|
Hoewel de woningwet van 1901 regelde dat gemeenten tot onbewoonbaarverklaring mocht overgaan was dat in zuidoost Drenthe niet
makkelijk. Waar moesten de bewoners heen na een onbewoonbaarverklaring?
Er moest een oplossing komen. Daarom werd besloten een aantal goedkope en eenvoudige huisjes te bouwen. Maar waar?
Het "asociale volkje" werd niet door de arbeidslustige bevolking opgenomen. Evenmin werden ze door de
zandboeren in hun gemeenschap aanvaard, want ze woonden in het randgebied tussen zand en veen.
Het zogenaamde asociale volkje bestond uit de zwakkeren in de samenleving, lichamelijk of geestelijk zwak. Drankzuchtigen,
maar ook weduwen met kinderen, zieken en andere zwakkeren. Ongelukkigen die niet in het arbeidsproces opgenomen konden
worden en vervolgens financieel onvoldoende geholpen werden. Deze groep breidde zich uit door oplopende werkloosheid.
Veenarbeiders verloren hun werk als gevolg van de opkomst van de kolenindustrie. Ook de crisisjaren hebben hen danig parten
gespeeld.
Het was deze groep mensen die in deze jaren op de voorgrond kwam te staan in de schrijvende media om de armoede in de
venen aan te tonen.
Op aandrang van de overheid werden een aantal houten noodwoningen gebouwd voor de ernstigste gevallen. Deze (dubbele)
woningen kwamen veelal nabij de dorpen te staan om de mensen uit de negorij te krijgen en in de dorpsgemeenschap op te nemen.
Het bleek een mislukking. De bewoners van de noodwoningen duldde niet de minste kritiek van buitenstaanders. In en om de
zwart geteerde huizen was het al spoedig een chaos van kapotte spullen en afval. Ramen gingen stuk en werden dichtgespijkerd
met kartonnen dozen. De houten noodwoningen zijn mettertijd opgeruimd, niet door ze af te breken maar door ze af te branden,
om reden van besmettingsgevaar van ziekten.
Onder andere aan de Weerdingerstraat, ongeveer ter plaatse van de
OBI fabriek, hebben een aantal van deze noodwoningen gestaan.
In het kader van de krotopruiming werden op talrijke plaatsen eenvoudige stenen huisjes gebouwd, soms ver buiten de
bebouwde kom. In Emmen zijn ze onder andere neergezet ten noorden van het centrum, daar waar later de wijk Emmermeer gebouwd
zou gaan worden. Het was een uitgebreid gebied van heide, vennen, zandverstuivingen en bouwgrond waarlangs oude zandwegen
liepen.
Aan deze zandwegen, de later als straat benoemde Nijkampenweg, Warmeerweg en Valtherzandweg, werden huisjes gebouwd, acht
tot tien stuks in een rij. Allen hadden een rood pannendak waardoor de naam "Het rode dorp" ontstond.
De eerste woningen die werden gebouwd waren klein en sober. Er was meer ruimte voor het varken en de
geit dan de mens. De woningen stonden op grote kavels van 15 tot 20 are, zodat men zelf een moestuin kon houden. De woningen
waren niet voorzien van elektriciteit, waterleiding en riolering. De slaapkamers waren veredelde bedsteden in een ruimte van
amper twee bij twee meter waarin een bedbak van 1.80 mtr bij 1.20 mtr. De huur van deze woningen bedroeg f 1,50 per week. Het
was een aantrekkelijke prijs voor mensen met weinig inkomen. Toch hadden ze daar moeite mee. Werklozen moesten veelal rondkomen
van f 10,- of minder per week.
Door het bouwbedrijf Van der Elst uit Amsterdam werden nog woningen gebouwd met een apart schuurtje voor het kleinvee. Het
waren gezellig uitziende woningen en door op de hoeken een vierkant vrij te laten waarin een gemetselde bloembak kwam, kregen
deze woningen de naam "bloembakwoningen".
Zo konden de allerergste holwoningen worden geruimd. Toch bleven veel krotten, keten en andere zelfbouwsels nog staan. De
bewoners woonden kennelijk liever in vrijheid in een keet, het scheelde in elk geval huur aan de Emmer Woning Centrale.
Een probleem wat zeker meespeelde is de vraag hoe men leerde "goed te wonen". Hoe leerde men de mensen het juiste
gebruik van een huis als men immer in een krot of een keer gewoond had? Wat te doen met huisraad als de meest elementaire dingen,
als kleding en beddengoed, ontbraken?
Zonder aan bovenstaande aandacht te besteden maakte de overheid per 1 juli 1926 het wonen in een krot of keet onmogelijk. Ze
vaardigde de maatregel uit dat krot- en keetbewoners niet langer in aanmerking kwamen voor werkverschaffing en huurtoeslag.
Om de mensen het "goed wonen" aan te leren stelde Emmen in 1929 een woninginspectrice aan. Zij selecteerde de
gegadigden voor de huurwoningen, had de taak om de bewoners woonvaardigheid te leren, hield daarop toezicht en gaf tevens adviezen
over huishouden, hygiëne en omgaan met geld. Helaas wierp de maatregel niet de vruchten af die ervan verwacht werden terwijl de
toenemende bevolkingsomvang vaak resulteerde in dubbele bewoning van de huurwoningen.
Om hulpacties beter te stroomlijnen nam commissaris de koningin J.T.Linthorst Homan in 1925 het initiatief tot oprichting van
een Centrale Commissie "voor den Oeconomischen, Cultureelen Hygiënischen Opbouw van Drenthe" met name voor de veengebieden.
In 1926 werd de naam gewijzigd in "Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe".
|