|
1630: Door Drentse Ridderschap en Eigenerfden werd bij plakkaat gesteld, dat elk
kerspel (dus ook in het kerspel Emmen) een school behoorde te bezitten en dat de onderwijzer
een basisinkomen van 100 Carolus gulden diende te hebben. Voor ieder kind vanaf 7 jaar moest
men 15 stuiver per jaar schoolgeld betalen (ook als het kind niet naar school ging)
totdat het kon lezen en schrijven en de geloofsbeginselen kende. Ook de 15 stuiver waren
inkomsten voor de onderwijzer. In deze tijd was de onderwijzer tevens koster en voorzanger
van de kerk. De scholen dienden zowel 's zomers als winters geopend te zijn. Men kan dit
zien als een verre voorloper van de leerplicht
1730: Door Ridderschap en Eigenerfden werd de "Kerkenorde der Landschap Drenthe"
vastgesteld. Elk kind van 8-12 jaar was nu verplicht een school te bezoeken. Het schoolgeld
bedroeg 1 Carolus gulden en 10 stuiver per jaar. De hoofdvakken waren nog steeds lezen,
schrijven en Godsdienst. Vreemd genoeg vond men het in Drenthe nog niet nodig ook rekenen te
onderwijzen, zoals de reglementen buiten Drenthe wél voorschreven. Pas na 1750 werd er rekenles
gegeven, als daar tenminste extra voor betaald werd. De school in het kerspel was het hele
jaar open. Was een buurtschap verder dan 15 minuten lopen van de kerspelschool verwijderd, dan
mocht er een bijschool komen. Voordeel hiervan was dat er geen geld aan de kerspelschool in
Emmen betaald hoefde te worden.
1750: De kerspel onderwijzer had rond 1750 een vaste baan met een vast inkomen.
Door de relatie kerk - onderwijzer woonde de kerspelonderwijzer in de kosterswoning, dit in
tegenstelling tot de onderwijzer in de buurtschappen. Deze laatste woonde vaak in bij ouders
van de leerlingen (en niet altijd gewenst, waardoor de buurtschap onderwijzer het veel
minder had). In de zomermaanden moest de buurtschaponderwijzer meehelpen met allerlei
werkzaamheden, gelijk de kinderen. Als kinderen van arme(re) ouders naar school gingen
(zeer uitzonderlijk) kreeg de meester een tegemoetkoming van de kerk. Deze bijschoolmeester
noemde wel een rondetende schoolmeester. De bijschool was veelal van november tot Pasen
geopend en werd de winterschool genoemd. In deze tijd was er kennelijk nog niet veel
waardering voor de onderwijzer: "Schoelmisters en klarken bint te lui om te warken
maor is't etenstied, bint zie't eerst gezeten".
Omdat de bijschoolonderwijzer vaak niet in officiële stukken werd genoemd en vaak geen
vaste verblijfplaats had, is er weinig bekend over de bijschool en de meester. Het kwam zelfs
voor dat één van de buurtschap boeren als bijbaantje bijschoolmeester had. Schoolbanken
ontbraken in die tijd nog. De kinderen gebruikten schrijfkisten die ze op hun knieën legden.
1798: Uit een onderwijsenquête in 1798 blijkt dat er drie betaalde onderwijzers in
de buurtschappen rond Emmen zijn geweest. In Emmen zelf was het Willem
Hendriks Gerri(t)s die aan gemiddeld 40 leerlingen per jaar les moet hebben gegeven. Ook
Roswinkel had een kerspelschool en dus een betaalde onderwijzer. Weerdinge en Zuidbarge lagen
meer dan een uur lopen van Emmen zodat die waarschijnlijk ook een winterschool kenden. Kinderen
uit Westenesch, Angelslo en Noordbarge zouden in Emmen naar school zijn gegaan omdat het
minder dan een kwartier gaans was.
1801: De algemene schoolwet van minister Van der Palm. O.a werden toen de
schoolopzieners aangesteld die toezicht op het onderwijs en de omstandigheden, waaronder het
onderwijs gegeven werd, moesten houden.
1803: De algemene schoolwet van minister Van der Palm werd herzien.
1806: De algemene schoolwet werd, door Van der Ende, wederom herzien. Deze wet
heeft tot 1857 bestaan. Deze wet wilde via het onderwijs de ontwikkeling tot alle
maatschappelijke en christelijke deugden voorstaan.
Vanaf 1805 was Cornelis
Pothoff (1766-1844) schoolopziener voor Emmen. Hij was eveneens
schulte van Emmen. In de functie van schoolopziener signaleerde hij in zijn beginperiode dat
de scholen vaak niet beter waren dan varkenshokken, opgetrokken uit houten staken, waartussen
stro gevlochten en aangesmeerd met leem. Kinderen zaten op boomstammen, de houtkachel
veroorzaakte roet, rook en stank waardoor de deur altijd open moest staan. Ook de onderwijzers
zelf kwamen er niet veel beter af. Hierbij moet wel worden aangetekend dat er in die tijd
zeker stenen scholen stonden en dat Pothoff het mogelijk te zwart wit heeft afgeschilderd.
Vermoedelijk om aan te geven dat het onder zijn opzienerschap allemaal veel beter was geworden.
In de onderwijswet van 1806 werd de opleiding van de onderwijzer niet geregeld. Pas na
1815 werden er door het rijk enkele kweekscholen gesticht. Tot die tijd waren het particuliere
initiatieven meestal met medewerking van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
In het begin van de 19e eeuw kende men ook "onderwijzersgezelschappen", waarin zich
onderwijzers verzamelden, om elkaar over de vernieuwingen te informeren. Tevens bracht men
elkaar theoretische en praktische kennis over onderwijs en opvoeding bij. Door meldingen van
Pothoff is van de omgeving Emmen bekend dat een dergelijk gezelschap in Sleen bijeen kwam, om
zich te oefenen in de manier van onderwijzen. Naast deze onderwijsgezelschappen kwam er ook een
Nederlands Onderwijs Gezelschap (NOG) die behoudens onderwijsaangelegenheden zich ook inzette
voor de financiële positie van de onderwijzer.
In de onderwijswet van 1806 werden rangen en onderwijsexamens voor onderwijzers ingesteld:
- Vierde rang: een meester moest tamelijk bedreven zijn in lezen, schrijven en
rekenen en blijk geven van "enige aanleg".
- Derde rang: een meester moest ervaren zijn in lezen, schrijven en rekenen, het
Nederlands goed kennen en goed onderwijs kunnen geven.
- Tweede rang: bij een meester mocht lezen, schrijven en rekenen geen problemen meer
geven.
Kennis van aardrijkskunde en geschiedenis, volledige beheersing van het
Nederlands, ervaring in het onderwijs en dus bekwaam.
- Eerste rang: als tweede rang met toevoeging van wis - en natuurkunde. En hij moest
bewezen hebben een ideale opvoeder der deugd te zijn, beschaafd en een goed verstand.
In de onderwijswet van 1806 werd gesteld dat de schoolopzieners samen een Commissie van
Onderwijs dienden te vormen binnen een departement. (Door Rutger Jan Schimmelpenninck kreeg
Drenthe in 1805 zijn zelfstandigheid als departement terug die het in de Franse tijd had verloren)
1807: Samen met de schoolopzieners maakte Mr.Petrus Hofstede, Landdrost en
Gouverneur van Drenthe, plannen om tot betere scholen te komen. In deze plannen stond o.a.:
- Een schoolgebouw moest minimaal 12 voet hoog zijn.
- Er moest minimaal 2 kubieke meter lucht voor elke leerling zijn.
- Een school voor 100 leerlingen moest 600 vierkante voeten groot zijn.
- De vloeren moesten van steen zijn en boven het maaiveld liggen (tegen modderplassen).
- Er moesten grote ramen met ventilatiemogelijkheid worden aangebracht.
- Er moest een behoorlijke stookplaats zijn en een aparte opslagplaats van turf.
Het hoofdelijk onderwijs ging plaats maken voor klassikaal onderwijs. De schoolopziener
bepaalde voor een groot deel de veranderende inventaris. Het schoolbord kwam voor de klas
te hangen waardoor de schrijftafels uit het systeem verdwenen.
1810: Leerstellig godsdienstonderwijs werd door de wet van 1806 verboden, hetgeen
inhield dat de kerken dit voortaan zelf moesten regelen. Er moesten dus andere boeken komen,
die geen directe relatie met geloof hadden. Dit gaf nogal problemen maar in 1810 kwam er een
lijst waaruit de scholen hun keuze moesten maken. Pas na de invoering van de schoolwet van
1857 kwam er een nieuwe boekenlijst.
1811: Het aantal leerlingen dat in Emmen de school bezocht: in de zomer 85, in de
winter 230.
1815: De koning stelde nieuwe provinciale commissies van onderwijs in. Deze
commissie dient o.a het verzoek in dat er een aantal landkaarten zouden komen: een wereldkaart,
een kaart van elk der werelddelen, een kaart van Nederland en een kaart van Drenthe. De
schoolopzieners kregen meer vrijheid en de winter - of bijscholen kwamen onder toezicht van
de kerspelschool. Tevens kwam een onderwijzer zonder rang niet meer in aanmerking voor een
baan op de bijschool. De schoolopziener stelde de onderwijzers aan.
1816: De opbrengst van de hoofdschool in Emmen bedroeg 281,05.
1817: Vanwege problemen met de oude schoolgeldregeling kwam er een eenvoudiger
regeling, waardoor iedereen vijf cent per week per leerling diende te betalen. Minvermogenden
betaalden slechts 2,5 cent en onvermogende mensen kregen vrijstelling.
1823:
- De opbrengst van de hoofdschool in Emmen bedroeg 292,-.
- Op 24 december 1823 besloten Gedeputeerde Staten dat de kerspelschool in Emmen als
een 1e klas school moest worden aangemerkt. Gevolg hiervan was o.a. dat er een meester
eerste rang moest komen.
1836: De opbrengst van de hoofdschool in Emmen bedroeg 372,66. Dit stak schril
af bij de meer dan 1000,- van Meppel.
1850: In de gemeente Emmen stonden 6 scholen. Emmen en Roswinkel hadden
hoofdscholen. Noord en Zuidbarge, Weerdinge en De Maten hadden een bijschool.
1854: Het aantal leerlingen dat in Emmen de school bezocht: in de zomer 326, in de winter 695.
1857: In 1857 werd de Wet op het Lager Onderwijs ingevoerd. Zingen werd een verplicht vak,
tezamen met lezen, schrijven, rekenen, beginselen van de vormleer, Nederlandse taal,
aardrijkskunde, geschiedenis en kennis der natuur. Totaal 9 vakken die voor elke school in
Nederland gold.
De wet verplichtte de gemeente een schoolregeling op te stellen, waarin vermeld moest
worden hoe het onderwijs in de gemeente geregeld werd. De gemeente Emmen stelde in 1860 zo'n
plan op waarin o.a. het volgende stond:
- Lestijden waren van half tien tot twaalf uur en van twee tot vier uur. (in de winter
was dat van half twee tot half vier i.v.m. de te lopen afstanden door de kinderen)
- het inkomen van de hoofden lag tussen 400,- voor Emmen, Roswinkel en
Noordbarge en 260,- voor Weerdinge. Een hulponderwijzer kreeg 275,- per jaar
en een kwekeling 25,- Het aantal leerlingen bepaalde vanaf die tijd of er
een hulponderwijzer werd aangesteld.
- De hoofdonderwijzers hadden een vrije woning met tuin.
- Per leerling kreeg het hoofd jaarlijks nog 1,- voor het aanschaffen en
onderhouden van leerboek, leien, griffels en inkt.
1857: In de gemeente Emmen stonden 7 scholen, gelegen in Emmen, Roswinkel, Noord
en Zuidbarge, Weerdinge, De Maten en een nieuwe school in Vastenow.
1865: Nieuw Amsterdam kreeg een eigen school.
1867: In Noordbarge werd de eerste niet openbare school gesticht.
1872: Barger Compascuum kreeg een eigen school.
1879: De wet van 1857 werd vervangen door de Wet tot regeling van het
Lager Onderwijs. Het "salaris" voor de leerkracht ging weer omhoog en
de gemeente diende bij te dragen in de kosten voor de opleiding van de
onderwijzer. Naast (vroegtijdig) in Assen en Meppel kende Emmen pas vanaf 1878
een opleidingsklas.
1880: Erica kreeg een eigen school.
1883: De Weerdingermarke kreeg een eigen school.
|