|
|
In de gemeente Emmen zijn in de loop der jaren enkele muntvondsten gedaan waarvan een
aantal vondsten hier nader worden beschreven.
Bij muntvondsten onderscheidt men losse vondsten (één of enkele, waarschijnlijk verloren
munten) en schatvondsten (meerdere tot soms vele honderden bewust verborgen munten).
In het onderstaande overzicht staan de schatvondsten die bekend zijn bij het Geldmuseum
te Utrecht, voorheen het Koninklijk Penningkabinet te Den Haag.
Wellicht zijn er nog meer vondsten gedaan, maar helaas worden niet alle vondsten openbaar.
| jaar |
vindplaats |
datering |
aantal |
metaal |
| 1870 |
Roswinkel |
820-890 |
144 |
zilver |
| 1 |
goud |
| 1871 |
Noordbarge |
820-860 |
372 |
zilver |
| 1875 |
Noordbarge |
1384-1404 |
2 |
zilver |
| 1915 |
E' Erfscheidenveen |
134-177 |
47 |
zilver |
| 1926 |
Emmen |
1656 |
1 |
goud |
| 4 |
zilver |
| 1936 |
Barger Oosterveen |
75-128 |
9 |
zilver |
| 1940 |
Noordbarge |
1621-1669 |
6 |
zilver |
| 1952 |
B' Compascuum |
64-189 |
312 |
zilver |
| 1981 |
Noordbarge |
- |
- |
- |
Opvallend is dat een aantal vondsten in het voormalige veengebied ten oosten van Emmen
zijn gedaan. De vondsten in Emmer Erfscheidenveen (1915), Barger Oosterveen (1936) en
Barger Compascuum (1952) betreft munten uit de Romeinse tijd. Hoewel de Romeinen nooit
boven de grote rivieren geweest schijnen te zijn, is het niet verwonderlijk dat het
Romeinse munten betreft. Andere munten waren in deze steek niet in omloop. De munten
kunnen zijn verborgen of verloren in het toen nog niet afgegraven veen.
De munten van de vondsten in Roswinkel (1870) en Noordbarge (1871) komen uit de
Karolingische tijd. Het was de tijd dat Christelijke zendelingen, zoals de bekende
Bonifacius, naar het noorden van Nederland kwamen.
De muntvondsten in Emmen (1926) en Noordbarge (1940) betreffen munten uit de 17e eeuw.
De vondst in 1981 in Noordbarge heeft veel aandacht van de pers gehad.
Middenstander Henk Dijkstra deed bij de aanleg van een tennisbaan bij zijn
boerderij een muntvondst waarbij ook het toenmalig Koninklijk Penningkabinet werd
betrokken. Verder dan een vage vermelding kwam het daar echter nooit omdat er
vraagtekens waren bij de samenstelling van de muntvondst. Er zaten kennelijk
onwaarschijnlijke combinaties van munten in en ook de staat van de munten
zou niet overeenkomen met de tijd die ze in de grond gezeten zouden moeten hebben.
|
|
Denarius
|
In november 1952 zijn nabij Barger Compascuum 312 munten gevonden bij het afbonken van het
veen. Ook werden resten gevonden van een leren beurs, een ring en van een gordel. Onderzoek
heeft uitgewezen dat de kostbaarheden met zorg onder een graspol in het veenmoeras waren
verstopt.
Alle munten, op één na, zijn denarii geslagen in Rome tussen de jaren 64 en 189. De
denarius was in deze periode de belangrijkste zilveren munt en had toen een gewicht van
3,4 gram, 1/96 van het Romeinse pond en een (zilver)gehalte dat varieerde van 90 tot 68%.
De enige afwijkende munt was een drachme uit Amisos, Griekenland.
Over de vraag hoe zo’n muntschat in het veen bij Barger Compascuum terecht zou zijn
gekomen zijn allerlei speculaties mogelijk maar zeker weet men het niet. Deskundigen gaan
er momenteel vanuit dat ze van een handelaar zijn geweest.
Uit geschriften en andere vondsten is gebleken dat er in de eerste eeuwen van onze
jaartelling regelmatig handelsverkeer plaatsvond tussen het Romeinse Rijk en de bewoners van
de terpen en wierden langs de kusten van de Noordzee. De gevonden munten zouden afkomstig
kunnen zijn van een handelaar die op weg was naar noordelijker streken. Bijvoorbeeld van
Coevorden langs het riviertje de Runde via Ter Apel naar Noord Duitsland? De handelaar
moet toen in ieder geval een vrij droge plek hebben gevonden, anders zou de schat, na meer
dan 1700 jaar, niet vlak onder het maaiveld gevonden zijn.
Deze muntvondst in Barger Compascuum uit 1952 is in het bezit van het Drents Museum te Assen.
|
|
|
Deze kleine muntvondst is om meerdere redenen toch interessant. De vinder was een destijds
in Emmen bekende persoon en de vindplaats is nog exact terug te vinden.
In mei 1875 vond de heer H.F.Gosselaar uit Emmen twee zilveren munten. Het waren twee
dubbele groten (plakken) van Philips de Stoute van Bourgondië, geslagen tussen 1384 en 1404.
Hermannus Folkerus Gosselaar was vervener/landontginner en woonde tegenover de N.H. kerk in
de boerderij die naderhand bijna 100 jaar diende als gemeentehuis van Emmen.
De vindplaats werd toen beschreven als "in een in den Esch, tusschen Emmen, Westenesch
en Noordbarge gelegen veentje". Ook de coördinaten zijn toen vastgelegd. Daaruit blijkt
dat de vondst is gedaan in het veentje dat vroeger ook wel bekend stond als "Douw zien
veentie". Het voormalige veentje is inmiddels opgenomen in een bosje aan de westzijde
van de Schapenveenweg tussen Westenesch en Noordbarge.
In de tijd van de heer Gosselaar liep er een pad – de vroegere Dreschjeslaan en het verlengde
daarvan – langs zijn huis, vrijwel rechtstreeks naar dit veentje. Het was een wandeling van
ongeveer een kwartier.
De twee gevonden munten zijn geschonken aan het Drents Museum te Assen.
|
|
Zilveren rijder
Florijn Stad Zwolle 1626.
|
Omstreeks 1940 werd in een heideveldje achter een woning aan de Bargerkampenweg
te Noordbarge een groen klompje metaal gevonden. Het bleken zes zilveren munten te zijn
uit de periode 1621 tot 1669.
Er is nog flink wat heide omgespit, maar het bleef bij deze ene vondst
die bestond uit de volgende munten:
- Stad Zwolle, 1621, florijn
- Stad Zwolle, 1626, florijn, mogelijk "vals"
- Stad Zwolle, z.j. (1665-1669), florijn
- Brabant, 1640, ½ dukaton
- Gelre en Zutphen, 1662, dukaton of zilveren rijder
- Stad Kampen, 1669, dukaton of zilveren rijder
Florijn is de naam van een munt met de bekende afkorting “fl” van onze vroegere gulden.
De florijn had een waarde van 28 stuivers. Het gewicht was bijna 20 gram bij een
zilvergehalte van 0,673%.
De florijn Zwolle 1626, is een vervalsing uit die tijd. Het gewicht is te laag, evenals het
zilvergehalte. Ook begint de munt te "roesten". Het is niet bekend waar deze florijn is geslagen,
maar het zal waarschijnlijk wel in de Noordelijke Nederlanden zijn geweest.
De dukaton of zilveren rijder is de naam van een munt die zijn naam dankt aan de
afbeelding van een ruiter. Er bestond ook een gouden rijder. De zilveren rijder had in die
tijd een waarde van 33 stuivers. Het gewicht was bijna 34 gram bij een zilvergehalte van 0,941%.
De gevonden halve dukaton van Brabant was zwaar beschadigd.
In 1693 moesten alle zilveren munten worden gekeurd op het juiste gewicht en gehalte en bij
goedkeuring werd er een zogeheten “klop” ingeslagen. Meestal waren dat twee of drie letters
van de betreffende provincie. Geen van de gevonden munten heeft een klop. Het is daarom vrijwel
zeker dat de munten vóór 1693 in de grond terecht zijn gekomen. Het zal hier vermoedelijk gaan
om (een deel van) het geld van een reiziger of handelaar. Het was in die tijd namelijk niet
ongebruikelijk dat een reiziger, voordat hij in een dorp of stad ging overnachten, eerst
een deel van zijn geld op een veilige plek verstopte.
Deze muntvondst is in particulier bezit.
|