|
Historie: Emmen in de jaren 1522 t/m 1598

|
|
|
|
|
|
Een nieuw tijdperk:

|
|
|
|
In de bisschoppelijke tijd was er veel handel tussen het graafschap Bentheim,
het sticht Munster en Groningen. Vooral Coevorden heeft van deze handel kunnen
profiteren. De handel ging in stokvis, traan boter en kaas naar Bentheim en
Musterland en in zandsteen, hout, rogge wol, ham, canvas en dergelijke in
omgekeerde richting.
Hoge tolheffingen bij Coevorden, de verdere strijd tussen de drosten en
bisschoppen, die klaagden dat de Drenten de bisschoppelijke belastingen niet
wilden betalen en zich niet stoorden aan de rechten van de bisschop en goederen
die de bisschop toebehoorden kochten en verkochten alsof het hun eigen goederen
waren, belemmerden een verdere ontwikkeling.
Aan het einde van de 14e eeuw (1397) zag de toen heersende bisschop van
Utrecht, Frederik van Blankenheim, kans het gezag weer enigszins te herstellen.
De opmars en autonomie van Drenthe kon hij echter niet meer terugdraaien. Aan de
sterk op rechten staande Drenten, waarvan gezegd wordt "dat het goede
onderdanen maar slechte slaven zijn", moest de bisschop het behoud van de
bestaande rechten waarborgen. Dit geschiedde middels het Drents Landrecht uit 1412.
De bisschoppen die Frederik van Blankenheim opvolgden lieten zich zelden in
Drenthe zien en hun gezag brokkelde langzaam weer af.
In 1514 behoorde Drenthe nog tot het bisdom Utrecht, maar begon de
invloed van Karel van Egmont, de hertog van Gelre, in de noordelijke
provincies. Hij was te hulp geroepen door graaf Edzard van Oost Friesland die
dit landsdeel verbonden had met George van Saksen, hertog van Saksen van 1500-1539.
De hertog van Saksen wilde in 1514 zijn gezag ook uitoefenen in Groningen.
De strijd van George van Saksen bezorgde de Friezen echter hoge kosten waardoor
deze de hulp inriepen van Karel van Egmont. Deze vergrootte hiermee zijn invloed in
het noorden ten koste van de bisschop van Utrecht, maar trad nog niet
openlijk tegen hem op. Toen ook Zwolle de hulp van Karel van Egmont inriep,
omdat de stad meende dat de bisschop de stad Kampen voortrok in een
onderling geschil, rook de hertog zijn kans. Hij trok richting Zwolle
waarbij ook Coevorden, na een hevige strijd, op 12 september 1522 werd ingenomen.
Frederick van Twickelo, de laatste drost in dienst van de bisschoppen, moest zijn ambt gedwongen
afstaan aan Johan van Selbach (±1482-1563) die door Karel van Egmont, de nieuwe heerser over Drenthe,
werd aangesteld.
Karel van Egmont, de hertog van Gelre werd in 1522 de nieuwe landsheer van Drenthe, en dus ook Emmen,
waarmee het tijdperk van bisschoppen, dat van 1024 tot 1522 had geduurd, eindigde.
|
|
|
1522, Karel van Gelre:

|
|
|
|
Karel van Egmont werd op 9 november 1522 als heer van Drenthe erkend, hoewel een aantal etten weigerden de eed af te leggen.
Karel van Egmont (1467-1538) was de zoon van Adolf van Egmont, hertog van Gelre en graaf van Zutphen, en Catharina van
Bourbon. Hij huwde in 1518 met Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg (1494-1572) dochter van hertog Hendrik VII van
Brunswijk-Lüneburg en Margaretha van Saksen. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Karel van Gelre werd begraven in
de Sint-Eusebiuskerk te Arnhem.
Op het hoogtepunt van zijn roem bezat hij Gelre, het graafschap Zutphen, Overijssel, Drenthe, Friesland en grote delen
van Groningen.
De dagelijkse zaken werden door een door hem aangestelde drost afgedaan, belangrijke zaken werden door hemzelf en zijn
raad behandeld. Overigens zijn er, bij Historisch Emmen, nog geen documenten
bekend waaruit zou blijken dat Karel van Gelre pacht heeft geïnd, zoals de
bisschoppen dat wel deden. Wie weet meer?
Met name in recht en rechtspraak bracht Karel van Gelre voor Drenthe belangrijke wijzigingen aan. Voordien was het zo dat
men een rasechte Drent moest zijn om schulte te worden: "Geen uitheemsche Man magh Schulte of Onderschulte in den
Lande Drenthe wezen, ten ware hij zonderlinge, tot hetzelve Ampt ware gequalificeert; maar wordt verstaan dat steeds een
Ingezeten, gelijk bequaam zijnde, voor een uitheemsche praeferentie zal genieten". Onder van Gelre werden
vreemdelingen als drost en schulte aangesteld en werden schultambten gecombineerd. De drost mocht zonder kennisgeving aan de
hertog geen lijfstraffen tot uitvoering brengen.
Tijdens het 14 jarige bestuur van de hertog van Gelre werd Drenthe geteisterd door soldaten en vrijbuiters. De Gelderse
oorlogen deden zich ook in Drenthe gelden hoewel van echte oorlogsvoering tussen grote legers geen sprake was.
Noot: Met de Gelderse Oorlogen worden de vele conflicten bedoeld tussen Habsburg, Gelre en het Sticht Utrecht. Habsburg
bestond uit Holland, Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en stond onder leiding van de hertog van Bourgondië. Gelre bestond uit
Gelre, Groningen en de Ommelanden, Friesland en Oost-Friesland en stond onder leiding van Karel van Gelre. Het Sticht Utrecht,
verdeeld in het Oversticht en het Nedersticht stond meestal achter de Utrechtse bisschop.
Drenthe kende onder Karel van Egmont niet echt rustige jaren. De strijd tegen de bisschop van Utrecht bleef doorgaan en
toen deze de hulp inriep van keizer Karel V (1500-1558) van het huis Habsburg, was Karel van Egmont
genoodzaakt een verdrag met de keizer te sluiten.
De Habsburgers eisten echter wel van de toenmalige bisschop van Utrecht, Hendrik van Beieren, dat zij de wereldlijke
goederen van het bisdom aan hen zouden overdoen. Dit werd vastgelegd in het traktaat van Schoonhoven op 15 november 1527.
Hiermee kwam er definitief een einde aan de landsheerlijke macht van de Utrechtse bisschop. Paus Clemens VII bekrachtigde
de overdracht in augustus 1529.
Door zijn woelige natuur raakte Karel van Egmont ook in onmin met het door hem bezette Groningen, dat eveneens de hulp
van keizer Karel V inriep. Het kwam tot een veldslag bij Heiligerlee, die in het nadeel van Karel van Gelre eindigde.
Groningen en Ommelanden werden aan de macht van Karel van Egmont onttrokken. Bij deze strijd was ook Drenthe betrokken met
als gevolg dat Karel van Egmont in 1536. Middels de Vrede van Grave, volledig afstand moest doen van Drenthe. Twee jaar
later overleed hij.
Ondanks deze woelige jaren verwierf Karel van Egmont de achting van de Drentenaren.
|
|
|
1536, Karel V:

|
|
|
|
Karel V (1500-1558), die in 1536 heerser over Drenthe werd, bracht weer enige veranderingen aan in de aanstelling
van waardigheidsbekleders.
Johan van Selbach (±1482-1563), die het drostambt onder Karel van Gelre uitoefende, moest na de belegering
van Coevorden het veld ruimen en alle rechten op Coevorden en Drenthe afstaan.
Karel V stelde in Drenthe in plaats van een schulte of een drost een stadhouder-drost aan. De eerste die deze
functie bekleedde was Georg Schenck van Tautenburgh (1480-1540), die deze functie ook uitoefende voor Groningen
en Overijssel.
Tautenburgh liet het werk in Drenthe waarnemen door een drost. In 1540 werd het stadhouderschap en drostambt
al weer gescheiden en stelde de keizer beide functionarissen weer zelf aan.
Karel V deed op 25 oktober 1555 afstand van de troon en droeg de Nederlandse gebiedsdelen over aan zijn zoon
Filips.
|
|
|
1568-1648, Tachtigjarige Oorlog:

|
|
|
|
Filips II (1527-1598), zoon van Karel V, volgde zijn vader op en was Heer der Nederlanden van 1555-1581.
Vanaf 1568 kwamen de Nederlanden, onder leiding van Willem van Oranje (1533-1584), in opstand tegen het
bestuur van Filips II. Deze opstand ging later de Tachtigjarige Oorlog heten. Deze oorlog duurde van 1568-1648
met een bestand van twaalf jaar (1609-1621).
In 1579, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die bestond
uit Friesland, Gelre, Holland, Overijssel, Stad en Lande (Groningen), Utrecht en Zeeland.
Het Graafschap Drenthe was toen nog een gewest met een eigen Statenvergadering, maar had vanwege vermeende
armoede geen stemrecht in de Staten Generaal van de Republiek. Het Graafschap Drenthe werd in deze periode
omgevormd tot Het Landschap Drenthe.
In 1581 werd Filips II door de Staten-Generaal niet meer als landsheer erkend.
|
|
|
Het bestuur van Emmen:

|
|
|
|
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) kende het kerspel Emmen de volgende bestuurders:
|
|
|
Domein- en kloostererven te Emmen:

|
|
|
|
Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke
benaming voor een kerkgemeente of parochie. Een kerspel bestond uit marken die onder een bepaalde kerk vielen. Het begrip kerspel
werd ook wel omschreven als "xx, onder den clockeslach van yy", hetgeen inhield dat de inwoners van het dorp xx ter
kerke gingen in het dorp yy. Het kerspel Emmen bestond uit de marken:
- Emmen en Westenesch.
- Noord- en Zuidbarge (inclusief Angelsloo en Den Over).
- Weerdinge.
De inwoners van deze dorpen kerkten dus in Emmen.
In het gehele kerspel Emmen hebben vroeger minstens 26 boerderijen gestaan. Deze boerderijen werden
in 1594 door de heersende overheid van de geestelijk macht genaast (=toegeëigend). Deze 26 boerderijen zijn
te verdelen in 12 domeinerven en 14 kloostererven.
Twaalf (12) domeinerven. Deze domeinerven waren oorspronkelijk bezittingen van de
bisschop van Utrecht, die tot 1522 heer van Drenthe was geweest.
Hij bezat deze erven niet privé maar als Heer van het Graafschap Drenthe dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog
werd omgevormd tot Het Landschap Drenthe. Als rechtsopvolgers van de bisschop van Utrecht, hadden ook de
Hertog van Gelre, Karel V en Phillips II als Heer van Drenthe zeggenschap over de 12 domeinerven.
- Emmen: drie boerenerven.
- Heerenhof.
- Mouwen.
- Lippinge.
- Noordbarge: drie boerenerven.
- Beninge.
- Duirts.
- Jolinge.
- Westenesch: één boerenerf.
- Wekinge.
- Weerdinge: vijf boerenerven.
- Weekinge.
- Huir of Hoffgoed.
- Altinge.
- Heminge.
- Houwinge.
Deze domeinboerderijen vielen toe aan De Landschap Drenthe, het provinciaal bestuur in Assen.
Veertien (14) kloostererven. Deze kloostererven waren oorspronkelijk bezittingen van een klooster.
In het kerspel Emmen ging het om twee kloosters: die te Essen en Ter Apel.
- Het klooster "Maria Campus". Dit nonnenklooster, ook wel Yesse geheten, stond te
Essen gelegen tussen Groningen en Haren en bezat in:
- Westenesch: één boerenerf.
- Horning (Horring).
- Noordbarge: drie boerenerven.
- Gilsinge.
- Hoving.
- Berends (Olden vrijling).
- Kloeks.
- Angelsloo: één boerenerf.
- Angelsen.
Deze zes kloosterboerderijen kwamen in het bezit van Stad en Lande (Groningen).
- Het klooster "Domus Novae Lucis". Dit mannenklooster, ook wel "Huis
van het Nieuwe Licht" geheten, stond in Ter Apel. Het klooster bezat in:
- Emmen: drie boerenerven.
- Rosinge.
- Jippinge.
- Greven.
- Zuidbarge: vijf boerenerven.
- Betting.
- Blering.
- Oldehuising.
- Knechtering.
- Rabbers.
Deze acht kloosterboerderijen werden inzet van jarenlange strijd tussen de overheden van Groningen (Stad en Lande) en Drenthe.
De rentmeester van het klooster van Ter Apel merkte in zijn administratie op dat de acht Emmer boerderijen weinig hooiland
hadden, en dat van een aantal erven het hooiland slecht of zeer ongelegen was.
De overheid van Groningen (Stad en Lande) en Drenthe (Landschap Drenthe) probeerden de in hun bezit gekomen boerenerven te
verhuren. Dat lukte niet al te goed. De Tachtigjarige Oorlog deed zijn invloed gelden.
Van een aantal erven is bekend dat er omstreeks 1600 geen boerderij of schuur meer op stond. Het ligt voor de hand dat de
langdurige oorlog hier debet aan is geweest. De pachters van de boerderijen waren mogelijk gevlucht voor het oorlogsgeweld waardoor
de erven er verlaten ("woest") bij lagen.
De oorlogvoerende partijen plunderden de omgeving of deden aan brandschatten. Noot: het laten betalen van een zeker bedrag
aan een strijdende partij om te voorkomen dat deze het dorp zou gaan plunderen of in brand steken. Ook kwam het voor dat de
tactiek der verschroeide aarde werd toegepast. Noot: het juist bewust weghalen of
vernietigen van waardevolle zaken zodat de tegenpartij
er geen gebruik meer van kon maken.
Het zijn door de heersende omstandigheden mogelijkheden waardoor de boerderijen niet meer opgebouwd. Het is ook mogelijk dat
resten werden gebruikt voor herstel van andere boerderijen.
De verhuur kwam pas enkele jaren voor het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) op gang. De omstandigheden waren kennelijk verbeterd
en de pachters kwamen of terug of er werden nieuwe pachters aangesteld.
Noot: Kloosters konden op verschillende manieren in het bezit komen van boerderijen:
- Ze kunnen door het klooster zelf zijn gesticht om daarmee te kunnen voorzien in een eigen voedselvoorziening. De historische
benaming van zo'n boerderij is voorwerk. Op een voorwerk werkten zogenaamde conversen, een soort half monniken die als
belangrijkste taak hadden producten te telen voor het klooster. Later werd de band met het klooster minder hecht en dienden ze
voornamelijk om pacht op te brengen. Er zijn overigens geen aanwijzingen dat dit type kloosterboerderij in het kerspel Emmen
heeft gestaan.
- Ze kunnen door vermogende mensen aan een klooster zijn geschonken. In ruil daarvoor vroeg men de kloosterlingen om op bepaalde
dagen te bidden voor de ziel van een overleden familielid.
- Ze kunnen ook door vermogende mensen zijn geschonken in ruil voor een verzorgde oude dag. Het klooster in Ter Apel bezat
bijvoorbeeld een gasthuis waar mensen verzorgd konden worden.
- Door middel van koop of ruil. Het is bekend dat het klooster in Ter Apel boerderijen in Emmen heeft aangekocht.
- Ze kunnen langzamerhand zijn verworven. Het kwam wel voor dat een pachter de huur, of te betalen rente in de vorm van rogge,
niet meer kon opbrengen. Het klooster kon een lening verstrekken maar daar werd de situatie vaak niet beter van. Duurde de
problemen te lang dan kon het voorkomen dat het klooster de boerderij langzamerhand overnam.
|
|
|
1550, vermelding domeinerven:

|
|
|
|
De bisschop van Utrecht en zijn opvolgers bezaten, als Heer van Drenthe, 12
erven in het kerspel Emmen, de zogenaamde domeinerven, waarvan drie in de
marke Emmen zelf. In een rentmeesterrekening van Johan Renoy uit 1550 staan de namen van deze drie domeinerven:
- " 't Heren Hoff, Hoenynge genaamd".
- " 't Mouwengoed".
- " 't Lippyngegoed".
Rentmeester Johan Renoy beschreef in 1550: " 't Heren Hoff Hoenynge genaamd" met een zeer
vervallen huis en "Omtrent vijff ende dartig mudden bouwlants, tijn mannemat hoeylandts, met noch enen acker
genoemt den Breeden Acker, die verbijstert is." Lees: ongeveer 35 mud bouwland, tien dagwerken hooiland
en de Brede Akker die verloren was gegaan.
Ook van het Mouwengoed werd vermeld dat het verloren was gegaan ("verbijstert").
Het geheel werd voor 23 mud verpacht aan de broers Egbert en Johan Imhoff. Een zekere Jan Imhof was in 1541 de pachter.
Noot: Hoenynge = Hoonynge = Honinge = Honninge. Een *e* direct na een *o* werd uitgesproken als *o*. Door deze *e*
verdubbelt de *o* . Een liggend kort streepje boven de *e* van Hoen betekent een verdubbeling van de *n*.
|
|
|
1594, van domein- naar Landschaperf:

|
|
|
|
Sinds 1568 waren de Nederlandse gewesten in opstand tegen hun landsheer Filips II, koning van Spanje. Deze opstand, de
Tachtigjarige Oorlog, viel samen met een religieuze beweging waarbij het rooms-katholieke geloof werd ingewisseld voor
een protestantse leer. Dit proces heet reformatie.
In Drenthe werd de reformatie van bovenaf opgelegd, door een decreet van stadhouder Willem Lodewijk. Alle priesters
werden voor de keus gesteld zich tot het nieuwe geloof te bekeren. Zij moesten daarvoor een examen afleggen of anders
hun ambt neerleggen en de kerk verlaten.
Tijdens de reformatie, ofwel hervorming, kwam het tot een breuk tussen de rooms-katholieken en de zogeheten
gereformeerden. De overgang naar het nieuwe protestantse bewind werd gevolgd door de onteigening van alle bezittingen
van de rooms-katholieken.
De bisschoppen van Utrecht, die van 1024 tot 1522 in Drenthe de dienst uitmaakten, bezaten als Heer van Drenthe, 12
erven in het kerspel Emmen. Deze, niet persoonlijke bezittingen, gingen over op hun rechtsopvolgers. Door de reformatie
werden in 1594 deze 12 domeinerven in het kerspel Emmen door de heersende overheid van de geestelijk macht genaast
(=toegeëigend).
De 12 domeinerven vielen in 1594 toe aan De Landschap Drenthe die in Assen zetelde. Daar was Stad en Lande niet
gelukkig mee, het was een Gronings klooster en derhalve meende Stad en Lande evenveel of zelfs meer recht te hebben op
de domeinerven. Stad en Lande en De Landschap Drenthe bakkeleiden tientallen jaren over de verdeling en wie nu waar recht
op had. Pas in 1632 werden ze het eens.
De domeinerven zullen hierna verder Landschaperven worden genoemd.
|
|
|
1598, vermelding Landschaperven:

|
|
|
|
De rekening van de rentmeester der domeinen (naam?)
uit 1598 geeft de volgende Landschaperven in Emmen aan:
- "Het Heerenhof, zonder huis, ligt al lange tijd woest".
- "Mouwengoed, zonder huis, twier broeder scheijdinge met de Herenhoff."
De Heerenhof vormde kennelijk ooit een geheel met het Mouwengoed maar werden zij later gesplitst. Met "woest"
werd bedoeld dat de gronden niet werden gebruikt. Het ligt voor de hand dat de langdurige Tachtigjarige Oorlog hier
debet aan is geweest.
- "Lippyngegoed, zonder huis, ligt ledych".
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- T.Engelsman in De Kroniek maart 2009.
- T.Engelsman in De Kroniek december 2010.
- Ordelen van de Etstoel 1518-1604 door Mr.J.G.Ch.Joosting.
- Drents Archief OSA 1777.
- NDVA 1978 "De Landschaperven in Drenthe in kaart gebracht" door J.E.Ennik.
- Rentmeesterrekening van Renoy anno 1550: Drostenrekeningen, Drents Archief, inv.nr.0023, item 41.
|
|