dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Cultuur
dot Straatnamen

dot Gemeente archief
De historie van Emmen in woord en beeld

Op 19 december 2018 heeft HE van de heer S.G. (Geert) Hovenkamp uit Hilversum zijn gehele digitale archief in ontvangst mogen nemen. Gedurende 25 jaar heeft hij onderzoek gedaan naar familierelaties in Emmen en de locatie waar ze woonden (periode van omstreeks 1600 tot 1832) Het is in omvang, compleetheid en geordendheid mogelijk het grootste particuliere archief van Emmen. In samenwerking met het Erfgoednetwerk zal bekeken worden hoe e.e.a. ontsloten kan worden.
Geert, bedankt ! ! !

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

De vervening van 1850-1940: Omhoog


Het ontstaan van veen Omhoog

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, veenplant
Veen vegetatie.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, veenplant
Veen vegetatie.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, kien stobbe
Kienhout uit het stobbenveen.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
Turven draaien was vrouwenwerk.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
In de veenput.

De historie van Emmen en Zuidoost Drenthe in het bijzonder is onlosmakelijk verbonden met het veen.

De heer A.C.van Heesewijk heeft de rust en het gevaar van het veen prachtig omschreven. "Er leek geen rimpeltje aan de horizon te komen. Het grote veen lag daar onbewogen, geen mens waagde zich verder dan de randen, het gevogelte klapwiekte rustig boven de eenzame stilte, niet gestoord door geraas en geroezemoes van de menselijke samenleving. Het veengebied lag daar als had de tijd het gedoemd tot zalig niets doen. Geen mens had er belang bij zijn leven te wagen door dit veengebied te trekken. Immers: het veen gaf weinig, maar nam veel, soms zelfs een leven."

Doch waar de natuur vele tienduizenden jaren over deed om op te bouwen, werd door toedoen van de mens in pakweg 50 jaar geheel teniet gedaan.

Zo'n 250.000 jaar geleden werd ons land met ijsmassa's afkomstig uit Scandinavië overdekt. Deze ijsmassa's veroorzaakten stuwwallen zoals ook de Hondsrug er één is. In tijden dat het warmer was, zo'n 220.000 jaar geleden, kwam er veel smeltwater vrij en werd regen aangevoerd door vaak heersende westenwinden. Dit smeltwater heeft de diepe smeltwaterdalen, zoals de Hunzelaagte, doen ontstaan. Dat water kon vaak niet meer weg omdat er geen afvoerwegen waren. Aan de randen van de smeltwaterdalen begon zich een plantenwereld te vormen welke kenmerkend is voor veenvorming.

In de smeltwaterdalen kon zich veen gaan vormen dat door de eeuwen heen werd opgebouwd in een vijftal lagen:

  1. Het eerste veen heet bruinmosveen, ook wel dorveen, krummel, derrie of darg genoemd. Het was de onderste, diepst gelegen, veenlaag. Riet en zegge tierden hierin welig.

    Bij de veenmoerassen groeide er in eerste instantie een klein en nietig plantje, het veenmos. Dit veenmos kon met enorme snelheid groeien als de voedingsbodem en het vochtgehalte maar goed waren. Dit veenmos overwoekerde de bomen en het struikgewas zodat deze verstikten in de steeds dikker wordende laag.

    Deze onderste veenlaag was 0,5 tot 1,5 meter dik. Deze veenlaag was minder geschikt om te worden gestoken. Veelal werd deze laag met behulp van locomobielen gekneed.

  2. De tweede laag van onderen is het zogenaamde stobbenveen. Stobben, kienstobben, kienhout of kienholt zijn synoniemen voor de overblijfselen van boomstronken die in deze veenlaag bewaard zijn gebleven. Na de natte eeuwen verminderde de regenval en kon het veenmos niet meer groeien. Het werd toen, tijdelijk, verdrongen door de dennenbossen. Het dennenzaad was aan komen waaien van landschappelijke hoogten die met dennen bedekt waren.

    Historisch onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat er in die tijd een grote ramp heeft plaatsgevonden omdat men halfverbrande en ontwortelde kienstobben, vaak aan de oppervlakte, vond. Men denkt daarbij aan blikseminslag gevolgd door een grote natuurbrand.

    Noot: W.C.H.Staring meende dat alle venen uit bossen waren ontstaan, maar dit is in ons land bijna niet het geval. In het veen zijn geen boomstammen aangetroffen.

  3. Na deze droge periode brak er weer een natte tijd aan. Door deze, voor het veenmosplantje gunstige omstandigheden, kon de derde laag van onderen worden gevormd. Deze dikke laag veen, blauwveen of zwartveen geheten, werd gevormd in de tijd der hunebedbouwers. Deze laag was ongeveer 1 tot 2 meter dik en leverde de beste kwaliteit turf.

    Noot: Zowel de Göttinger professor Grisebach als W.C.H.Staring meenden dat deze laag uit heide is ontstaan. Professor Weber vond echter dat het in hoofdzaak uit veenmos bestond maar vermengd was met struikheide, wollegras en enkele andere veenplanten.

  4. Nog eenmaal brak er een droge tijd aan en wederom werd het veenmos terug gedrongen. Door de welig tierende heide en wollegras ontstond er een nieuwe dunne laag veen. Deze laag veen werd gevormd door heide en wollegras vermengd met sterk uitgedroogd en verweerd veenmos en was zeer taai. Deze laag kwam niet overal voor en heette scherpveen, lokveen of tasveen. Professor Weber noemde deze laag "Grenztorf".

  5. Het veenmos liet zich echter niet kennen en omstreeks 400 na Christus ontstond door dit plantje nogmaals een nieuwe veenlaag op de oude zwarte veenlagen. Deze bovenlaag werd grauwveen, bonkveen of bolster genoemd. Het was lichter van kleur en vooral losser dan de onderliggende lagen waardoor de kwaliteit als brandstof beter was. Deze ongeveer 1 meter dikke laag bestond uit wollegras en veenbies vermengd met zaadjes van berken en elzen.

    Bolster werd vooral gebruikt voor het maken van turfstrooisel want de calorische waarde was geringer en veroorzaakte bij verbranding veel roet.

    Bolsterturf werd op het veld gedroogd, want het mocht hooguit 40% vocht bevatten. Daarna werd het per schip of smalspoor naar de fabriek vervoerd. Hier werd bolster gemalen en gezeefd waarna er fijn - de bekende turfmolm - en grof turfstrooisel ontstond.

    Turfmolm werd in de land- en tuinbouw veelal toegepast om de grondkwaliteit te verbeteren en om plantengewassen te beschermen tegen vorst. Het grovere turfstrooisel werd in stallen gebruikt als alternatief voor stro.

    Bonkveen was begin 1900 ook van grote betekenis om te kunnen worden gemengd met dalgrond. Dalgrond was een zandachtige grond die vrijkwam nadat het gehele veenpakket was afgegraven. Eenmaal vermengd vormde het een goede voedingsbodem voor de landbouw. Met name voor het verbouwen van aardappelen, suikerbieten en granen als rogge en haver. In Drenthe was het destijds voorschrift om een halve meter bonkveen op de dalgrond achter te laten om vermengd te kunnen worden.

Het grote verschil tussen de hoogvenen van Zuidoost Drenthe en bijvoorbeeld de laagvenen in Zuidwest Drenthe en de Vechtplassen is dat hoogveen afhankelijk was van water van bovenaf; regenwater. De laagvenen waren vooral afhankelijk van grondwater en daardoor ook voortdurend met grondwater in aanraking. Door dit verschil ontstond er ook verschil in vegetatie.

Veen is in feite niets anders dan een afgestorven maar niet vergaan restant van vroegere vegetaties, dat in Drenthe in zeer waterrijk milieu ontstond en juist door dat water bewaard is gebleven.


Een natuurlijke grens Omhoog

Het veenmoerasgebied strekte zich eindeloos ver uit en bood een troosteloze aanblik, zo ver het oog reikte. Het was een woeste en onherbergzame verlatenheid. Dominee Johan van Pic(c)ardt van Coevorden (1600-1670) was met schrik en afgrijzen vervuld bij het zien van de troosteloosheid en daarover schreef: "Niet van menschenhanden gemaekt, maar door straffende hand Gods verordineert tot een plaegh van die menschen, die in oude tijden hier te lande gewoond hebben en tot een waerschouwige van ons, als haar nakomelingen."

Het immens grote Zuidoost Drentse veengebied was door haar moerassigheid vrijwel niet te doorwaden of over te steken. Het was daardoor een gevaarlijk gebied om te betreden en vormde een goed verdedigbare natuurlijke grens met Munster. Op enkele wel doorwaadbare plaatsen werden schansen aangelegd zoals de Bonenschans, de Valterschans, de Emmerschans, de Katshaarschans en de Hoolschans.

De Staat der Nederlanden had er, in tegenstelling tot de boekweitboer, geen enkel belang bij om het moerasgebied te ontwateren:

  • In 1672 werd in opdracht van de Staten Generaal een rijsdam in de Ruiten A bij Sellingen gelegd om het waterpeil kunstmatig hoog te houden.
  • In 1687 en 1688 werden bij Ter Apel leidijken aangelegd.
  • In 1694 bepaalde de Staten Generaal zelfs dat het verboden was om:
    • de leidijken door te steken.
    • het veen te branden.
    • het veen te beboekweiten.
    • de moerassen te cultiveren.
    • het vee te weiden.
    • wegen en paden aan te leggen.

Het waren allemaal maatregelen die genomen waren om verzwakking van de natuurlijke veengrens te voorkomen.

Ondanks het gevaar van het moeras weerhield het onverlaten er niet van om dit deel van Drenthe te beroven, te plunderen en plat te branden.


Boekweit Omhoog

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
Achteraan: de Jacobsladder.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
Turf-persmachine.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
Als de massa is opgedroogd komen de turftrappers
met plankjes onder hun voeten om de massa vaster
aan te stampen.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf
Het snijden van de opgedroogde massa
in lange rijen.

Begin 19e eeuw begon er langzamerhand wat te veranderen. De enkeling die aan de rand van de venen woonde in zijn zelfgebouwde "krakkemikkige" veenhut, kreeg steeds meer volgers. Deze in getale groeiende bewoners groeven voor eigen gebruik een deel van het veen af om te gebruiken als brandstof. Talrijke kleine stroompjes, die een uitweg zochten naar de lager gelegen randen van het veengebied en dat onder water zetten, verdwenen. Mede door deze (procentueel) kleine afgravingen werd het het veengebied ook droger. Op de steeds breder wordende stroken ontwikkelde zich struikgewas, dopheide, wollegras en veenbes. Op de drogere delen ontstond aan het begin van de 19e eeuw ook de eerste georganiseerde landbouw. Het toverwoord was boekweit.

Boekweit is de naam voor een plantengeslacht en was oorspronkelijk afkomstig uit Midden Azië. De scherp driekantige dopvruchtjes bevatten één zaad dat eetbaar is. Deze vruchtjes lijken op beukennootjes en de plant wordt overeenkomstig een graangewas gebruikt (echter niet voor brood), vandaar de naam: boek weit = beuk tarwe. Boekweit werd gedurende enkele eeuwen in Europa op vrij grote schaal verbouwd, maar wordt thans nauwelijks nog geteeld wegens de bewerkelijkheid, de kwetsbaarheid en wegens de geringe opbrengst per hectare. Boekweitmeel en boekweitgrutten bevatten evenveel eiwit (10 g per 100 g) als tarwe en roggemeel, en meer koolhydraten. Ze bevat minder vet, minder mineralen en vitamines uit de B-groep dan tarwemeel. Boekweit is voorts een goed ‘bijengewas’, want bijen voeden zich er graag mee. De aromatische honing is zeer geliefd. Bron: encarta.

Boekweit was een uitkomst voor "arme boeren" die geen middelen hadden om te investeren. Door boekweit te verbouwen konden zij boer zijn zonder vee of kapitaal. Boekweit was makkelijk te verbouwen, maar was wel erg weersgevoelig waardoor oogsten vaak tegenvielen met als gevolg dat de armoede groot bleef.

Voordat op de hoogvenen boekweit verbouwd kon worden moest een stuk bovenveen ontwaterd worden. De boekweitboer deed dit door het graven van lange greppels, de zogenaamde gruppen.

Nadat het veen drooggevallen was, hetgeen 2 tot 3 jaar kon duren, werd de bovenste 30 cm met een veenhouw opengehakt om het veen wat losser te maken. Hetgeen zich het jaar erna vaak herhaalde. Belangrijk was dat het veen niet te ver indroogde.

Daarna begon men (meestal van april tot juni) het veen af te branden. Om het vuur aan te leggen nam de boer brandende kolen, vaak in een vuurkorf, mee. De boer begon aan de rand van het veld en van de wind af en het was vooral zaak dat het veen ging smeulen en niet branden. De ideale omstandigheden voor het veen "smeulen" was een een aanhoudende oostenwind en een heldere hemel. Het mocht vooral niet gaan regenen omdat dan het vuur kon doven en men opnieuw moest beginnen. De veenas die na het smeulen overbleef diende als meststof. Nadat het vuur was gedoofd werd de grond nogmaals losgemaakt met een krabber, waarna de boekweit verbouwd kon worden. Eind juni moest de zaak zijn afgerond omdat de groeiperiode 3 maanden bedroeg en de oogst niet later dan september mocht plaatsvinden, omdat dan de kans op nachtvorst toenam. Na het zaaien kon men weinig meer doen dan afwachten en hopen op goed weer en dus geen nachtvorst waarna in augustus de omgeving geheel wit kleurde en de boekweit werd gemaaid.

Een zekere Jan Kruse uit Wildervank schijnt ooit degene geweest te zijn die dit proces voor de eerste keer toepaste.

Nu moet men niet te licht denken over dat branden van het veen. De rook was verschrikkelijk en verstikkend. Hele gebieden kregen te maken met zonsverduistering. De rook drong overal in door, ogen en huizen, en drukte zwaar op de mensen die het toch al zo moeilijk hadden. En dan kwam er ook nog bij kijken dat de in gebruik genomen gronden na maximaal tien jaar uitgeput raakten, waardoor er weer nieuwe gronden in gebruik moest worden genomen.

De beste boekweitjaren lagen tussen ongeveer 1870 en 1890, toen de opbrengst groeide van 20.000 mud boekweit naar 22.000 mud. In 1838 had Emmen 1353 hectare veenboekweit, welke uitgroeide tot 2200 hectare in 1851. Rond 1889 was dit alweer geslonken tot 1400 hectare en na 1927 werd er in Emmen geheel geen boekweit meer verbouwd.


De vervening Omhoog

De vervening van Zuidoost Drenthe in kaart gebracht
De vervening in kaart gebracht
Klik hier voor een uitvergroting

Foto Historisch Emmen veen, turf, vervening
Op de achtergrond zijn de arbeiders bezig met
het graven van een zijwijk loodrecht op het
hoofdkanaal. Een kleine dam scheidt het water.

Foto Historisch Emmen veen, turf, vervening
Met een locomobiel wordt het water uit de
zijwijk in het hoofdkanaal gepompt om het
werkterrein van de gravers zo goed mogelijk
watervrij te houden.

Vanaf de late Middeleeuwen had Zuidwest Drenthe al turf geleverd aan het westen. Meppel, met drie turven in het wapen, dankt zijn opkomst hieraan. Omstreeks 1850 ontstond er plotseling een tekort aan brandstof. De steenfabrieken schreeuwden om brandstof. Stemfort pleitte in 1847 nog hartstochtelijk voor het gebruik van veen i.p.v. steenkool, omdat de mensheid daar eeuwen mee vooruit kon. In werkelijkheid zou blijken dat er omstreeks 1965 vrijwel geen stukje hoogveen meer te vinden was.

Omstreeks 1850 was de steenkoolproductie in Nederland nog gering want er was nog maar één particuliere steenkoolmijn in gebruik genomen, de Domaniale Mijn te Kerkrade in 1815. Pas na 1900 werden in Limburg de staatsmijnen geopend.

In Zuidoost Drenthe was er genoeg traditionele brandstof voorhanden, de zogenaamde turf die verkregen werd uit veen. Tot 1850 was het onrendabel om te gaan delven. Zuidoost Drenthe lag erg afgelegen en kende geen goede infrastructuur. Door de grote brandstofschaarste kwam het enige nog niet op grote schaal ontgonnen veen in Nederland, dat van Zuidoost Drenthe, in beeld.

Vanaf 1850 werd Zuidoost Drenthe op de kaart gezet. Menig veendorp zou ontstaan, naast de eeuwenoude dorpen op de zandgronden. Vanaf 1850 ontstonden dorpen als Nieuw Amsterdam, Erica, Barger - en Emmer Compascuum en Zwartemeer.

Het was echter niet de lokale bevolking uit de zanddorpen die in dienst van de grote vervening bedrijven meehielp met de vervening van hun achterland. De eerste pioniers en de daarop volgende grote groep van veenarbeiders kwamen van heinde en verre en verschilde van plaats tot plaats. Arbeiders die elders geen werk hadden kwamen in grote getale naar de gemeente Emmen. Als eerste de kanaalgravers. Ze probeerden hier hun brood te verdienen en geluk te zoeken in de hoop op een beter bestaan. Dat was in de meeste gevallen beslist niet het geval. In de jaren met tegenslag heerste er zelfs bittere armoede.

Vanaf 1850 begon de vervening aarzelend, maar na 1900 kwam de vervening pas goed op gang.

Bekijkt men een kaart van het oorspronkelijk hoogveengebied in Zuidoost Drenthe dan valt vooral het uitgebreide stelsel kanalen op. Deze kanalen hadden een tweeledig doel:
  • het veen kon worden afgewaterd, waardoor het droogviel.
  • het veen kon via de kanalen worden afgevoerd, wegen waren er niet of nauwelijks.

Dit kanalenstelsel ontstond door het graven van een kanaal met daarop loodrecht de zogenaamde hoofddiepen en hier weer loodrecht op de zogenaamde wijken. Het terrein tussen twee wijken bestaat uit twee gelijke delen, de slagen, gescheiden door de zwetsloot. De slagen lopen af in de richting van de zwetsloot.

Het veen van Zuidoost Drenthe werd van vier verschillende richtingen aangevallen:


De zuidelijke route: Omhoog

De eerste acties in relatie tot de vervening kwamen tussen 1840 en1850 uit het Overijsselse.

In Overijssel hadden de grootgrondbezitter en latere Commissaris der Koningin van Groningen Isaäc Antoni Soetens van Roijen uit Dedemsvaart en baron Sloet tot Oldhuis, rechtbankpresident te Zwolle, het plan opgevat om dwars door de venen een verbinding tot stand te brengen met het Duitse Eemsgebied om zo handelswaar vanuit Engeland via Amsterdam naar Duitsland te vervoeren.

Daarvoor zochten en vonden zij, mede namens de Engelsen, investeerders in Amsterdam. Zij verkregen hulp van Van Runen uit Zwolle en plaatselijk deed ook de ondernemer L.B.J.Dommers mee.

Vanuit Zwolle wilden ze via Dedemsvaart naar Coevorden en vanaf daar vervolgens de venen in.

Om de venen in te kunnen werd van 1882 tot 1884 het Stieltjeskanaal gegraven.

De concessie voor de aanleg werd verleend aan A.Slingenberg en L.B.J.Dommers, die in 1882 de N.V. Stieltjes Kanaal Maatschappij, afgekort S.K.M., oprichtten. Het kanaal dankt zijn naam aan de ingenieur Thomas Johannes Stieltjes (1819-1873), die zich beijverd heeft voor de aanleg.

Het Stieltjeskanaal sluit bij het huidige Nieuw Amsterdam aan op Verlengde Hoogeveensche Vaart.

Het was oorspronkelijk echter de bedoeling dat Nieuw Amsterdam nabij de knik in het Stieltjeskanaal, bij de aansluiting met het Dommerskanaal zou moeten ontstaan. Dit blijkt tegenwoordig nog uit de aanwezigheid van de aldaar gebouwde herenhuizen.


De Verlengde Hoogeveense Vaart: Omhoog

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, kanaalgravers
Kanaalgravers aan het werk.
Wie kent de namen?

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, kanaalgravers
Een groep kanaalgravers.
Wie kent de namen?

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, Hoogeveense vaart
De Verlengde Hoogeveense vaart.

De aanval op het veen in Zuidoost Drenthe vanuit het westen begon omstreeks 1856-1857 met het verbreden en daarna verlengen van de Hoogeveense Vaart.

Het initiatief hiertoe was in enige jaren eerder genomen door Jhr.Mr.A.W.van Holthe tot Echten (1816-1900) uit Assen, die voor de financiering steun verkreeg van de bankier J.Kalff &Co en Mr.J.Heemskerk Azn beide uit Amsterdam.

In 1850 verleende Koning Willem III de concessie die door het drietal werd overdragen aan de door hen opgerichte Drentsche Kanaal Maatschappij, ofwel de D.K.M. Zij wilden echter wel de garantie van de markegenoten van Noord en Zuidbarge hebben, dat het veen afgegraven mocht worden. De overeenkomst werd getekend in 1851.

Op 28 juni 1851 kocht de Drentse Land Ontginning Maatschappij, D.L.O, voor ongeveer f 12.000,- gulden een veengebied van 1260 hectare van de markegenoten van Noord en Zuidbarge, gevolmachtigd door de heren:

  • Klaas Ensink landbouwer te Noordbarge.
  • Hendrikus Haasken landbouwer te Noordbarge.
  • Lucas Rabbers, landbouwer te Zuidbarge.
  • Geert Betting, landbouwer te Zuidbarge.

Dit veengebied kreeg de naam Amsterdamse veld, genoemd naar de woonplaats van de oprichters der D.L.O. die op 21 oktober 1851 in Amsterdam werd opgericht door de heren:

  • Hendrik Meinesz, ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.
  • Gregorius Cruijs Corneliszoon, grondeigenaar te Amsterdam.
  • Hendrik van Beeck Vollenhoven, koopman te Amsterdam.
  • Pieter Christiaan Stadsnitski, makelaar te Amsterdam.
  • Jan Pieter Adolf van Wickevoort Crommelin, grondeigenaar te Amsterdam.
  • Albert van Geuns, koopman te Amsterdam.

Het oprichten van de Drentse Land Ontginnings Maatschappij was een zuivere beleggingszaak, men verwachte pas later te gaan verdienen aan het te ontginnen gebied.

De zes heren uit Amsterdam waren ook de aandeelhouders van de D.L.O. Bij de aankoop van het Amsterdamse veld waren zij echter nog geen aandeelhouder van de Drentse Kanaal Maatschappij. Dat werden ze volgens W.Visser pas enige jaren later. (Noot: W.Visser meldt dat het boek "Stromen en schutten, vaarten en voorden van G.A.Coert, uitgave 1991, op dit punt abuis is.)

Omstreeks 1852 stichtten de Amsterdamse eigenaren het dorp Nieuw Amsterdam in het naar hun genoemde veengebied. (Noot: veelal wordt vermeld dat de kanaalgravers in het jaar 1860 Nieuw Amsterdam stichtten. Dit is volgens W.Visser niet correct.) Later werd het hele gebied tot aan de Hoogeveense Vaart Nieuw Amsterdam genoemd.

In 1860 bereikten de kanaalgravers van de D.K.M. de grens van het Westerveen. Deze grens van dit veengebied lag ongeveer bij de brug tussen Veenoord en Nieuw Amsterdam. Het Westerveen lag ten zuiden van de Verlengde Hoogeveense Vaart, globaal tussen Veenoord en Erica en was verdeeld in de blokken 4 t/m 8. Het Amsterdamse veld lag enkele kilometers zuidelijker. Na de aanleg van de zijtak in 1861 werd ook het Amsterdamse veld bereikt.

In 1867 waren de werkzaamheden gevorderd tot aan de (later aangelegde) brug in Erica.


Ten oosten van Erica verandert de Verlengde Hoogeveensche Vaart van naam. Omdat het gedeelte tussen Erica en de Duitse grens werd uitgevoerd door de N.V. Nieuw Echtens Veen Compagnie, N.E.V.C, kreeg het de naam Van Echtenskanaal.

De N.E.V.C werd opgericht op 5 augustus 1881 met als belangrijkste aandeelhouder Jhr.Mr.A.W.van Holthe tot Echten uit Assen, die ook aan de basis had gestaan voor de aanleg van de Verlengde Hoogeveense Vaart.

De kanaalgravers van de N.E.V.C. bereikten in 1889 de omgeving van het Barger Oosterveen. De eerste bebouwing in het Barger Oosterveen vond van 1903 tot 1906 plaats bij de Dordsebrug aan het Van Echtenskanaal. Het waren middenstanders uit de oudere Drentse en Overijsselse veenkoloniën die hier hun huizen en/of winkelpanden bouwden op de aan de Nieuw Echtens Veen Compagnie in erfpacht of koop verkregen grond aan het Van Echtenskanaal. Zo ontstond hier de plaats Klazienaveen.

In 1893 bereikte de N.E.V.C. de Duitse grens. Hier ontstond de plaats Zwartemeer.

Als gevolg van geschillen over het verdere tracé van het kanaal kwam de verbinding met het Süd-Nord-Kanal pas eind 19e eeuw tot stand.

Omstreeks 1900 trokken de kanaalgravers noordwaarts waardoor het Verlengde Oosterdiep ontstond. Via Barger Compascuum ging het verder noordwaarts richting Emmer Compascuum om een verbinding te maken met de Runde.


Tussen de D.K.M. en de Drentsche Veen en Midden Kanaal Maatschappij D.V.M.K.M. uit Dordrecht, die ook plannen had om het veen in Zuidoost Drenthe te exploiteren, ontstonden grote conflicten. Er heerste grote rivaliteit want beide maatschappijen hadden natuurlijk grote belangen om de turf via hun kanaal af te voeren.

De D.V.M.K.M. had met name ook problemen met de noordoostelijke richting waarin de Verlengde Hoogeveense Vaart zou orden aangelegd. Een meer oostelijke richting zou voor de D.V.M.K.M. als voordeel hebben gehad dat de Hoogeveense Vaart verder uit buurt van het door hen aan te leggen Oranjekanaal zou blijven en daarmee ook uit de buurt van hun veengebied.

Ook een, door de Barger markegenoten gewenste, verbinding tussen beide kanalen zou dan lastiger, lees duurder, te realiseren zijn. Een verbinding tussen beide aan te leggen vaarwegen zou voor de turfschippers betekenen dat deze een vrijere keuze in te varen route hadden.

In 1857 kreeg de D.V.M.K.M. voorlopig haar zin; de minister verbood de aanleg van een verbindingskanaal. Dit verbindingskanaal zou er in 1894 toch komen met de realisatie van de Bladderswijk.


Het Oranjekanaal: Omhoog

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, Bladderswijk
Gezicht op de Oranjesluis in de Bladderswijk,
die het Oranjekanaal ging verbinden met het Van Echtenskanaal. De fotograaf stond met zijn rug
naar het Van Echtenskanaal.

De aanval op het veen vanuit het noordwesten begon in 1853. Vanuit de Drentse Hoofdvaart werd dwars door Drenthe het Oranjekanaal gegraven. Initiatiefnemer was de Asser aannemer Jasper Klijn die een aantal kapitaalkrachtige zakenmensen uit Holland bij elkaar had gebracht. Hij spiegelde hen het project voor als zeer winstgevend. Het traject zou via Hijken en de in 1854 ontstane veenkolonie Schoonoord, langs Emmen voeren om vervolgens bij het veengebied van Noord en Zuidbarge te bereiken.

In 1853 had de Drentsche Veen en Midden Kanaal Maatschappij, D.V.M.K.M, uit Dordrecht 1500 hectare veengebied van de Noord en Zuidbarger markegenoten aangekocht. Het betrof veengebieden ten westen en oosten van een uitloper van de Hondsrug. Het gebied aan de westzijde staat bekend onder de naam Oosterveen ofwel Kleine Blok, aan de oostzijde lag het gebied met de naam Smeulveen of wel Grote Blok. Eén van de voorwaarden was dat dit kanaal gegraven mocht worden vanaf Smilde tot in de venen in Zuidoost Drenthe. Een zijkanaal van het Oranjekanaal moest het Kleine Blok met het Grote Blok verbinden. Klijn begon op 12 december 1853 met graven i.p.v. 15 maart 1853 zoals oorspronkelijk de bedoeling was.

Toen de aandeelhouders tijdens de opening van een deel van het kanaal op 26 maart 1854 bij elkaar kwamen werd besloten het kanaal niet het Middenkanaal te noemen maar Oranjekanaal, om Koning Willem III te eren. Ook werd toen medegedeeld dat het kanaal hoger lag dan de meeste venen, waardoor er een probleem met de ontwatering zou ontstaan. Op 16 maart 1857 was het werk tot de sluis bij Orvelte gereed en op 28 september 1858 werd het gehele werk opgeleverd.

Het Oranjekanaal is echter geen winstgevende belegging geweest. Slechts éénmaal is dividend aan de aandeelhouders uitgekeerd. Men verwachtte tijdens het graven al winbare turf te vinden en er werd rekenschap gehouden met handel in grote opgegraven zwerfkeien. Het bleek niet uit te komen. Slechts bij Odoornerveen werd wat veen gevonden. Enerzijds stuitte men op bijna ondoordringbare keileemlagen, anderzijds waren er problemen met de stuifzandgebieden. Ook bleken de oevers soms moeilijk overeind te houden. En nog was dit niet alles.

Eenmaal in de venen ontstonden er problemen met de Drentse Kanaal Maatschappij D.K.M. die de Hoogeveense Vaart verlengde vanaf Hoogeveen richting Zuidoost Drenthe. De D.K.M. betwistte de Drentsche Veen en Midden Kanaal Maatschappij het recht op turfwinning in het veen van de marke Noord en Zuidbarge. Hierdoor ontstonden wederom grote moeilijkheden. De rechter besliste echter dat de gravers van het Oranjekanaal in hun recht stonden en zo kon de exploitatie van het veen beginnen.

Het was gewenst om een verbinding met andere vaarwegen te bewerkstelligen. Op 12 juli 1880 werd concessie verleend voor een verlenging tot de Hoogeveense Vaart. Vanwege de hoogteverschil in de waterstanden had ook dit wederom veel voeten in aarde. Het verlengde Oranjekanaal kreeg de naam Bladderswijk, genoemd naar de veenopzichter Frederik Bladder. Door de Bladderswijk kwam omstreeks 1894 een waterverbinding tot stand tussen het Oranjekanaal en het Van Echtenskanaal, het verlengde van de Hoogeveense Vaart.

In 1923 werd het Oranjekanaal wegens werkverschaffing verbreed en uitgediept. Tussen 1926 en 1929 kreeg het Oranjekanaal, met de aanleg van het kanaal Buinen Schoonoord, een verbinding met de Groningse waterwegen. De scheepvaart nam door de crisis in de jaren '30 niet toe en de dertig bruggen werden niet goed onderhouden. In de jaren 40-45 verkeerde het Oranjekanaal dan ook in een troosteloze toestand. Het rijk nam op 23 december 1951 de exploitatie van het Oranjekanaal over en werd 1953 eigenaar. Enkele jaren later nam Provinciale Waterstaat van Drenthe het beheer van het kanaal over.

In de jaren '70 werd het Oranjekanaal onbevaarbaar gemaakt, maar heeft tegenwoordig nog een zomer en winterfunctie. In de zomer wordt water vanuit het IJsselmeer en de Drentse Hoofdvaart naar het midden van Drenthe gepompt om de drogere gronden van water te voorzien. In de winter voert hetzelfde kanaal het overtollige water weer af.


De noordelijke route: Omhoog

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, baggermachine

Boven en onder: aanleg van het Ruiten AA kanaal.
Op de foto is een baggermachine aan het werk.

Foto Historisch Emmen veen, vervening, turf, baggermachine

Vanuit het noorden werd het Stadskanaal doorgetrokken tot Ter Haar en Ter Apel dat in 1858 werd bereikt.

In 1881 was het veen tussen Emmer Compascuum en het Echtenskanaal nog maagdelijk. Door de industrieel W.A.Scholtens werd na de voltooiing van het Van Echtenskanaal aan de zuidzijde begonnen.

W.A.Scholtens bracht het van de Barger markegenoten gekochte Smeulveen, door het Scholtenskanaal via de Hoofdwijk A zuidwaarts, in verbinding met het Van Echtenskanaal en noordwaarts via het Hoofdkanaal B.


Bevolkingstoename Omhoog

Hoewel de historie van Emmen en Zuidoost Drenthe in het bijzonder, onlosmakelijk met het veen verbonden zijn, werden de veengebieden vanaf 1850 in nog geen 100 jaar vrijwel geheel afgegraven.

Door de enorme toeloop van kanaalgravers en veenarbeiders groeide het inwonerstal van de gemeente Emmen sterk. De toename van het aantal inwoners was echter eveneens een gevolg van grote gezinnen. Veenarbeiders hadden alle belang bij een groot gezin om mee te kunnen helpen in de venen. Vooral vrouwen waren gewild, vanwege de te verrichten droogwerkzaamheden.

Jaar Aantal bewoners in: Jaar Aantal bewoners in:
gemeente
Emmen
kerndorp Emmen gemeente
Emmen
kerndorp Emmen
 
1650 750 - 1900 14.277 -
1754 870 - 1910 27.665 -
1769 - 279 1919 38.372 2.161
1792 836 - 1928 - 2.833
1796 1.280 - 1930 40.625 3.186
1808 1.462 - 1940 48.127 -
1812 - 351 1946 53.492 11.928
1815 1.550 - 1950 57.235 -
1825 1.719 - 1951 57.601 14.503
1829 2.120 - 1953 61.199 -
1839 2.330 - 1956 62.486 18.713
1840 2.330 - 1961 66.771 22.592
1849 2.689 601 1966 74.307 29.627
1855 2.968 - 1971 80.713 36.691
1859 3.817 641 1975 82.574 -
1870 5.723 - 1988 92.500 52.532
1879 - 830      
1880 10.385 -      
1889 - 851      
1890 15.084 -      

Uit bovenstaande tabel is af te lezen dat:

  • het aantal inwoners in het dorp Emmen tot 1930 achterbleef t.o.v. de buitendorpen.
  • het inwonertal in de gemeente Emmen na 1855 sterk groeide. De vervening kwam goed op gang.
  • de bevolking in de gemeente Emmen groeide van ongeveer 2.700 inwoners in 1850 tot 57.000 inwoners in 1950. In dat jaar vonden overigens nog ongeveer 6.000 mensen werk in het veen.
Dat het aantal inwoners in het kerndorp Emmen tot 1930 sterk achter was gebleven bij de buitendorpen blijkt uit onderstaande tabel:
Aantal inwoners per dorp in 1930
Amsterdamscheveld 1.349 Nieuw Amsterdam 2.189
Barger Compascuum 2.279 Nieuw Dordrecht 844
Barger Oosterveen 3.363 Nieuw Weerdinge 4.454
Barger Oosterveld 840 Noordbarge 1.121
Emmen 3.186 Roswinkel 1.767
Emmer Compascuum 2.985 Weerdinge 872
Emmer Erfscheidenveen 3.333 Zuidbarge 576
Erica 2.581 Zwartemeer 2.321
Klazienaveen 2.276 - -

Nieuw Weerdinge, Barger Oosterveen en Emmer Erfscheidenveen hadden in 1930 meer inwoners dan het dorp Emmen.

Crisisjaren Omhoog

Foto Historisch Emmen uitdelen kleding en dekens in het veen
Uitdelen van kleding en dekens in de jaren 20.

Vanuit Duitsland werd in toenemende mate goedkope steenkool naar Nederland geëxporteerd. Ook de Nederlandse mijnen gingen meer en goedkoper produceren. Het einde van het veentijdperk leek nabij.

Tussen 1870 en 1913 nam de invoer van steenkool toe van 1,8 miljoen tot 8 miljoen ton. De voorkeur van steenkool boven turf was logisch: de prijs was lager, de verbrandingswaarde hoger, opslag van steenkool vroeg minder ruimte, turf had meer afvalstoffen dan steenkool na verbranding, en de transportkosten van turf waren hoger.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog keerde het tij. De invoer van steenkool stagneerde en Nederland was weer op zijn eigen brandstoffen aangewezen. Het veen in Zuidoost Drentse beleefde gouden tijden. De lonen stegen enorm en de gezinnen in het veen profiteerden daarvan.

Echter niet de gemeente Emmen. Door de komst van vele nieuwe inwoners stegen de uitgaven sterk, bijvoorbeeld aan onderwijs voor de kinderrijke gezinnen zonder dat daar inkomsten tegenover stonden. In 1919 was de gemeente Emmen dan ook bijna failliet.

Na de Eerste Wereldoorlog zakte de veenmarkt weer geheel in. Er was weinig werk, de turfprijzen daalden, de lonen daalden. Er heerste arbeidsonrust met stakingen als gevolg.

In 1921 kwam het tot één van de grootste veenstakingen ooit. Betogingen van 3000 stakers waren geen uitzondering. Men vervoegde zich veelal bij winkels om brood of tabak op te eisen.

De situatie werd nog erger doordat de stakers het veen in brand staken, maar het waren niet alleen de stakers die dat deden. Ook een enkele vervener deed mee om proberen verzekeringsgelden voor de onverkoopbare turf te innen. In de nacht van 9-10 april 1921 ontstond tijdens een zuidwester storm een brand van ongekende omvang. Het gehele gebied van Weerdinge tot Exloo leek te branden, en toen de wind draaide van Exloo tot het Barger Oosterveen. De rook hing tot in Friesland.

Langzamerhand echter togen de veenarbeiders toch maar weer aan het werk tegen de lage lonen. Van een uitkering uit een stakingskas was toen geen sprake. Omdat driekwart van de Emmer bevolking van het veen leefde ontstond er voor het gemeentebestuur in Emmen een crisis. Niet alleen de veenarbeider was de dupe, ook de middenstander had het bijzonder moeilijk.

Door het ineenstorten van de turfmarkt zochten veel honderden arbeiders hun heil ergens anders, zoals in de mijnen, bij Philips, in Twente of bij de Zuiderzeewerken.

De middenstand deed in 1922 een beroep op de regering om de helpende hand te bieden, want zij konden onmogelijk langer krediet verstrekken aan hun klanten, als er geen zekerheid was dat in het turfseizoen de schulden terugbetaald zouden worden.

Evangelist De Weerd, die omstreeks 1904 in Klazienaveen neerstreek, trok aan de bel, maar ook gemeenteraadslid Wanders vroeg in 1928 de regering om een commissie in te stellen die de situatie in de venen zou moeten onderzoeken.

De regering deed echter weinig, mede door de slechte financiële situatie van het rijk. Met het aanstellen van burgemeester Bouma in 1927 dacht men orde op zaken te stellen.

Pas in 1933 erkende de regering turf als crisisproduct en viel het onder de Landbouwcrisiswet. Deze wet was er op gericht om door beperking van de productie de prijzen weer op een kostendekkend niveau te krijgen, waarna de productie mogelijk weer lonend zou kunnen worden.

Producenten van turf werden verplicht zich bij zogenaamde crisiscentrales aan te sluiten. In mei 1934 werd de Stichting Nederlandse Turfcentrale opgericht, met als doel de turfproductie en verkoop van fabrieksturf in goede banen te leiden. Huisbrandturf viel hier niet onder omdat de problemen hier minder groot waren dan bij de fabrieksturf. Deze turfcentrale kondigde eerst een productiebeperking af en na twee jaar kwam het Crisis Fabrieksturf besluit. De maximum productie werd gesteld op 23.200 dagwerk turf, waarover een toeslag van f 25,- per dagwerk werd verstrekt. De verveners daarentegen moesten 30 cent contributie per dagwerk aan de stichting afstaan. Tevens kwam er een Centraal Verkoopkantoor die de afzet van turf moest coördineren. In 1937 viel ook de huisbrandturf onder de crisismaatregelen. Alle maatregelen tezamen leidden slechts tot een lichte verbetering.

In nog geen honderd jaar was het veengebied sterk geslonken en heeft het plaatsgemaakt voor landbouwgrond. Ondanks de crisis was aantal veenarbeiders toegenomen en dat had tot gevolg dat velen niet alleen verspreid over het bovenveen gingen wonen, maar tevens langs de lange kanalen, waardoor de voor de veenkoloniën kenmerkende lintbebouwing ontstond. Hierdoor ontstonden de talloze plaatsen in Zuidoost Drenthe. Omdat landbouwbedrijf minder arbeidsintensief was als het veenbedrijf ontstond er structurele werkloosheid.


Industrialisatie Omhoog

Om de bestrijding van de werkloosheid te bevorderen werd na de Tweede Wereldoorlog "de wet op ontwikkelingsgebieden" aangenomen. Hierdoor kwam er geld beschikbaar en kreeg de regering middelen ter beschikking om industrialisatie in "ontwikkelingsgebieden" met hoge en structurele werkloosheid te bevorderen. Het gemeentebestuur van Emmen stond niet meer alleen in hun streven verbeteringen aan te brengen. Zuidoost Drenthe werd als ontwikkelingsgebied aangewezen.

De Tweede Wereldoorlog gaf nog wel een tijdelijke groei naar veen te zien, maar na de oorlog was het de overheid die met gelden van de Marshall-hulp nieuwe impulsen aan deze regio gaf.

In 1940 had de N.E.T.O. (Noordelijke Economisch Technologische Organisatie) van Drenthe en Groningen in een rapport al gewezen op de ernstige gevolgen van de toenemende werkloosheid. Men stelde in dat rapport met klem dat industrialisatie het enige juiste middel zou zijn deze werkloosheid te bestrijden. De volgende cijfers uit 1947 geven een beeld weer in hoeverre men nog afhankelijk was van het veen en de landbouw.

totale beroepsbevolking in 1947: 19.827 zielen
werkzaam in: totaal
veenderij 27,6% = 5.472
landbouw 23,1% = 4.580
nijverheid 22,8% = 4.520
handel, bank - en verzekeringswezen 9,3% = 1.844
vervoer, opslag en communicatie 3% = 595
dienstverlening 13,8% = 2.736

In eerste instantie stond men een "decentraal" beleid voor. Onder het motto: "breng het werk bij de mensen" konden allerlei bedrijven zich met name in de buitendorpen vestigen, waar de werkloosheid het grootst was.

jaar vestigingsplaats naam
1938 Emmen Bendien, Almelo
1947 Emmer Compascuum AKU (conerij)
1948 Nieuw Weerdinge Spanjaard
1947 Nieuw Weerdinge Gero
1948 Klazienaveen Rademaker
? Zwartemeer Heemaf

Men kwam al snel tot de conclusie dat er voor het aantrekken van grotere industrieën meer nodig was dan een groot aanbod van werknemers, lage lonen en subsidie. Het vereiste een juist industrieel klimaat. Bedrijven die zich elders wilden gaan vestigen namen vaak vakdeskundigen en leidinggevenden mee, de zogenaamde mensen die "de kar moesten trekken".

Om de stap naar "het onbekende en verre Zuidoost Drenthe" te vergemakkelijken was het belangrijk dat Emmen over goede woon -, winkel - en onderwijsvoorzieningen en andere infrastructurele zaken kon beschikken alsmede een leuke omgeving, alsmede recreatieve en culturele voorzieningen. Doordat Zuidoost Drenthe als ontwikkelingsgebied was aangewezen kwamen allerlei openbare werken tot uitvoering. Wegen en bruggen werden aangelegd of verbeterd, de riolering kwam verder tot ontwikkeling en een heus industrieterrein zou worden aangelegd.

Het dorpse karakter van Emmen dat begin jaren vijftig nog grotendeels bestond uit boerderijen op het Noordeind en villa's voor de beter gestelde burgers in het centrum, zou snel verdwijnen.

Het idee van decentralisatie van industrieën werd omstreeks 1950 verlaten. Toen kwam meer en meer het besef naar voren dat industrieën, woningbouw en overige voorzieningen zich in het dorp Emmen moesten concentreren.

Deze ommezwaai is grotendeels veroorzaakt door de plannen van de AKZO om zich in Emmen te willen vestigen. Ook J.Winsemius, verantwoordelijk voor regionaal - economisch beleid, pleitte sterk voor een "stedelijke bevolkingsagglomeratie" met "een goed uitgeruste stadskern". Juist in het maagdelijke Emmen zou dit nog alleszins te verwezenlijken zijn, in tegenstelling tot plaatsen als Enschede, Eindhoven en Tilburg waar wijken en fabrieken naast - en door elkaar lagen.

De AKU uit Arnhem, gesteund door Economische zaken, bleek zich alleen in de kern Emmen te willen vestigen mits er gezorgd kon worden voor een goed woon - en leefklimaat voor het personeel. Het gemeentebestuur onder leiding van burgemeester Gaarlandt reageerde adequaat.

De AKU kwam, de bevolking groeide, woningen, wijken (Emmermeer), winkelcentra en scholen werden gebouwd. Het boerendorp werd in enkele jaren omgevormd tot een industrieel dorp. Voor Erica en Klazienaveen werd ook de tuinbouw een belangrijke economische activiteit.

Andere veengebieden in Nederland kenden een geleidelijke ontwikkeling. Nergens anders in Nederland ging de ontwikkeling van veengebied naar stedelijk gebied zo snel als in Zuidoost Drenthe. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de dienstverlenende sector wat achterbleef. Dit was te merken in de crisisjaren '70 en '80 toen bleek dat veel productiebedrijven in Emmen van elders gevestigde bedrijven hier als eerste werden gesloten.


Bronvermelding: Omhoog

  • "Amsterdam, Nieuw Amsterdam, New York" door W.Visscher 2000.
  • "Rond de Runde" door W.Visscher 1997.
  • "Emmen en zuidoost Drenthe" onder redactie van M.A.W.Gerding 1989.
  • "De Peelsen van Amsterdamscheveld" door M.van Noesel 2010.
  • "Stromen, schutten, vaarten en voorden"door K.Coert 1991.
  • "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel I" door H.T.Buiskool.
  • "Technisch Gemeenteblad". Officieel orgaan van hoofden van gemeentewerken, van de hinderwet en bouwtoezichtvereniging.
    Uitgave 4 september 1958.
  • Een publicatie van de gemeente Emmen van februari 1969.
  • "Geïllustreerde plaatsbeschrijving Gemeente Emmen"
  • K.Wanders voor het beschikbaar stellen van informatie welke oorspronkelijk bedoeld was voor kinderen van de basisschool.
  • Foto's:
    • "Katholieke Illustratie" 1935. Collectie R.Boelens.
    • "Het Noorden in Woord en Beeld" mei 1929. Collectie R.Boelens.
    • "Het Noorden in Woord en Beeld" juni 1932. Collectie R.Boelens.
 

Wie helpt? Omhoog

 

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.