|
De Landarbeiderswet, die dateert uit 1913, moest de landarbeider, waaronder ook de veenarbeider werd verstaan, in
de gelegenheid stellen om een eigen plaatsje, een stuk land met woning, te verkrijgen.
Om de Landarbeiderswet uit te voeren en te bevorderen, werd in Emmen de Vereniging Eigen Haard opgericht. Na
een lange tijd van voorbereiding werden op 27 maart 1920 de statuten bekrachtigd van de vereniging tot uitvoering
der Landarbeiderswet voor de gemeente Emmen, genaamd "Eigen Haard".
Volgens de "Wet tot regeling van het recht van vereniging en vergadering" kon een vereniging die voor
een bepaalde tijd werd opgericht makkelijker en sneller goedkeuring verkrijgen door koninklijke goedkeuring aan
te vragen dan door erkenning bij wet. Met een bepaalde tijd werd vaak 29 jaar en 11 maanden aangehouden.
De
Vereniging Eigen Haard vroeg op 22 februari 1921 koninklijke goedkeuring aan. Op 2 maart 1921 informeerden B&W
van Emmen de minister van Landbouw, Nijverheid en Handel te 's Gravenhage hierover en verzochten hem deze wijze goed
te keuren.
Waarschijnlijk waren de eerste afgesloten contracten zogenaamde huur/koop contracten. De kreet:
"rente en huur, slaap geen uur" spreekt boekdelen.
Iedere drie maanden moest er betaald worden.
Op 3 januari 1921 verzocht wethouder Joh.Haasken uit Noordbarge, wethouder van Volkshuisvesting diverse kranten,
waaronder de Emmer Courant, Het Nieuwsblad van Emmen, de Veenbode en de Nieuw Amsterdamsche Courant, de mogelijkheid van
de wet onder de aandacht van de lezer te brengen. De tekst luidde als volgt: "De heer Joh. Haasken te Noordbarge,
wethouder voor volkshuisvesting enz, in deze gemeente, verzoekt ons het navolgende onder de aandacht van belangstellenden
te brengen: Den landarbeider, die aan de gestelde vereischten voldoet, wordt gelegenheid gegeven om een plaatsje -
waaronder verstaan wordt land met landarbeiderswoning, zoodanig vereenigd dat zij één geheel vormen - in eigendom te
verkrijgen."
"Het plaatsje, dat voor het doel geschikt moet zijn, mag met inbegrip van de eerste noodige verbeteringen,
niet meer dan f 4.000,- kosten. De landarbeider moet uit eigen middelen een tiende van de kosten betalen.Van het overig
bedrag moet hij tot het derde kalenderjaar na het aangaan der schuld 4% rente voldoen, en vervolgens gedurende dertig jaren
voor rente en aflossing te zamen 5,6% per jaar. De betaling kan geschieden in wekelijksche termijnen."
"Aanvragen ter bekoming van het benoodigd bedrag ter verkrijging van en plaatsje in eigendom moeten worden
gericht tot Burgemeester en Wethouders dezer gemeente."
Deze financiering door de overheid moest betrouwbaarder overkomen dan een lening of hypotheek van een bank om daarmee
arbeiders in de gelegenheid te stellen uit hun slechte behuizingen te komen.
De drie maandelijkse betaling werd omgezet in een wekelijkse betaling, omdat vele arbeiders betalingsachterstand hadden.
De wekelijkse betaling loste de grote betalingsachterstanden niet op. De gemeente had hieraan strop en regelde het voor
hen zo dat zij die wekelijks tenminste f 1,75 betaalden en niet meer dan drie weken achter kwamen, geen problemen hoefden
te verwachten met hun opgelopen oude schuld. Bij sommigen kwam ook hiervan niets terecht.
Op 4 april 1921 bevestigen B&W het gesprek tussen de wethouder van volkshuisvesting en de Vereniging Eigen Haard.
Om het vertrouwen in de regeling te vergroten konden de landarbeiders de aanvraag nu ook indienen bij een lid van de
Vereniging Eigen Haard, die een bemiddelende rol tussen arbeider en gemeente had. Zo'n lid was vaak iemand die men
persoonlijk kende of waarbij men in de buurt woonde waardoor het vertrouwen in de regeling moest toenemen. Toename van
huisbezitters betekende namelijk dat er minder krot- en keetbewoners zouden zijn en daar was het allemaal om begonnen; het
laten verdwijnen van de krotten.
|