|
Het mooie Drentse heide landschap, rond de gemeente Emmen. Deze bestaat uit 23 dorpen
met 36.000 inwoners en niet minder dan 86 herbergen.
Deze bovengrondse loopgraaf, die ze een huis noemen, heeft een breedte van 1 meter en
een lengte van 3 meter. Er leven vijf mensen in.
Bij voorkeur worden deze holen gegraven en aangelegd ter plaatse waar de
heide een kuil vertoont. Zij hebben dan tenminste enige beschutting tegen
weer en wind. Vijf personen wonen deze villa-der-menschen-ellende.
|
Het volgende artikel is een (vrijwel) volledig citaat van Mr.A.de Jager, griffier van het
kantongerecht te Emmen en lid van de huurcommissie in Emmen anno 1918.
"In dit artikel, toegelicht met wat we gerust zouden durven noemen hemeltergende
foto’s, zien we weer eens schandelijke toestanden en opzienbarende wanverhoudingen,
om aan de kaak te kunnen stellen". Zulks dankende aan den oproep van den lezers van ons
blad. Van niet minder dan drie kanten toch, kwam bij onze redactie verleden week het verzoek
in onze camera als openbare aanklager in dienst te stellen van de letterlijk in alles
misdeelden op de Drentsche heide."
"Mr.A.de Jager werd ons genoemd als een man die tijd en moeite ter beschikking
stelt aan de verbetering van het groote euvel, waaronder de streek zijner inwoning lijdt:
gebrek aan een dak."
"We verzochten hem één onzer fotoredacteuren voorlichting te willen verstrekken, een
taak waaraan hij zich allerbereidwilligst gewijd heeft. Moge ook de poging die we vandaag
wagen, het werk dat we op initiatief van Emmenaren wagen, vrucht dragen en hulp brengen.
"
Lees thans wat Mr.A.de Jager bij de foto’s te vertellen heeft:
"Toen de hoofdredactie van "Het Leven" mij verleden week op een morgen seinde of ik
haren fotograaf na aankomst van de ochtend sneltrein in Emmen kon verwachten, zat ik er
een oogenblik mee in. Want sneltreinen zijn in ons achterland nog vreemd en ik vreesde, dat
er na aankomst van het locaaltreintje weinig tijd over zou blijven, om opnamen te doen.
Immers al konden we ook al reeds dicht bij huis de allertreurigste woningen zien, we moesten
nog verder het zwarte veen in, naar streken, slechts per fiets en dan nog met moeite te
bereiken. Hoe ik beduiden moest, dat een vroegere komst gewenscht werd, was niet gemakkelijk
op te lossen, geïsoleerd als we hier zijn. Gelukkig deed een goed gesternte het reisplan
vervroegen en stond de verwachte camera persman reeds eerder dan ik gedacht had, voor me,
zoodat we al heel gauw op stap konden gaan, den blijden zon-gullen herfstmorgen in."
"We zouden een kijkje nemen tusschen de holen kolonies in de gemeente Emmen, op
één na grootste van ons land, ze beslaat meer dan 30.000 ha, voor een groot deel nog veen.
Hare nog steeds wassende bevolking, die thans over de 36.000 zielen telt, is verdeeld over 23
grootere en kleinere dorpen, voor het meerendeel jonge veenkoloniën, die de laatste jaren
een geweldige vlucht hebben genomen. Waar voor twintig jaren niets dan
maagdelijk veen was, vindt men nu dichtbevolkte kolonieën. Zoo was er voor twintig jaren van
Klazienaveen, gesticht door den bekenden groot industrieel W.A.Scholten en naar diens
echtgenoote genoemd, al heel weinig te bespeuren. Thans is het reeds een flinke plaats.
En gelijk met Klazienaveen is het ook gegaan met Nieuw Weerdinge, Emmer Compascuum, Emmer
Erfscheidenveen, Erica, Nieuw Amsterdam en meer nederzettingen. Alle bloeiende veenkoloniën,
al wed ik dat hunne namen de meeste lezers nog onbekend zullen zijn."
|
|
Een huis langs den weg van Emmen naar Noordbarge. De gaten, welke als ramen
dienst doen, worden met een lap gesloten. Rond de rookende kachel waren zes
menschen gezeten, het gezin dat hier zijn dagen slijt, leeft, eet en slaapt.
Nog zoo'n krot, dat we aantroffen aan den weg naar Barger Compascuum. Het is
er donker en kil binnen, door de kieren blaast de wind, en uit het dak drupt
de regen neer. Verkleumd, hongerig en schamel gekleed, waren de zes bewoners.
Een zogenaamde "plaggenhut" zooals we er zeker een honderd gezien
hebben. Deze stond op instorten. Van de acht ramen waren alle ruiten
gebroken. Lappen hielden de wind tegen. Waait het te hard en loopt de wind
naar storm, dan gaan de bewoners, man vrouw met vier kinderen, zoo lang maar
buiten op de hei zitten, doodsbang dat ze onder het vallend dak begraven te worden.
.. want het dak steunt met een zijbalk bij de x op de de linnenkast. De eigenaar van
den grond, waarop de hut staat, heeft een ontruimingsmachtiging, maar de deurwaarder kan
het bevel niet uitvoeren omdat het dak boven zijn hoofd instort zodra hij de kast eruit haalt.
Op den achtergrond een der holen, waarin de menschen hier leven. Vooraan een keuken in
de open lucht, waar zij koken, branden en bakken ALS zij te koken, braden en bakken hebben.
"Men moet het met eigen oogen gezien hebben, men moet de menschen hooren vertellen,
om al dit aanklachtsmateriaal tegen de beschaving onzer dagen te kunnen gelooven."
Als laatste in deze sombere reeks een kunstlichtopname van een "vredig
interieur" met man, vrouw, oude vader en drie kinderen. Op den kouden,
naakten, vochtigen, ganschelijk onbedekten veenbodem leven ze, eten ze, slapen ze.
"Slaat u de angst niet mede om het hart. lezer, bij de
gedachte hoe dit heele gezin met vrees en beven de winter tegemoet ziet, als
de vorstwind om het krot giert en de sneeuw naar binnen vlokt. Verleden jaar
is er binnen deze "gezellige vier muren" een hond dood gevroren.
|
"Geen wonder, dat bij eene gestadig zich uitbreidende bevolking gebrek aan woningen zich
nijpend doet gevoelen. Aanwas van bevolking door geboorten en vestiging, vooral ook van uit
Duitschland teruggekeerde gezinnen, duurte der bouwmaterialen hebben in Emmen een
letterlijken noodtoestand op woninggebied doen ontstaan als nergens te vinden. Twee
plaatselijke factoren, die elders ontbreken, werkten den algemeenen woningnood nog bijzonder
in de hand."
"Vele woningen namelijk behooren onafscheidelijk bij het veenwerk. De veenarbeider
heeft in vele gevallen als deel van zijn loon genot van vrije woning. Eindigt de dienstbetrekking,
dan moet hij tevens de woning ontruimen. De vervener heeft er belang bij, dat door zijn
arbeiders, zooveel mogelijk "dag-taken" turf worden bewerkt en hoe grooter het gezin, hoe
meer ook bewerkt kan worden. Moet nu de man onder dienst en blijft de vrouw met hare, vaak
nog kleine kinderen achter, zoo wordt hun plaats door een ander gezin ingenomen, en met de
arbeidsovereenkomst eindigt nu ook het vrij gebruik der woning. Vrouw en kinderen moeten dan
maar ergens een goed heenkomen vinden."
"Een tweede factor, die den woningnood verergeren doet, is in de omstandigheid
gelegen, dat vele woningen op het bovenveen staan. Zoolang dit onversneden is, kunnen ze
rustig blijven, maar als het veen aan snede komt, moeten ze verdwijnen omdat ze in de weg
staan voor verdere vervening."
"Dit lot heeft ook het door een paal gestutte huisje op één der foto’s getroffen.
Aan beide zijden gaapt reeds de veenput, en de verdere vervening wacht op de verdwijning van
dit armzalige krot. Reeds in mei 1917 heeft de eigenaar van de veenplaats een vonnis tot
ontruiming weten te krijgen, maar de uitvoering daarvan moet nog steeds plaatshebben,
wachtend om een zeer zonderlinge reden. Indien namelijk het voornaamste meubelstuk, de
linnenkast, op den publieken weg wordt gezet, bestaat er alle kans dat de keet die voor een
deel juist op die kast rust geheel en al in elkaar zakt."
"De woningnood is door dit alles meer dan erg en in het voorjaar van 1918 werd de
toestand onhoudbaar. Ik ken er, die in een kippenloop, in een varkenshok, anderen in een
aardappelkuil wonen. Vele dakloozen hebben van zand en plaggen een "woning" gebouwd. Een
oude woonwagen, van de wielen ontdaan, biedt ook huisvesting, al moet dan ook door gebrek
aan de noodige ruimte de stookplaats buiten zijn in een in het zand gegraven gat. Ik heb
eene weduwe met 6 kinderen gekend, die een heelen zomer in een hoop turf gehuisd heeft en
ten slotte ondergebracht is in ’t arrestantenlokaal. Zoo zou ik door kunnen gaan. De
voorbeelden liggen voor het grijpen. Maar niet alleen de tijdelijke verblijven, ook met de
reeds langer bestaande woningen is het uiterst treurig gesteld."
"Wat glunderde het oude vrouwtje dat, op hare stok leunend, voor haar "villa" staat
en dat zoo oud als ze was nog nooit op een plaatje gekomen was. Evenmin als het gezin dat
gekiekt werd, terwijl het juist aan den maaltijd was en dat er n.b. ook nog een kostganger
op nahoudt. Talloos velen zijn er, die met hun groot gezin en klein achterkeukentje bewonen,
van hooguit 5 a 6 vierkante meters oppervlak. Vele onderkomens, al voor één gezin te klein,
worden door twee, drie zelfs vier gezinnen bewoond."
"Jarenlang is er totaal niets gedaan om aan dien noodtoestand een einde te maken.
Eerst nu, nu deze onhoudbaar geworden is, grijpt het gemeentebestuur in, na veel te lang
getalmd te hebben. Het is waar, dat met prijzenswaardigen ijver eene subsidie aanvrage van de
bouwvereeniging te Emmen behandeld is en ook toezegging gedaan van steun aan andere
bouwvereenigingen. Maar wat helpt het, of er een drietal vereenigingen werkzaam zijn, in
eene gemeente van 23 dorpen? Zelf bouwen wil het gemeentebestuur niet, omdat de financiën
der gemeente het niet toelaten. En toch is het een dure plicht te zorgen, dat althans in
den ergsten nood wordt voorzien door het bouwen van noodwoningen. De huurcommissie diende
bij den raad een verzoek daartoe in. Eerst twee maanden, daarna is er een commissie benoemd,
om te onderzoeken of en zo ja waar dan eigenlijk behoefte aan noodwoningen bestaat. Zulk
talmen is misdadig geworden. Want intusschen nadert de winter met rassche schreden en het
moet al erg meevallen, als de genoemde commissie voor het einde van dit jaar met haar werk
gereed zal zijn, dan zitten we midden in de felste kou. Al dien tijd zullen de holen, voor
dieren nog te slecht, tot verblijf van menschen moeten strekken. Voor den tegenwoordigen
toestand is het tegenwoordige gemeentebestuur niet geheel alleen verantwoordelijk te stellen.
Dat is het eenige excuus, de eenige verzachtende omstandigheid die ik bepleiten kan. Eene
commissie die nu benoemd is, had zich reeds voorjaar eigener beweging moeten vormen. Dan was
er kans geweest dat velen, die den winter bang tegemoet zien, in het barre jaargetijde een
veilig verblijf bekomen hadden. Dat acht ik nu bij de afwachtende houding van het
gemeentebestuur uitgesloten, laat ons echter hopen dat de hemeltergende foto's die Het Leven
met loflijken spoed heeft doen verschijnen ertoe bijdragen, aan ergerlijke toestanden als
in Emmen voorkomen een einde te maken."
|