenciis et edificiis libere et absolute ad dictum nostrum . . episcopum et suam ecclesiam divolvetur. In cujus rei testimonium sigillum Reynaldi de Covorde ac sigillum terre Drenthie presentibus litteris apponi rogavimus. Et nos, Reynoldus de Cove de et universitas terre Drenthie, ad preces predictorum Henrici et Alberti sigilla nostra presenitibus litteris duximus apponenda. Datum anno Domini MCCC tercio decimo feria tercia post beati Petri ad Vincula."


Oorkonde uit 1327: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. De oorkonde van 1327 (nummer 311) betreft een oorkonde "in vidimus" uit 1471 waarin wordt vermeld: "Bartoldus in Empne".

Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een oorkonde waarin de oorkonders een vanuit hun functie (bijvoorbeeld een bevoegde autoriteit) verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien. Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie. Een authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt.

In deze oorkonde doen vijf Drentse pastoors uitspraak in een geschil tussen ingezetenen van Weerdinge en "den proost" en het klooster van Schildwolde:

"Nos Bartoldus in Empne, Fredericus in Rotlo, Johannes in Borghere, Remboldus in Oderen, Rodolphus in Gheyten, ecclesiarum rectores ad universorum presencium et futurorum noticiam cupimus pervenire lucide protestando, quod causam, quam cives de Weerdighen moverunt domino preposito et conventui de Schildwolde super palude, sita in marka de Werdighen juxta Roeswinkel, in nos compromissam, terminavimus in hunc modum, quod prepositus et conventus predicti pro palude a ponte, posito super fluvium Ruetna, linealiter usque in medium versus fluvium Musla usque ad justum terminum marke de Weerdighen et domus in Hare CVI marcas Osnabrugenses integraliter persolverunt et solvent civibus predictis in perpetuum annuatim in die Philippi et Jacobi apostolorum beatorum pro pacto sub pena dupli in villa Weerdighen tres solidos brunorum sterlingorum vel pecuniam his equivalentem. Quod si neglectum fuerit, cives predicti in eadem palude sine contradictione, molestacione, defensione et actione prepositi et conventus predictorum tres solidos sterlingorum in duplo expandabunt, civesque predicti dominum prepositum et conventum predictos indempnes secundum consuetudinem terre Trentye in eadem palude conservabunt propriisque defendent laboribus et expensis. In quorum omnium testimonium et perpetuum munimen presens scriptum inde confectum sigilli terre Trentye una cum sigillis nostris est munitum. Datum anno Domini MCCCXXVII die Processi et Martiniani martirum beatorum. Superscriptionem notitiam approbamus. Datum ut supra."


Oorkonde uit 1362: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. In de oorkonde van 1362 (nummer 513) worden vermeld:
  • Alckinchhuus tot Waerdingh.
  • Hummeldinckhuus tot Empne.
  • Alckinchuus tot Westenesche.

In deze oorkonde keuren Arnout Huus, Lamme, zijn vrouw en Wibbe en de weduwe van Wermoldts van Gasselt, de stichting goed van een vicarie in de kerk aldaar, en de ten behoeve daarvan door wijlen Wermoldts gemaakte beschikkingen: "Wy, Arnout Huus, Lamme, mijn trouwe wijff, ende Wibbe, wedwe Wermoldts van Gasselt, daer Godt die ziel af hebben moet, maken condt ende kennelijck allen luyden, die desen brieff sullen sien off horen lesen, dat Wermoldt van Gasselt voirn.

Gegeven hevet ende gaf met gesonden lieve ende met vrien wille in rechten testament ende om zalicheydt syne ziele ende alle syne vriende, die recht lohn daeraf hebben sullen, ende wy mede volgen, des die daer rechte erffgenahmen toe sijn, in der kercken toe Gasselt tot een outare, dat geconsecreert is in sijnte Nicolaes ehren ende sijnte Catharynen, vertich mudde sades Groninger mate, welek en doerende, ende des voorseyden sades zijn dartich mudde roggen en tien mudden haveren moltes tot eens priesteren behoeff, die daermede gerhentet zy ende daerom sal missen doen ende bidden voor dieghene, daer hy recht schuldich is voor te bidden.

Ende dese voorseyde renthen sijn gelegen: int erve Oversmeedinchuus to Wune twaelff mudde roggen ende twee mudde moltes; item acht mudde moltes over drie acker landes tot Gasselt, ende die soeven mudde leggen over die twee acker, die geheten sijn die Bergacker, ende die ander hetet Opperlapsate; ende dat achte mudde moltes leget op eenen acker van Tebinckhuus; item op Alckinchuus tot Waerdingh soeven mudde roggen; item op Alberthuus tot Zweberghen vier mudde roggen item op Hummeldinckhuus tot Empne vijff mudde roggen; item op Alckinchuus tot Westenesche twee mudde rogge. Item eene hoffstede tot Gasselt. Item so is daertoe gegheven alsoeveele erves tot Gasselt, dat wel doen magh jaerlix tien mudde roggen. En want Wermolt, daer Godt die ziel af hebben moet, voerschreven dese voirn. renthen en goede besproken ende gegeven heft, so doen wy, Arnout, Lamme ende Wibbe, erffname Wermoldt voorseydt, onssen consent daertoe ende onssen vryen willen, welcken daermede voor ons ende onssen naecommelinge, behoudelijck ons ende onssen naecommelinge die giffte des voors. outaers. Ende opdat dit vast ende stede blyve, so heb ick, Arnout Huus voirn., mynen segell aen desen brieff gedaen. Ende wy, Lamme ende Wibbe voers., oirconden ende getuygen ende volgen met onssen vryen willen ende consent alle voors. saken, also als zy geschreven sijn, ende tuygen dat onder Arnout Huus segell voorseydt, want wy selve gheene segelen hebben. Gegeven int jaer onses Heeren duysendt dryhondert twee ende sestich des vijften daghes in May."


Oorkonde uit 1374: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. In de oorkonde van 1374 (nummer 620) wordt op de vierde regel vermeld: "et Albertum, custodem in Emne". ("en Albertum, beschermheer in Emne")

Foto Historisch Emmen oorkonde 1374


Oorkonde uit 1376: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne. In de oorkonde van 1376 (nummer 641) wordt vermeld: "unde in en tot Empne".

In deze oorkonde worden de volgende erven genoemd die in het kerspel Emmen lagen:

  • Smedinghehuys.
  • Scultingheshuys.

Ich, Johan, heer van Runen, ridder, bekenne dat in dessen openen brieve, dat ich mit mynen gueden vrien willen unde met volboert mijnre rechter erfghenamen hebbe vercoeft drie unde veertichstehalf Groninc mudde rogghen unde een half scat rogghen gulden jaerlikes pachtes, alle jaer te boeren unde te betalen alse een lantrechte is in Drenthe, unde my anghecomen sijn van dode Ecbertes van Peyse, heren Ecbertes soen, den God ghenedich sij, alse over Smedinghehuys tyen Groninc mudde rogghen unde over Scultingheshuys vyef Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe unde in en kerspel tot Empne, unde voert over Bebingheguet ses Groninc mudde rogghen, over Wemeringhehuys eens halven scat min dan een Groninc mudde rogghen, over Hoevyngheguet vyef Groninc mudde rogghen unde een verendeel rogghen, over Alferdingheguet ses Groninc mudde rogghen, over Tammyngheguet IIII Groninc mudde rogghen, over Ubbekingheguet drie Groninc mudde rogghen unde over Dillingheguet derdehalf Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe tot Exle unde in den kerspel van Oderen, um een summe van ghelde, de my witteliken unde wal betalet is, Johanne Vos van Stenwijch, Arnde Huys unde horen rechten erfghenamen te besittene unde te bruyken erfliken unde ummermeer, voer my unde voer mijnen rechten erfghenamen. Welke mudde vorg. wy hem upghelaten hebben unde daervan verteghen hebben erfliken unde ummermeer unde legheden hem daervan den stoc under den bueren tot Empne unde tot Exle, daer desse vorg. mudde gheleghen sijn, alse een lantrecht is in Drenthe, unde soelen hem derre waren erfliken voer my, voer mynen rechten erfghenamen unde voer alle deghene, de des to rechte comen willen to rechten Drentschen lantrecht, sunder yenegherhande arghelijst. In orcunde unde rechten tughe desser dinch soe heb ich, Johan, heer van Runen vors. mijn seghel an dessen brieve ghehanghen voer my unde voer mynen rechten erfghe-namen vors. Ghegheven in den jaer unses Heren dusent driehundert ses unde tseventich up sunte Wolburghenavonde.


Leenmannenregister 1379-1384: Omhoog

Foto Historisch Emmen leenmannenregister 1379-1384
Leenmannenregister 1379-1384.
Collectie Brands.

In de late veertiende eeuw legden de Utrechtse bisschoppen registers aan van hun dienstmannen en de goederen en rechten die ze aan deze dienstmannen [leenmannen] hadden geleend. In ruil daarvoor moesten deze leenmannen bestuurlijke, rechterlijke of militaire taken verrichten. De leenman legde aan zijn leenheer een leeneed af waardoor hij zich verplichtte tot trouw aan zijn heer. De leenheer bood hem vervolgens bescherming en een leengoed als bron van inkomsten. Deze leengoederen werden al spoedig beschouwd als een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen.

Een leenman kon ook zelf weer als leenheer optreden door taken te delegeren en daarvoor goederen in leen te geven. De bisschop van Utrecht oefende o.a. de grafelijke macht in Drenthe uit als leenman van de Duitse koning. Daarnaast fungeerde hij als leenheer van de prefect van Groningen en de drost van Coevorden. Bovendien had hij een groot aantal van zijn goederen, rechten en andere inkomsten (de tienden) in Drenthe uitgegeven aan leenmannen.

In 1528 droeg de bisschop van Utrecht zijn landsheerlijke rechten over aan keizer Karel V.

Foto Historisch Emmen leenmannenregister 1379-1384

In het leenmannenregister van 1379-1384 wordt in het kerspel Emmen slechts één naam van een leenman vermeld: "Henric Germinghe hout Germynghehuys in der buerscap to Berghe in den kerspel van Empne".

In het kerspel Emmen, doch in het buurtschap Barge, bevond zich derhalve het:

  • Germynghehuys.

Schattingslijst uit 1450: Omhoog

De schattingslijst uit de 15e eeuw is een lijst waarop 700 "belasting betalende" Drenten voorkomen. De meningen verschillen over de datering van de lijst, maar varieert tussen de jaren 1430 en 1475. Deze lijst is door historici vergeleken met de ordelen [vonnis] van de etstoel uit de 15e eeuw. Zij dateren de lijst omstreeks 1450 met een marge van 20 tot 30 jaar.

In de lijst staan de namen van de bewoners/gebruikers van erven en de keuters. Volle erven werden aangeslagen voor twee schild, keuter voor één schild. Adellijken, pastorieën, kosterijen, e.d.ontbreken in de lijst omdat zij mogelijk waren vrijgesteld van het betalen der belasting. Ook arbeiders en zij die geen boerderij bewoonden en de daarbij horende grond gebruikten werden niet op de lijst opgenomen.

De belasting werd vrijwel zeker door de bisschop van Utrecht geheven. Het was geen persoonlijke belasting maar betrof een landschatting. Een eigenaar van "een vol erf" moest twee schild [een muntsoort ingevoerd in 1337] betalen. Een koter [keuter], met veel minder land, één schild.

Foto Historisch Emmen schattingslijst 1450

Emne [lijst met volle erven]
Item Rolof Wrensing 2s
Item Wyllem Brandinge 2s
Item Roloff Havynges 2s
Item Gert Lusinges 2s
Item Willem Nyen Rasing 2s
Item Willem Smeding 2s


Emne [lijst met keuters]
Item Lubbert Smyt 1s
Item Rolef Stuve 1s
Item Wolter Havync 1s
Item Ghert Scroder eyn 1s
Item Jan Stuve 1s
Item Rolef Hont 1s
Item Alpher van Schalchwijck 1s

Noot: De namen zijn zoveel mogelijk letterlijk weergegeven maar aan huidig gebruik aangepast.


Oorkonde uit 1471: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne.

In de oorkonde van 1471 wordt vermeld: "Bartoldus in Empne".

Deze oorkonde betreft een oorkonde "in vidimus" uit 1327.

Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een oorkonde waarin de oorkonders een vanuit hun functie (bijvoorbeeld een bevoegde autoriteit) verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien. Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie. Een authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt.


Het bestuur van Emmen: Omhoog

Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke benaming voor kerkgemeente of parochie en werd omstreeks de 16de eeuw ook gebruikt voor wat in 1811 de "burgerlijke gemeente" zou gaan heten. Bij de vorming van de Nederlandse gemeenten door Napoleon in 1811 werd in vele provincies het kerspel als eenheid voor gemeente gebruikt, waarbij de nieuwe gemeente één of meer kerspelen omvatte.

Gedurende het bisschoppelijk bestuur werd een schulte aangesteld door de bisschop. Na 1522 werden de schultes benoemd door Karel van Gelre die van 1522 tot 1536 over Drenthe heerste. Zijn opvolger, Karel V, stelde een stadhouder aan die toen de schultes benoemde.

Schultes van het kerspel Emmen tot 1522 waren o.a.:


1522, een nieuw tijdperk: Omhoog

In de bisschoppelijke tijd was er veel handel tussen het graafschap Bentheim, het sticht Munster en Groningen. Vooral Coevorden heeft van deze handel kunnen profiteren. De handel ging in stokvis, traan boter en kaas naar Bentheim en Musterland en in zandsteen, hout, rogge wol, ham, canvas en dergelijke in omgekeerde richting.

Hoge tolheffingen bij Coevorden, de verdere strijd tussen de drosten en bisschoppen, die klaagden dat de Drenten de bisschoppelijke belastingen niet wilden betalen en zich niet stoorden aan de rechten van de bisschop en goederen die de bisschop toebehoorden kochten en verkochten alsof het hun eigen goederen waren, belemmerden een verdere ontwikkeling.

Aan het einde van de 14e eeuw (1397) zag de toen heersende bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, kans het gezag weer enigszins te herstellen. De opmars en autonomie van Drenthe kon hij echter niet meer terugdraaien. Aan de sterk op rechten staande Drenten, waarvan gezegd wordt "dat het goede onderdanen maar slechte slaven zijn", moest de bisschop het behoud van de bestaande rechten waarborgen. Dit geschiedde middels het Drents Landrecht uit 1412.

De bisschoppen die Frederik van Blankenheim opvolgden lieten zich zelden in Drenthe zien en hun gezag brokkelde langzaam weer af.

In 1514 behoorde Drenthe nog tot het bisdom Utrecht, maar begon de invloed van Karel van Egmont, de hertog van Gelre, in de noordelijke provincies. Hij was te hulp geroepen door graaf Edzard van Oost Friesland die dit landsdeel verbonden had met George van Saksen, hertog van Saksen van 1500-1539. De hertog van Saksen wilde in 1514 zijn gezag ook uitoefenen in Groningen. De strijd van George van Saksen bezorgde de Friezen echter hoge kosten waardoor deze de hulp inriepen van Karel van Egmont. Deze vergrootte hiermee zijn invloed in het noorden ten koste van de bisschop van Utrecht, maar trad nog niet openlijk tegen hem op. Toen ook Zwolle de hulp van Karel van Egmont inriep, omdat de stad meende dat de bisschop de stad Kampen voortrok in een onderling geschil, rook de hertog zijn kans. Hij trok richting Zwolle waarbij, na een hevige strijd, op 12 september 1522 ook Coevorden werd ingenomen.

Frederick van Twickelo, de laatste drost in dienst van de bisschoppen, moest zijn ambt gedwongen afstaan aan Johan van Selbach die door Karel van Egmont, de nieuwe heerser over Drenthe, werd aangesteld.

Karel van Egmont, de hertog van Gelre werd in 1522 de nieuwe landsheer van Drenthe, en dus ook Emmen, waarmee het tijdperk van bisschoppen, dat van 1024 tot 1522 had geduurd, eindigde.


Bronvermelding: Omhoog

  • "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel I" door H.T.Buiskool.
  • "Jij bent een deel van de geschiedenis" door A.Geluk - Bleumink en J.Pool.
  • "Rondom de Heerenhof, historische balans van Emmen, een stad vol dorpen in het jaar 2000", door G.de Leeuw.
    Uitgeverij Drenthe, Beilen. ISBN 90-75115-29-6.
  • "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB, ISBN 90-228-3925-7.
  • "Geïllustreerde plaatsbeschrijving gemeente Emmen".
  • Historisch Centrum Overijssel, inv.nr. AAZ.01.1252.
  • Drents Genealogisch Jaarboek 1997, R.Alma p.62-77.
  • De geschiedenis van Drenthe p.87.
  • S.G.Hovenkamp.
  • T.Engelsman, Kroniek september 2009: Transport over water rond 1600, blz. 22, 1e kolom en noot 7.
  • Rentmeesterrekening der domeinen OSA 1777, 1598, 1650 en tussenliggende jaren.
  • Rentmeesterrekening van Renooy van 1550 (Drostenrekeningen, Drents Archief inv. 0023, item 41).
  • NDVA 1978 p.32. De Landschapserven in kaart gebracht.
  • DVA 1927
  • Leenmannen register 1379-1384, Collectie Brands.
  • De archieven van de kerspelen en marken, Mr.G.L.C.Joosting 1910.
  • Historisch Centrum Overijssel (inv.nr.AAZ.01.1252)
  • Oorkonden overgenomen van:
    • Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok. Collectie Brands.
    • www.cartago.nl. Copyright 2004 Stichting Digitaal Oorkondeboek Groningen en Drenthe (DOGD).

Free counter and web stats

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.