|
"Veen, turf en armoede, deze drie schijnen in onze veenstreken wel aan
elkander onafscheidelijk te zijn. Laat ik u in gedachten eens heenvoeren
naar de woeste veenstreken in den omtrek van Emmen: Emmen, eenige jaren
geleden telkens 't middelpunt der geweldige veenbranden, een centrum van
ergerlijk-achterlijke toestanden, waar de stedeling zich bijna geen denkbeeld
van kan vormen. Hoe de veenbevolking daar woont is ongelooflijk."
"We verlaten Emmen in oostelijke richting en slaan door prachtig bosch heen den weg
naar Emmer-Compascuum. Voor ons oog ontrolt zich grauw, vlak en eentoonig een
uitgestrekte vlakte, waartegen de loodkleurige lucht zich scherp afteekent. Na een
kwartier loopen komt er afwisseling in de akelige eentonigheid van het landschap, maar
hoe! Als paddestoelen, zich slechts even boven den grond verheffend, liggen daar de
hutten en krotten der veenbevolking, maar ten halve beschuttend tegen weer en wind."
"Den rijweg verlatende komen we op de voetpaden waarlangs de
veenbewoners hun hutten bereiken. Als schaamden ze zich voor hun uiterlijk,
zoo laag en verborgen liggen daar die krotten. Men zou er bijna over heen
loopen! Slechts een boven al dien rommel uitstekende kachelpijp zegt ons dat
daar nog menschen wonen. Een warboel van kistplanken en verwaterd
asfaltpapier vormt het dak van een menschelijke woning. We loopen er om
heen, doch onze eerste indruk wordt door dit nader onderzoek niet verbeterd.
Het geheel is even bouwvallig, en primitief als het ellendige dak zich vertoonde."
"Er zijn twee raamkozijnen, het eene bezet door een half dozijn
magere kleine bleekneusjes, die ons met hun groote holle oogen nieuwsgierig
aanstaren. Kloppen is niet noodig - de vader van het gezin, blijkbaar
werkeloos, komt al naar buiten, en spoedig zijn we met hem in druk gesprek.
Geen werk, dus geen loon - ook geen ondersteuning, en dat met een gezin van
acht kinderen !!"
"Of we even binnen mogen kijken? De man aarzelt begrijpelijk om ons zijn armoede
en ellende te toonen, doch ons verzoek wordt toch niet afgewezen."
"Armoede hadden we verwacht, maar zulk een ellendige behuizing, dat gaat toch ons
begrip te boven. Een der ramen was stuk en door beplakking met papier en vodden had men,
het heerlijk daglicht half buitensluitend, moeten voorkomen dat weer en wind al te zeer
in de armoedige woning huishielden."
"Om het gesprek te beginnen vroegen we: dus hier woont ge met uw geheel gezin? Jawel,
was het antwoord - slapen en wonen doen we hier."
"De man tilde een geruite doek op en we zagen voor ons de eenige slaapplaats, bestaande
uit wat planken, latten en ruwe stukken dennenhout, terwijl ligging en dekking slechts
bestonden uit wat gonje-zakken en vodden."
"En dan moesten er op een ruimte, iets grooter dan een twee persoonsledikant, de ouders
slapen met hun acht kinderen !"
"Velen troffen we in zoo ellendige behuizing aan die het blijkbaar vroeger veel
beter gehad hebben. En de eene hut moge misschien al wat beter of eigenlijk
minder slecht zijn dan de andere, geen van alleen zijn ze veel beter dan
varkensstallen."
"Is het geen toch eigenlijk geen schande, dat in een deel van ons vaderland zulke met de
allereenvoudigste begrippen van hygiëne en zedelijkheid spottende woningtoestanden
heerschen !"
"Laten we hopen dat er heel spoedig uitkomst moge dagen voor die stakkers in hun ellende
en dat o.a. de overplaatsing van Drentsche gezinnen naar welvarender streken door nog
andere maatregelen ten gunste van der arme veenbevolking moge worden."
|