|
|
In 2000 publiceerden Vincent Tassenaar en Erwin Karel hun boek "De extreme armoede van de arbeiders in de Drentse venen"
en vergeleken daarin o.a. de Drentse armoede met de Westerse armoede. De inhoud deed een boel stof opwaaien. Gesteld werd o.a.
dat de armoede in de venen niet groter was dan de armoede in de kelderwoningen in het westen. Historisch Emmen is het niet eens
met dergelijke vergelijkingen. Het is makkelijk scoren vanuit de luie stoel in een florissante en goed draaiende economie. Het
feit ligt er gewoon DAT er armoede is geleden. De vraag of er ergens meer of minder armoede is geleden, is daar volstrekt
ondergeschikt aan.
Hoewel moet worden voorkomen dat er een eenzijdig en te negatief beeld over deze jaren uit de geschiedenis wordt
geschapen, hebben deze jaren niet alleen voor een groot deel de geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe bepaald,
maar ook de huidige beeldvorming over Zuidoost Drenthe.
In 1921 stortte de turfwinning in zuidoost Drenthe geheel in. De commissaris der koningin J.T.Linthorst Homan zorgde
voor landelijke aandacht voor de problemen door journalisten uit te nodigen en hen de krotten en keten te laten zien. Er
verschenen schokkende reportages in bladen als "Het Leven", "De Prins" en "De Katholieke
Illustratie".
De vele honderden zelfgebouwde krotten, keten en holen lagen vaak zeer afgelegen en op grote open vlaktes waar weer en wind
vrij spel hadden. Krotten opgetrokken uit plaggen en asfaltpapier waren geen uitzondering. Het dak was laag en broos. Een
vierkant gat diende als schoorsteen waar regen, hagel en sneeuw vrij door naar binnen kon waaien. Een bed bestond uit niet
meer dan een hoop vodden, een wc kon een oude gescheurde ketel zijn. En in zo'n eenvoudig krot woonde een compleet gezin met
soms meer dan acht kinderen. Vader, moeder en de jongste kinderen sliepen aan de ene kant op wat vodden, de oudste kinderen
vaak achter een schot, direct onder de pannen, die zo schots en scheef lagen dat de sterren 's nachts gewoon te zien waren.
Was de slaapplaats te nat geworden dan kwam er gewoon een laagje droge turf overheen, totdat het geheel te hoog werd. Dan
werd de boel weer afgegraven en begon men opnieuw. Aan alles was gebrek. Het bezit van klompen, kleren en jassen bestond
alleen uit datgene wat men elke dag weer droeg. Wat te denken van handdoeken en dekens?
De woningwet van 1901, ingesteld door het kabinet Pierson, verplichtte de gemeenteraden wel om normen vast te stellen
waaraan woningen moesten voldoen bij ingebruikname of in gebruik gave van woonruimte, maar toch kende de gemeente Emmen nog
jarenlang honderden holwoningen, plaggenhutten, keten en krotten.
| jaartal |
aantal krotten, keten |
aantal woonschepen |
| 1927 |
700 |
? |
| 1939 |
441 |
40 |
Er heerste werkloosheid en woningnood. Geen werk betekende geen geld en
geen geld betekende geen fatsoenlijke woning. Het was een vicieuze cirkel. Met
het rijk werd op 13 maart 1922 een steunregeling overeengekomen om de bijna
5000 werklozen te helpen. De Rijksinspecteur voor Steunverlening ging ervan
uit "dat het college van B&W zich hield aan de door hem aangegeven
richtlijnen zoals die in zijn instructie waren vastgelegd". Marcel
Bulte beschrijft in "Emmenaren op drift" dat het gemeentebestuur
niet gelukkig was met de inhoud van het gesprek, overigens zonder te
verklaren waarom. Het moest de Rijksinspecteur echter wel volgen, omdat de
gemeente onder curatele stond van het Rijk, die als gevolg daarvan gekend
moest worden in allerlei belangrijke beslissingen.
Om te voorkomen dat de werkloosheid nog hoger werd, bepleitte hij lagere
lonen en werd in 1923 o.a. de werkverschaffing ingesteld en ontginningsprojecten
ter hand genomen. In 1926
werd met "het kwartje van Kan" getracht de enorme voorraad veen op te ruimen.
Een deel van de werklozen werd in (nazi) Duitsland te werkgesteld, anderen
trokken weg uit Emmen. Hele gezinnen verhuisden naar de industriële gebieden elders in Nederland. Rond
1929 ontstond de wereldwijde crisis en was Zuidoost Drenthe niet meer het enige noodlijdende gebied.
De gemeente Emmen stond niet alleen. Ook armbesturen van kerkelijke
gemeenten boden bijvoorbeeld hulp door diaconiewoningen of armenwerkhuizen te bouwen.
Sommige pogingen om keten en krotten op te ruimen mislukten, omdat ze na afbraak, 's nachts
gewoon weer opnieuw werden opgebouwd.
De eindconclusie van een onderzoek in 1933 over de gezondheid van kinderen was schokkend. Van de oudere kinderen leed
bijna de helft aan ondervoeding en een kwart van de jongere kinderen verkeerde in een slechte conditie. In 1934 had 80%
van de schoolkinderen krop, hetgeen te wijten was aan het drinken van vervuild water. De kindersterfte was hoog: in 25%
van de gevallen was longontsteking de oorzaak, hetgeen weer samenhing met de slechte woonomstandigheden.
| aanslag inkomstenbelasting 1930 |
| Nederland |
Emmen |
| 23,85% |
6,08% |
| gemiddeld jaarinkomen
1938 |
| Nederland |
Emmen |
| f 317,- |
f 89,- |
| aantal bewoners van een éénkamerwoning |
| Nederland |
Drenthe |
| 4,26% |
22,62% |
| aantal éénkamerwoningen t.o.v. het totaal aantal woningen |
| Nederland |
Drenthe |
| 7,39% |
25,78% |
| aantal bewoners van een éénkamerwoning |
| Nederland |
Drenthe |
| 2,43% |
14,16% |
Toch deed de gemeente Emmen wat het kon. Men bouwde, ondanks de slechte financiële positie, een paar honderd huizen per jaar,
maar het was niet voldoende.
Toen burgemeester Bouma
in de regionale krant hulp vroeg voor de noodlijdende bevolking haalde dat zelfs de Tweede Kamer. De reactie van minister
van Boeijen was echter hoogst verbazend en een typerende westerse uitspraak. Volgens een artikel in de Emmer Courant in maart
1939 had de minister gezegd dat de armenzorg in Emmen niet goed werkte en "dat de bevolking niet genoeg spaarde".
Emmen voelde zich zeer terecht in de steek gelaten en volledig onbegrepen.
|