|
De grote veenbrand van 1917:

|
|
|
Authentiek verslag opgetekend door brandmeester B.O.Spoelstra.
|
|
|
|
|
|
|
Inleiding:

|
|
|
Foto van de baggermachine waaruit vonken
ontsnapten waardoor o.a. de veenbrand
in 1917 ontstond.
Geheel links loopt koningin Wilhelmina.


|
In mei 1917 woedde er een grote veenbrand in het Weerdingerveen en bij Emmer Compascuum die men man en macht
probeerde te blussen. De brand was op 21 mei 1917 ontstaan op de Zuiderdwarsplaats maar sloeg al snel over naar
Valthermond het Valtherveen en het Exloërveen.
Mensen die niet meer konden vluchten, gingen in de wijken staan en overgoten zich telkens
met water. Mensen die wel tijd hadden om te vluchten dumpten hun meubels en beddengoed in het water. De brand
eiste aan 16 mensen het leven.
In het rampgebied en ook in plaatsen als Emmen en Stadskanaal waren alleen handbluswagens aanwezig. Tot
1920 werden branden in Emmen nog met handpompspuiten bestreden. Pas rond 1920 besloot de gemeente Emmen over
te gaan van handpompspuit naar de stoomspuit.
Spoedig bleek dat een handbluswagen weinig kon uitrichten tegen de vuurzee. De regering in Den Haag begreep
dat snel ingegrepen moest worden en riep op 24 mei 1917 de hulp in van de brandweer uit Den Haag. Zij
beschikte over motorspuiten en stoomspuiten. Ook een groep pioniers van het leger werd ingezet.
De brandweerlieden kregen onverwachte hulp, het begon te regenen en ook in de daarop volgende dagen hield
de regen nog aan. Binnen enkele dagen had men het vuur onder controle en kon worden begonnen met het nablussen.
Een gebied van ongeveer tweeduizend hectare bleek verloren te zijn gegaan.
De veenbrand kreeg landelijke bekendheid, mede door het bezoek van koningin
Wilhelmina en prins Hendrik die op 25 mei 1917 Valthermond bezochten. Wilhelmina liet zich door niets tegenhouden
om de gevolgen van de veenbrand te aanschouwen.
Na de brand wilde minister Van IJselstein de daklozen, tegen alle waarschuwingen van de ingezetenen in,
onderdak verschaffen in veldtenten. Die wilden daar, vanwege de brandbaarheid van veldtenten, geen gebruik van maken.
Burgemeester Kootstra van Emmen nodigde de besturen van de waterschappen uit om herhaling te voorkomen.
Besloten werd de veenarbeiders bij brandgevaar met seinen te waarschuwen. Werd de toestand kritiek dan mochten
er geen (koffie) vuurtjes meer ontstoken worden en was het werken met de bagger - en persturf machines verboden.
Littekens van de brand zijn er niet meer. Binnen een jaar waren alle vernielde woningen weer opgebouwd. Geestelijk
heeft de brand voor veel mensen nare gevolgen gehad.
De Stichting Historisch Brandweermaterieel www.brandweerevenementen.nl heeft een replica gebouwd van de zelfrijdende stoombrandspuit
zoals die is ingezet bij de veenbrand.
|
|
|
Telefoon in Den Haag:

|
|
|




|
Onderstaand artikel is de volledige tekst zoals deze door de brandweer Den Haag is opgetekend.
Den Haag: brandweerkazerne Prinsestraat, 's morgens 10.48, 24 Mei 1917.
"Mijnheer, daar is iemand aan de telefoon."
"Ik kom direct. Hallo Spoelstra hier."
"Spreek ik met den Commandant der Haagsche Brandweer?"
"Neen mijnheer, U spreekt met den 1en Brandmeester."
"0, zoo. U spreekt met den Secretaris-generaal van
Binnenlandsche zaken. Er is onmiddellijk hulp noodig te Emmen. De Burgemeester aldaar
verzoekt een stoomspuit, kan die gemist worden?"
"Jawel wilt U even den Burgemeester vragen mij
machtiging te verleenen uit te rukken, dan zal ik het noodige verrichten om zoo snel
mogelijk uit te rukken."
Slechts enkele minuten later werd mij door den Burgemeester machtiging
verleend om uit te rukken en alle maatregelen te treffen, die zulks bevorderen konden.
De Commandant, de heer Tuckermann, was als Voorzitter der Nederlandsche Brandweervereeniging
denzelfden morgen naar Rotterdam vertrokken om daar de eerste vergadering dier vereeniging
te leiden. Op last van den Burgemeester stelde ik mij zoo spoedig mogelijk met den Commandant
in verbinding en kreeg van dezen het bevel met de motorspuit en een stoomspuit uit te rukken
en deze voertuigen zoo sterk mogelijk te bemannen. Hierop stelde ik mij weder in verbinding
met den Secretaris - Generaal van Binnenlandsche Zaken en verzocht dezen maatregelen te
treffen voor snelvervoer van een stoomspuit met 8 man en deelde hem tevens mede, dat de
motorspuit binnen 5 minuten zou vertrekken. De Secretaris-generaal zou naar den Burgemeester
van Emmen seinen:
"Motorspuit is onderweg. Stoomspuit komt per trein."
Intusschen had ik de bemanning voor de voertuigen aangewezen; iedereen
wilde deelnemen aan den avontuurlijken tocht; verscheidene kwamen geheel ontdaan vragen:
"Mijnheer, mag ik ook mee?"
Maar allen medenemen, dat ging nu eenmaal niet; ook Den Haag mocht niet
onbeschermd gelaten worden, en binnen de 5 minuten waren de voertuigen en manschappen
gereed, de laatsten voorzien van een dubbel stel kleederen een verschooning, wapens,
helm, pet. Met de motorspuit werden nog medegevoerd extra slangen (totaal 700mtr), 12
rookmaskers, 12 stofbrillen, extra benzine en smeerolie. Het is te begrijpen, dat de
wagen geheel afgeladen was. Niet iedereen kon een zitplaats krijgen; twee man moesten
zich boven op het laddergestel neervlijen, vanwaar zij later een mooi vergezicht hadden.
|
|
|
Bemanning motorspuit:

|
|
|
Foto van het blusteam gemaakt
na terugkomst in Den Haag.
foto: www.brandweerevenementen.nl
|
De bemanning van de motorspuit bestond uit:
- Eerste brandmeester B.O.Spoelstra.
- brandmeester Otten.
- de brandwachten (chauffeurs, koetsiers, timmerlui, bankwerkers, enz.)
- Woudsma.
- Baronner.
- Audier.
- Van der Well.
- Heijstek.
- Rietveld.
- Van Ulden.
- Van den Bosch.
- Luijendijk.
|
|
|
Dag 1:

|
De motorspuit op weg
|
|

Boven en onder:
Mensen proberen hun inboedel te redden door
het op de stalen schepen te leggen.
De donkere lucht geeft aan wat er aan de hand is.

|
Te 11.36vm aanvaarden wij de reis naar Emmen vol moed en met het vaste voornemen niet te
rusten, voordat wij de plaatsen bereikt en afdoende hulp verleend hadden. Te 11.45 passeerden
wij de grens onzer gemeente en kwamen te 12.05 te Leiden aan. Hier werd 5 minuten gestopt
voor de brug die open stond. Te 12.15nm passeerden wij luid bellende de grens; te 12.58nm
Bodegraven; te 1.25 Woerden; te 1.37 Harmelen.
Tien minuten voorbij Harmelen was de weg opengebroken en
moesten wij noodgedwongen stoppen; de klinkers werden snel op haar plaats gelegd. De wagen
snel geïnspecteerd en voort ging het weer. Bij de inspectie bleek dat de naaf van het
linkerachterwiel tamelijk warm was geworden, evenwel niet van dien aard, dat wij daarvoor
behoefden te stoppen. Zoo reden wij met een flinke vaart op Utrecht aan en passeerden te
2.00nm de grens; stopten te 2.30 weder voor een brug en maakten van deze gelegenheid
gebruik de wagen nog eens grondig te inspecteren. Behalve de langzamerhand warm wordende
naaf van het linkerachterwiel was alles puik in orde.
Wij stopten te 2.32nm 2 minuten aan de grens van de gemeente Huis ter Heide, om ons nog
eens te overtuigen van den oliestand in het carter, voelden nog even de naaf van het linker
achterwiel, welke mij toch eenige zorg begon te baren. Ik besloot dan ook even te stoppen op
een stillen weg.
Zoo reden wij door tot Stompert onder Amersfoort, stopten en namen het bewuste
wiel even los; zetten de moer iets losser; vulden den dop opnieuw met olie; laafden onzen
dorst intusschen met melk en limonade en vervolgden na 10 minuten onze reis. Wij passeerden te
3.07nm Amersfoort, stopten nog een oogenblik om ons te overtuigen, dat de naaf van het linker
achterwiel nu in orde was, wat gelukkig het geval bleek te zijn. Wij zouden ons tijdverlies nu
inhalen en reden met een snelheid van 40-45km den Apeldoornschen weg op.
Te 4.15nm stopte de motor eensklaps uit zichzelf, na ons gedurende een vol uur met groote
snelheid voortbewogen te hebben. Na eenig zoeken had ik echter de fout gevonden; deze
bleek n.l. te schuilen in een verstopten sproeier. Gelukkig was de motor voorzien van een
dubbelen sproeier, zoodat, na even den benzinetoevoer overgezet te hebben, wij ons weder
met hernieuwden moed voort konden spoeden.
Te 5.15nm bereikten wij Het Loo, stopten daar om den weg te vragen, vulden intusschen
ons benzinereservoir bij en zetten te 5.30 weder de reis voort. Wij passeerden te 6.45nm
Hattum en bevonden ons te 7 uur aan de pont over den IJsel. Het overzetten ging nogal vlug
in zijn werk; onze mannen namen de taak van den schipper gedeeltelijk over en trokken de
zwaar belaste pont naar de overzijde van de rivier. Een steile helling werd nu in de eerste
versnelling genomen; nog een oogenblik van beraad en voort ging het weer.
Te 8.10nm arriveerden wij te Vilsteren. Hier besloot ik even te stoppen, om de
manschappen, die evenmin als brandmeester Otten en ik,
sedert den morgen iets genuttigd hadden, even op hun verhaal te doen komen. Groote glazen
melk werden door den baas op mijn verlangen snel aangevoerd. Na eenig dralen werd ons
den man een half brood verstrekt, overlangs doorgesneden en met goede boter gesmeerd; evenwel
werden eenige bezwaren gemaakt tegen afgifte van het brood, daar wij geen broodkaarten
medegenomen hadden. Na den boer den toestand duidelijk gemaakt te hebben en een met potlood
geschreven verklaring voor den Burgemeester overgereikt te hebben, nam hij hiermede
genoegen en begaven wij ons, voorzien van een korter of langer brood, naarmate de eigenaar
zich hieraan tegoed gedaan had, in den korten tijd, die wij voor ons oponthoud bestemd
hadden, weder op weg. Een kostbare 15 minuten was hiermede gemoeid geweest.
|
|
|
Dag 1:

|
De motorspuit in Drenthe
|
|
|
Hoever was Emmen nog? Wij konden ons slechts een vage voorstelling hiervan maken en zulks
aan de hand van een door mij medegenomen kaart van Nederland van 1903, waarop in hoofdzaak
de waterwegen waren aangegeven.
Wij zetten dan ook maar koers naar Coevorden en zouden dan wel verder zien, passeerden
Hardenberg te 9.13nm, Gramsbergen te 9.30nm en arriveerden te Coevorden te 10.15nm. Voor
een kruispunt staande en niet wetende, welke richting wij zouden gaan, wendde ik mij tot
het toestroomende publiek met het verzoek ons den kortsten weg naar Emmen aan te wijzen.
Hieraan werd bereidwillig voldaan. Deze weg leidde echter over een brug waarvan mij tevens
verteld werd, dat ze slechts een draagvermogen van 1500kg had. De brugwachter, intusschen
geroepen, bevestigde dit. Hij verklaarde zich bereid eenige liggers over de brug te
leggen, zoodat wij erover konden komen. Deze liggers stonden mij echter niet aan en ik
maakte bezwaar om over deze, m.i. onvoldoende versterking, heen te rijden, te meer daar
deze liggers niet breeder waren dan plus minus 16 cm en ik kans liep ervan af te geraken
en door de brug te zakken.
Gelukkig bevond zich onder het publiek iemand, die ons een anderen weg kon wijzen,
waardoor wij bovenbedoelde brug niet behoefden te passeeren. De weg was 5km langer, doch
wat deed dit ertoe? Hoofdzaak was voor ons in Emmen te komen en wel met een onbeschadigd
voertuig, dat direct voor gebruik gereed was. Ik verzocht dezen heer beleefd, ons wel te
willen begeleiden en bood hem een plaats aan op de motorspuit. Hiertoe verklaarde hij zich
aanstonds bereid. Na zich even verwijderd te hebben om een jas ten halen, stelde hij zich
geheel te onzer beschikking en zou ons tot Emmen vergezellen. De heer G.Bulthuis bleek
ook een vertrouwd loods te zijn. Bij elke te maken bocht hetzij links of rechts,
waarschuwde hij tijdig; zelfs wist hij van te voren ons te vertellen of de bocht flauw
of scherp was; kortom zijn leiding werd steeds meer gewaardeerd.
Het was intusschen donker geworden; geen maanlicht verlichtte onsen weg. Alleen het felle
schijnsel van onze electrische lantaarns verlichtte den weg. Bij elke bocht werd al onze
muziek in werking gesteld en zoo naderden wij de plaats onzer bestemming. Reeds waren wij
eenige bruggen gepasseerd, toen wij, weer een brug overgaande, deze verdacht hoorden
kraken. Dit spoorde mij tot grooter voorzichtigheid aan en elke volgende brug werd eerst
geïnspecteerd; de manschappen liet ik afstijgen, den grooten achterhaspel afnemen, om den
wagen zooveel mogelijk te verlichten, en dan ging het met een vaartje in de derde
versnelling erover heen; maar hoe meer wij de plaats onzer bestemming naderden, hoe
slechter de bruggen werden. Veel keus bleef ons niet over. Wij moesten vooruit; achteruit
ging niet meer. Bij inspectie der bruggen bleek steeds, dat het dek in slechten toestand
was; een geruststelling was echter dat het ijzerwerk er goed onderhouden uitzag, zodat,
mochten wij eventueel door de brug zakken, het ijzerwerk den wagen nog wel kon houden.
Op mijn vraag: "Hoeveel van die bruggen krijgen wij nog?"
Was het antwoord: "Ik geloof nog één." Ik besloot ook nog deze
brug over te gaan. Na een grondige inspectie, die mij wel niet geheel geruststelde, werd de
motorspuit ook hierover gebracht. Verscheidene deelen van de brug hadden zich begeven; de
motorspuit stond echter ongedeerd over de brug. Ongelukkig bleek dit niet de laatste brug te
zijn geweest. Weer werd mij verzekerd, dat de volgende brug de laatste was en dat wij dan een
lange brug kregen met versterkt bovendek. Zoo langzamerhand begonnen wij de vrees voor de
bruggen te overwinnen, te meer daar ons verteld werd, dat Emmen niet zoo ver meer af was. De
veenrook was hier te ruiken. Ik keek zelfs, of ik al vlammen kon zien; maar neen, niets van
dat alles. Een veenbrand is geen uitslaande brand, die op uren afstands reeds te zien is;
dit bleek ons pas naderhand.
Ook de volgende brug begaf zich. Maar aangezien deze bruggen betrekkelijk kort zijn, was
het waagstug m.i. niet te groot. Anders werd dit met de lange brug, die nu volgde. Deze was
echter voorzien van dubbel dek in tamelijk goeden staat; het onderdek had een dikte van 2 a
2½ eng.duim. Bij het overrijden van deze brug hoorden wij wel even eenig gekraak maar de
brug had zich niet begeven. Ik nam mij evenwel voor in geen geval de terugreis over deze
bruggen te maken. Intusschen verklaarde de heer Bulthuis dat wij nu spoedig in Emmen
konden zijn.
Op mijn vraag of hij mij niet kon begeleiden tot den Burgemeester van Weerdinge (mijn
opdracht bij vertrek uit Den Haag luidde naar Weerdinge) deelde hij mij mede, dat deze tevens
burgemeester van Emmen was. De heer Bulthuis was bereid ons naar den Burgemeester te
begeleiden en ons desnoods te Weerdinge brengen.
|
|
|
Dag 1:

|
Aankomst motorspuit in Emmen
|
|
Foto: www.brandweerevenementen.nl
|
Gerustgesteld en in de hoop dat onze hulp niet te laat kwam, spoedden wij ons voort, totdat
te middernacht Emmen bereikt werd. Ik vroeg of het mogelijk zou zijn onze behouden
aankomst naar Den Haag te laten telegraferen. Dit was volgens den heer Bulthuis wel
mogelijk, aangezien een militaire verbinding was tot stand gebracht. Wij zouden echter
den postdirecteur uit zijn bed moeten halen, want om dezen tijd was alles in diepe rust.
Dit bleek helaas maar al te waar. Voor het telegraafkantoor werd in den stikdonkeren nacht
halt gehouden en na eenige malen onze instrumenten in werking te hebben gesteld, begeleid van
handenbombardement op de deur, verscheen de heer Directeur van het P. en T. kantoor. Na hem
uitgelegd te hebben, waarvoor wij hem in zijn slaap hadden gestoord, voldeed hij bereidwillig
aan mijn verzoek om een telegram naar Den Haag te seinen. Ik moest evenwel nog even schermen
met groote namen, zooals Minister van Binnenlandsche Zaken, Secretaris - Generaal enz.
|
|
|
Dag 1:

|
De motorspuit bij de burgemeester
|
|
|
Nu snel de motorspuit aanbieden aan den Burgemeester. Ook den Burgemeester wist de
heer Bulthuis te wonen. Weer hielden wij halt, nu voor het huis van den Burgervader. De
heer Bulthuis had intusschen eenige kennissen ontmoet, die op het lawaai, dat wij voor
het huis van den postdirecteur hadden moeten maken, toegesneld waren; het bleken te zijn:
- de heeren Landré, verslaggever van het Handelsblad en
- Postma, eigenaar van het hotel Postma te Emmen.
Er werd eerst behoorlijk aangebeld, dit scheen niet den minsten invloed uit te oefenen;
ten langen leste besloot ik maar weer tot het in werking stellen van onze instrumenten over
te gaan wat spoedig tot resultaat had, dat iemand uit de burgemeesterswoning naar buiten
trad en verontwaardigd over de gestoorde nachtrust in een woordenstrijd geraakte met de
mij begeleidende heeren. Ik maakte hieraan kalm een einde en verzocht den heer mij te
zeggen met wien ik de eer had te spreken. Hij antwoordde: "Met
den zoon van den Burgemeester".
Ik vertelde hem het doel onzer komst en verzocht den Burgemeester te spreken. Hier
was echter geen denken aan; het was heelemaal niet nodig want wij hadden daar volgens hem
niet te maken. Te Weerdinge moeten jelui wezen, maar niet hier bij den Burgemeester. Ik
stelde nu mijn opdracht zuiverder voor en vertelde, dat ik namens den Burgemeester van Den
Haag de motorspuit ter beschikking van zijn Edelachtbare kwam stellen. De zoon van den
Burgemeester antwoordde dat hij met den Burgemeester uit Den Haag niets te maken had en
bracht mij nogmaals onder het oog, dat de brand te Weerdinge was. Op mijn verzoek mij
iemand mede te geven die mij den weg kon wijzen en verdere aanwijzingen geven, werd ik
verwezen naar den veldwachter te Weerdinge. Dit getreuzel begon mij te vervelen. De heer
Bulthuis en ook de andere heeren boden aan ons te begeleiden, waarop ik gelastte:
"Opstijgen jongens, vooruit naar Weerdinge."
|
|
|
Dag 1:

|
De motorspuit naar Weerdinge
|
|
|
Gevolgd door de beide heeren op de fiets en op loodsaanwijzing van den heer Bulthuis, kwamen
wij behouden te Weerdinge aan. Maar hoe kreeg ik nu dien veldwachter te pakken? Mij werd
aangeraden mij in verbinding te stellen met den daar gedetacheerden kapitein (Th) der Genie;
deze zou in elk geval handelend optreden. Na eenig vragen en zoeken in het donker gelukte het
de verblijfplaats van bedoelden kapitein te ontdekken. Na eerst weer schuchter aangebeld te
hebben, waarop als naar gewoonte geen antwoord volgde, nam ik mijn toevlucht maar weer tot
onze nimmer falende instrumenten en bereikte daar dan ook door dat een vrouw, waarschijnlijk
de hospita, eenige teekenen van leven gaf. Vol vreugde wendde ik mij tot het raam van de
slaapkamer, waarachter zij helaas intusschen was ingedommeld en of ik riep, dreigde,
bombardeerde, zij vertikte het verder antwoord te geven. Weer onze toevlucht gezocht bij onze
instrumenten, zelfs dacht ik een oogenblik er aan de groote schuifladder tegen de
bovenverdieping te laten zetten en het huis binnen te dringen, toen gelukkig op de 1e
verdieping een raam opengeschoven werd en iemand in nachtgewaad gedeeltelijk tevoorschijn kwam.
Nu zouden wij eindelijk te weten komen, waar wij onze hulp konden verleenen. Met een van
vreugde trillende stem riep ik: "Is U misschien de Kapitein van de
Genie?" "Jawel", werd mij geantwoord: "Zoudt U dan zoo
vriendelijk willen wezen mij behulpzaam te zijn en aanwijzingen willen verstrekken omtrent
de plaats van den brand en anders te willen zorgen voor onderdak voor ons allen? Wij zijn
hier met de motorbrandspuit uit Den Haag.""Ja, ziet U," werd mij geantwoord,
"ik ben den geheelen nacht op de been geweest en weet van een
motorspuit niets af; maar vervoegt U zich maar bij den sergeant-majoor."
Ik bedankte den kapitein kort en gaf last weder op te stijgen en voelde mij nu
gerechtigd in het belang van mijn manschappen en mijn materieel eigenmachtig op te treden.
Mijn geduld was uitgeput; brand zag ik niet; gevaar bestond er niet; want alles sliep hier
den slaap der onschuld. Ik gaf last terug te rijden tot het laatst gepasseerde café en nam
mijn toevlucht weder tot onze instrumenten, maar nu met het idee desnoods het geheele dorp
te alarmeeren. Voor het café werd halt gehouden en nu begon de pret. Brandweerbel,
handclaxon, politiefluit, signaalhoorn en electrische claxon maakten een oorverdoovend
lawaai en eindelijk verscheen een vrouw aan de deur, sidderende van angst. Ik stelde
haar gerust, maar eischte onderdak voor mijn mannen. Allen stormden de gelagkamer binnen,
de heeren die ons begeleiden vroegen verlof de manschappen te tracteeren, wat ik gereedelijk
toestond. Slaapgelegenheid was hier niet, maar in elk geval hadden wij onderdak en zouden hier
het daglicht maar afwachten. De medegenomen verschooning deed dienst als hoofdkussen, de extra
jassen als dekens, de losse banken voor de auto als bed. Voor mij en Otten was nog een
slaapgelegenheid op den roggezolder, zoodat de vrede spoedig terugkeerde. Intusschen had ik
twee van mijn stevigste mannen uitgezonden om den veldwachter te halen. Bereidwillig had een
der jonge dorpers zich aangeboden hen den weg naar diens woning te wijzen. Op mijn bevel:
"Je komt niet zonder den veldwachter terug" kon ik op hun
gezichten lezen, dat zij goed- of kwaadschiks, aan die lastgeving zouden voldoen. De
veldwachter kwam en werd hartelijk ontvangen; hij werd op algemeen verlangen tot
"onderburgemeester" benoemd. Hij maakte hiervan onmiddellijk gebruik en dronk een glas mede,
gaf last de manschappen van brood en koffie te voorzien en beloofde ons iemand te zenden, die
ons ‘s morgens naar het terrein van den brand zou brengen. Het was intusschen knapjes laat
geworden, ongeveer 3 uur in den morgen van vermoeidheid vielen allen langzamerhand in slaap.
Er heerschte weder rust in Weerdinge.
|
|
|
Dag 2:

|
De motorspuit naar Weerdingerveen
|
|
Het vervoer van de motorspuit over een veenweg
te Weerdinge naar het Weerdingerveen.
Het vervoer van de automobiel stoomspuit
over een zand en veenweg naar het Noordveen.
|
‘s Morgens te 5 uur waren wij allen weder op de been. ’t Was prachtweertje. De koffie
smaakte ons goed; ieder 2 sneden brood met boter en wij waren gereed onzen tocht voort te
zetten. Van autoriteiten geen spoor te bekennen. Een veenbaas, met een werkman zich tegoed
doende aan de Oude Hollandsche klare, zouden onze wegwijzers zijn. Nu jongens opstijgen!
gelastte ik. De begeleiders van den vorigen dag waren vertrokken. De heer Bulthuis
eveneens. Deze had een fiets moeten leenen en mocht in zijn eentje den weg naar Coevorden
terug fietsenzonder eenige nachtrust genoten te hebben.
Zoo reden wij onder veel bekijks naar het brandende veen, stopten aan het einde van
den straatweg en moesten verder over een veenweg om de motorspuit aan één der z.g. wijken
te kunnen opstellen. Ik spoedde mij vergezeld van den brandmeester Otten en den
opperbrandmeester van Emmen en meer plaatselijke autoriteiten, die inmiddels verschenen
waren, naar het terrein van den brand, ten einde hiervan een overzicht te krijgen en
maatregelen te treffen om de motorspuit over den veenweg te kunnen vervoeren. In
overleg met den kapitein der genie (Th) werden zware strijken of planken gerequireerd. In
afwachting hiervan probeerden wij de motorspuit op den veenweg te brengen, daar iedereen
beweerde, dat de weg sterk genoeg was. Ik besloot de proef op de som te nemen, maar reeds bij
de eerste poging, zakte het gevaarte door een vonder, die over een droge sloot gelegd was.
Tot aan de naaf zakte het rechter achterwiel weg, terwijl het linkerachterwiel dezelfde
neiging vertoonde. Ik liet onmiddellijk van het station vijzels en dwarsliggers halen,
welke na veel gezeur afgestaan werden. Wij ploeterden zoo eenigen tijd door en juist bij
het arriveeren van de met ongeduld afgewachte zending van sterke platen, hadden wij flink
geholpen door de geniesoldaten, het gevaarte zoover gelicht, dat de planken onder de wielen
konden worden gebracht en nu werd voetje voor voetje verder gereden naar de door mij
gekozen standplaats.
Bij de bochten die wij moesten passeren, ondervonden wij groote moeilijkheden.
Na nog in een droge sloot een dam te hebben doen maken en deze weer door houtwerk voor onze
spuit begaanbaar gemaakt te hebben naderden wij steeds meer ons doel.
De zon geholpen door een sterken z.o. wind deed aan weerszijden van den weg haar
uitwerking op de branden, de terreinen gelden, terwijl een dikke rook ons af en toe
omhulde. Geheel onbekend met dergelijke branden, maar nog lang niet ontmoedigd, hunkerde
ik naar het oogenblik, waarop wij het vuur konden gaan bestrijden. Menigmaal gaf men mij
de verzekering, dat het toch niet te blusschen was. Mijn antwoord luidde steeds
onverstoorbaar: "Als wij eenmaal aan het water staan, zetten wij heel
Emmen onder water."
Eindelijk daar stonden wij dwars van de inmiddels uitgelegde zuigbuizen ter lengte van
120mtr. Snel aankoppelen, de persslangen uitloopen was het werk van een oogenblik. De pomp
aanzetten evenwel, vlotte niet direct; door den langen rit waren blijkbaar eenige
pakkingbussen los gaan zitten. De zuigbuizen werden nog eens duchtig aangetrokken, alles
nog eens grondig geïnspecteerd en ja, daar kwam het water aanzetten uit een diepte van
6mtr en stortte zich met een krachtigen straal op het brandende terrein. Inmiddels was een
tweede slang gereed en ook hiermede werd met een krachtigen straal het vuur aangetast.
Het was inmiddels 2.30nm geworden; niemand had sedert 's morgens 5 uur een stukje brood
gehad; maar ook niemand voelde honger; allen waren opgewekt en met kracht werd de
blussching begonnen. De gloeiende hitte van de zon, de vreemde veenrook, het stuivende
veen, vermengd met zand, had ons dorstig gemaakt. Ik verzocht ons drinkwater te brengen,
maar na zelf een mondvol gedronken te hebben, verbood ik het waterdrinken aan de mansche
en eischte den aanvoer van bier, limonade en spuitwater. Hieraan werd oogenblikkelijk
voldaan en in korten tijd kon de dorst gelescht worden. Nu werd het tijd om voor wat eten
te zorgen; wij verdeelden ons in twee ploegen, zoodat de blussching ongestoord door kon gaan
tijdens den maaltijd. Tot zoover de reis van de motorspuit met hare bemanning.
|
|
|
Bemanning stoomspuit:

|
|
|
|
De bemanning van de stoomspuit bestond uit:
- hoofdmachinist Wiersma, bevelhebber.
- hoofdbrandwachten tweede klasse:
- brandwachten:
- Hoberg.
- Mulder.
- Van Zijp.
- Moerman.
- De Lange.
|
|
|
Dag 1:

|
De stoomspuit naar Emmen
|
|
De Brandweer van Den Haag heeft vanaf 1909 drie zelfrijdende stoombrandspuiten van
Bikkers in dienst gehad. De drie stoomspuiten vormden tot de komst van de automobielspuiten
de ruggengraat van het korps. In Drenthe is deze spuit gebruikt ter assistentie bij de
zeer grote veenbrand in 1917.
Foto:
www.brandweerevenementen.nl
|
Wat was er van de stoomspuit geworden?
Deze werd te 1.00 uur nm vanaf het Centraal Station der brandweer met eigen kracht gereden
naar het station der Staatsspoorwegen en daar op een inmiddels gereedstaanden wagen geladen.
Te 1.45 nm vertrok men en dacht nu zonder oponthoud vervoerd te zullen worden naar de plaats
van bestemming. Dit zou echter voor de bemanning een teleurstelling worden. Allen wenschten zoo
spoedig mogelijk deel te nemen aan de
vereerende taak voor hen weggelegd, zoodat elk oponthoud, hoe gering ook, hun een hinderpaal
toescheen, die, indien meer medewerking was verleend, vermeden had kunnen worden. Te Utrecht
moest bijna een vol uur gewacht worden op een aansluitenden trein. Te Zwolle had men een
oponthoud van circa 3 uur. Te 's nachts 1 uur bereikte men ten langen leste
Coevorden. Hier moest men den nacht doorbrengen waarvoor gekozen werd het hotel Wely. Te
's morgens 6 uur ging het weder tot aller genoegen voorwaarts naar de plaats van bestemming.
Te 7 uur bereikte men Emmen. Hier werd de stoomspuit reisvaardig gemaakt en te 8.30 nadat
de bemanning zich verfrischt en een ontbijt gebruikt had ging het met eigen kracht naar
Weerdinge, waar men te ongeveer 9.30nm van den 25 Mei 1917 arriveerde. Over een veen- en
zandweg werd de auto met behulp van militairen naar het Noorderveen gebracht en daar te
3.00nm te werk gesteld. Met 2 stralen werd de blussching van den brandenden veengrond
aangevangen.
|
|
|
Dag 2:

|
Begin der brandbestrijding
|
|
|
Foto: www.brandweerevenementen.nl
Wij stonden dus gelukkig eindelijk opgesteld, zoowel motorspuit als stoomspuit zouden nu
kunnen bewijzen dat zij aan de verwachtingen konden voldoen. Hoewel in een geheel vreemde
streek, werkende onder omstandigheden, die ons vooral bij den aanvang van de blussching niet al
te schitterend toeschenen, met een onafzienbare taak voor oogen, terwijl wij betrekkelijk nog
geen rust genoten hadden, scheen het ons toe, dat wij slechts door onafgebroken doorwerken ons
doel konden bereiken. Het onmogelijke is echter niet te bereiken maar het mogelijke tot aan de
grens van het onmogelijke, moest en zou door ons bereikt worden. Wij wisten immers, dat geheel
Nederland de oogen op ons gericht had; dat iedereen bij de minste tegenspoed onzerzijds, zijn
schouders op zou halen en zeggen: "Een veenbrand daar weten zij niets
van; die is niet te blusschen; die kruipt voort, dagen en nachten, en is niet te stuiten."
Die redeneering is betrekkelijk juist. Een veenbrand, zooals die gewoed heeft, is niet te
stuiten. Wat gebeurt er, als de zon dagen lang op de veenderijen schijnt, de wind bijna steeds
z.o. met tamelijke kracht blijft waaien en slechts één vonk voldoende is om den, zoo voor
vuurvatten ontvankelijken, veengrond te doen ontbranden?
Met eigen oogen heb ik de verwoesting aanschouwd. Te Valthermond in de venen, waar ik
gelukkig nog een bezoek kon brengen, kreeg ik een vaag idee van de ontzettendste ramp welke het
aardrijk kan bedreigen n.l. de verwoesting door vuur. Door gesprekken, door navragen, door
aanschouwen, door ontleden kon ik mij eindelijk een vage voorstelling maken van den plaats
gehad hebbende veenbrand. De oorzaak, hoe nietig, het uitkloppen van een brandende pijp tabak
op den grond, kan onder bepaalde omstandigheden zeer ernstige gevolgen hebben. Een strenge wet,
onverbiddelijk doorgevoerd, door plichtsgetrouwe ambtenaren gecontroleerd en gehandhaafd, is
zeer, en zeer noodig om aan dergelijke mogelijkheden zoo spoedig mogelijk een einde te maken;
minstens te trachten deze te voorkomen. Zooals daar te Valthermond een vuurzee uit de aarde
gezogen werd, welke door den krachtigen wind medegevoerd, alles op zijn weg willekeurig
vernietigde, houten scholen spaarde, daar neven op minder dan 3mtr afstand, geheel van steen
opgetrokken gebouwen totaal verbrandde, in aanbouw zijnde woningen op de eene plaats onaangetast
liet, op andere plaatsen, weder tot den grond deed afbranden en zulks over een uitgestrektheid
van kilometers, kreeg ik den indruk dat, indien eenmaal zoo'n vuurzee ontstaan is, er geen
mogelijkheid tot blusschen of zelfs tot beperken bestaat. Niettegenstaande het krachtigste
bluschmaterieel en de meest onverschrokken mannen ter bediening ervan, acht ik het niet mogelijk
zoo'n vuurzee te keeren. Toch viel voor mij direct hieruit een groote les te trekken. Elk
terrein, waar brand ontstaat, moet zoo snel mogelijk afgebluscht worden, om te voorkomen dat
bovengenoemde rampen zich herhalen. De schijnbaar onschuldig voortbrandende veengronden, waarop
iedereen zich durft wagen, zelfs kiekjes nemen; waar overheen geloopen kan worden, indien men
de brandende plekken overspringt, is niet zoo onschuldig, als zij zich voordoet. In eenige
seconden kan die, onschuldig brandende veengrond weder de oorzaak worden van een ontzettende
ramp en dorpen, menschen, vee alles in eenige uren vernietigen.
Vol van de medegenomen indrukken begaf ik mij weder op weg naar de Weerdingervenen, waar de
motorspuit omringd van vele Pinkstervierders, zijn regelmatig gezoem liet hooren en beschouwde
de blussching nu met andere oogen. Hier moest zoo snel mogelijk belet worden, dat de droge
asch, welke het vuur dekte, door de dwarrelwinden opgevoerd werd, het vuur ontblootte en dit
met zich medezuigende over andere velden uitstortte. Om sneller van succes verzekerd te zijn,
besloot ik één onzer stralen te voorzien van een sproeier, welke ons in Den Haag zeer zelden
van nut was geweest. Deze sproeier behoorde tot den inventaris van de stoomspuit. Na een uur
had ik deze van de stoomspuit gehaald en op één onzer zware stralen van de motorspuit geplaatst
met werkelijk verrassend succes. De sproeier toch had een sproeivlak naar verkiezing tot
ongeveer 8m2. Zoo noodig kon deze door een enkele beweging weder tot een krachtigen straal
vervormd worden. Door de sproeier werd bereikt, dat de bovenste aschlaag nat en zwaar werd en
niet zoo snel door den wind medegevoerd kon worden. De nablussching geschiedde dan door den
vasten straal, het vuur verspreidde zich niet zoo licht en de blussching vorderde dan ook naar
wensch.
Met de motorspuit werd den eersten dag, dus vrijdag, tot ‘s avonds 9 uur doorgewerkt.
Zwaar vermoeid van het ploeteren, nog geen rust gehad hebbende vanaf het vertrek uit Den Haag
besloot ik de mannen eenige rust te gunnen. Ik was hiertoe tevens gedwongen, doordat onze
medegevoerde benzinevoorraad tot op 60ltr na verbruikt was. Ik meende minstens deze
hoeveelheid steeds te mijner beschikking te moeten houden met het oog op onvoorziene
gebeurtenissen waarbij van mij en mijn mannen direct ingrijpende blusschingsdiensten zouden
worden gevergd. Onder anderen door de bewoners van eenige huisjes in den weg van het
voortwoekerend vuur liggend, werd mij gesmeekt hun huis te beschermen. Ik beloofde zulks,
maar alleen in geval dat het gevaar grooter zou worden. Momenteel achtte ik dit gevaar nog
niet aanwezig, te meer daar de wind was gaan liggen, de temperatuur daalde en het vuur kalm
onder een dikke laag asch hier en daar licht doorgloeide.
De motorspuit werd onder militaire bewaking gesteld, de magneet afgesloten en zoo
begaven wij ons naar ons intusschen ten deele gereed gekomen logies, dat wij na een
wandeling van een half uur bereikten. In een achterzaal van het café van de Wed.Koning te
Weerdinge waren bossen stroo gespreid; op een lange tafel, in het midden van deze zaal
geplaatst, werd brood en koffie gereed gezet. Na ons eerst zoo goed en zoo kwaad het ging,
eenigszins gereinigd te hebben, gingen wij gezamenlijk aan tafel. Veen is echter raar
goedje, want als je dacht, dat je na lang wasschen wel schoon zou zijn, dan volgde op de
verzuchting: "Ik ben gelukkig klaar", een algemeen gelach,
waaruit het noodige wel viel op te maken. Wij lieten ons het brood goed smaken en niet
lang daarna lag alles in diepe rust. Intusschen was het alweer bij 12 uur geworden.
|
|
|
Dag 3:

|
|
|
|
Den volgenden morgen waren wij te 5 uur weder bij de hand, koffie en brood werd snel
genuttigd, order gegeven om tegen 12 uur maar brood en koffie bij de spuiten te brengen en
toen snel op weg naar onze motorspuit. Te 7 uur stonden wij nu met frissche krachten tegenover
onze taak die ons nu al veel lichter toescheen, maar wij hadden buiten den waard gerekend.
Zoodra weder de felle zonnestralen op het brandende veen schenen en de inmiddels weder op
kracht gekomen z.o. bries over het land woei, bemerkten wij dat er veel waarheid gelegen
was in de bewering van de bewoners, die de venen kenden en meermalen kleine of groote
veenbranden hadden meegemaakt. "Des nachts moet er gebluscht worden,
overdag is er geen houden aan." Gezien de bluschmiddelen daar aanwezig, begreep ik
dat deze bewering niet zoo ongerijmd was. Ik stelde hier echter tegenover: overdag, wanneer
het gevaar voor uitbreiding het grootst is, blusschen wat je kan: ’s nachts wanneer er
geen gevaar voor uitbreiding bestaat, rusten, al is het maar gedurende korten tijd. Dat
het werk zooveel zwaarder was, viel niet te ontkennen, maar onze jongens waren voor geen
klein geruchtje vervaard en boden prachtig weerstand aan de gloeiende hitte van zon en
aarde. Intusschen was na veel moeite 1 bus van 10 liter benzine gearriveerd, eenige uren
later gevolgd door een vat, waarin 60 liter benzine. Voor eenige uren dus weer voorraad.
Zaak was dus om zoo spoedig mogelijk van een geregelden toevoer verzekerd te zijn.
Met de stoomspuit was het ongeveer hetzelfde. Ook hier werd met kracht gewerkt, flink
geholpen door de militairen, die de lange persslangen over het terrein hielpen verplaatsen
maar ook hier dreigde oliegebrek, niettegenstaande door mij tijdig om ruimen aanvoer was
verzocht. Van alle oorden moest benzine aangevoerd worden; zoo werd zelfs met een auto
uit Groningen benzine gehaald door den veldwachter. Uit Nieuw Amsterdam petroleum door
een boer met kar, die in den nacht dezen tocht heen en terug maakte. Ook liep het tegen de
Pinksterdagen, zoodat, wilde men deze dagen de blussching voortzetten, er in de allereerste
plaats benzine en petroleum in voorraad moest zijn. Met volle medewerking van:
- den heer Legger, Directeur van het Distributiebureau te Emmen,
gelukte het vrijwel een onafgebroken toevoer van benzine en petroleum te krijgen. Ook
had deze heer voor de Haagsche brandweer onbeperkte levensmiddelen toevoer toegestaan.
Zoo werd den tweeden dag zonder ophouden doorgewerkt tot zaterdagavond 9.30. De motorspuit
werd weder onder militaire bewaking gesteld en tevreden over onze vorderingen, begaven wij ons
op weg naar ons nachtlogies. Tot nog toe was niemand uitgevallen. Eén der mannen, die zijn
enkel verstuikt had, wilde niet van rust weten. Eenige anderen, van wie de laarzen geschroeid
en daardoor gekrompen waren en die daardoor met pijnlijke voeten liepen, wilden niet uitvallen
of meer rust nemen. Dien zaterdagavond in de slaapzaal zittende werd gezamenlijk koffie en
brood genuttigd van de bovengenoemde tafel, nog even eenige jeugdherinneringen opgehaald; een
cognac groc wekte nog eenige anecdoten op en te ruim 12 uur lagen allen weder een welverdiende
rust te genieten.
|
|
|
Dag 4:

|
|
|
|
Den zondagmorgen, 1en Pinksterdag, waren allen weder te 7 uur aan den arbeid; het terrein
ter rechterzijde van den veenweg was inmiddels afgebluscht; ter linkerzijde was intusschen
reeds met één straal een aanvang gemaakt met de blussching, welke nu na afblussching van
het 1e terrein met 3 stralen voortgezet kon worden. Hoe dieper wij evenwel voort drongen
hoe meer slangenmaterieel wij noodig hadden zoodat het blusschen met 3 stralen gestaakt
werd en met 2 stralen de blussching voortgezet moest worden. De blussching geschiedde nu
regelmatiger, dat wil zeggen, er kwam meer eenheid in ons systeem. O.a. kreeg ik de
beschikking over 40 man, verdeeld in 4 ploegen. Door de verschillende verveners werd mij
ook eenig volk ten dienste gesteld. Deze werden op mijn herhaald verzoek aangewezen het
afgebluschte land na te loopen en elke rookontwikkeling hoe gering ook af te dekken.
Intusschen was mij door den Burgemeester mondeling verzocht hulp te gaan brengen te Emmer
Compascuum, zoodra ik oordeelde, dat de blussching overgelaten kon worden aan de aanwezige
militairen en spuitgasten van Weerdinge. Aangezien ik zelf wilde oordeelen, in hoeverre te
Emmer Compascuum het gevaar grooter was dan te Weerdinge, ging ik vergezeld van:
- den heer Nauta, gemeente architect,
- den heer Schönfeld, ontvanger en
- den brandmeester Otten
per auto op weg naar Emmer Compascuum. Daar aangekomen stelden wij ons in verbinding met:
- den opperbrandmeester van Emmer Comascuum, den heer Holman,
en betraden de brandende venen, hier gedeeltelijk bestaande uit oer. De brand had hier een
zestal huizen als slachtoffer doen vallen en op de verklaring van den heer Holman, dat hij
vreesde voor meer huisjes, staande onder Emmer Erfscheidenveen, beloofde ik hem uiterlijk den
volgende dag te 3.00 nm met de motorspuit te zullen assisteren. Ook leek mij de toestand hier
vrij ernstig. Gaarne had ik direct hulp verleend met de beide spuiten, maar de stoomspuit,
opgesteld in het Noorderveen, had nog een zwaren taak. De motorspuit, opgesteld in het
Weerdingerveen eveneens, hoewel niet in diezelfde mate. Na een langdurige inspectie, waarbij
tegenwoordig waren eenige verveners, brandmeesters en de heer Nauta, kwam ik tot de overtuiging,
dat eerst nog een heel eind afgebluscht moest worden met water aleer de stoomspuit daar gemist
kon worden.
Wij besloten den ganschen nacht door te werken en in den vroegen morgen nog eens te
beoordeelen wat ons te doen stond. Het veen overloopende, kwam mij de veldwachter tegemoet en
overhandigde mij een brief van den burgemeester met den volgenden inhoud:
"Ik verzoek U beleefd onmiddellijk met uw personeel naar Emmer Compascuum
te gaan en de motorbrandspuit mede te nemen. De brand neemt aldaar een dreigend aanzien aan!"
Mondeling werd hier aan toegevoegd door den veldwachter, dat ik zelf moest beoordeelen
wanneer ik gemist kon worden te Weerdinge.
Ik nam nu maatregelen om 's morgens bij zonsopgang uit het veen te kunnen komen met de
motorspuit en stelde ons vertrek vast op 's nachts 3 uur. (maandagmorgen) Voor het vervoer
van natte slangen zuigbuizen enz enz werd een boerenwagen gerequireerd. Ik begaf mij nu
weder naar de stoomspuit in het Noorderveen en deelde aan Wiersma mede, dat de motorspuit
's nachts om 3 uur zou vertrekken, dat de stoomspuit gezien de groote oppervlakte, welke
daar nog te blusschen viel, moest doorwerken en dat hij zonder orders van mij, daar niet
vandaan mocht gaan met de stoomspuit.
Ik keerde nu terug naar Weerdinge om nog eenige maatregelen te treffen. Intusschen had ik van:
de verzekering gekregen, dat hij zou trachten met zijn 40 man mede naar
Emmer Compascuum te gaan en de noodige maatregelen te treffen voor de huisvesting van zijn
troep. Door de mij onthouden medewerking van zijn kapitein, bleef ik van zijn zeer gewaardeerde
hulp en die zijner manschappen verstoken. Deze kapitein kwam mij denzelfden avond in het café
van de wed.Koning opzoeken en sprak mij aldus toe: "Mijnheer Spoelstra,
ik hoor dat U vannacht 3 uur wilt vertrekken met de motorspuit; maar dat vertrek keur ik in
geen geval goed. Ik vind, dat het daar in Weerdinge eerst geheel afgebluscht moet worden en ik
maak bezwaar om U te laten vertrekken." Ik antwoordde beleefd:
"Het spijt mij dat U bezwaren tegen mijn vertrek hebt, ook ik zou hier den brand in Weerdinge
geheel willen afblusschen, maar mijn hulp voor Emmer Compascuum is schriftelijk door den
Burgemeester ingeroepen, ik acht dit voor mij een bevel om zoo spoedig mogelijk naar Emmer
Compascuum te vertrekken. Evenwel ik ga niet eerder weg, dan wanneer ik overtuigd ben, dat
de blussching hier verder zonder onze hulp geschieden kan. Overigens ken ik niemand eenig
bevel toe over stoomspuit of motorspuit dan den Burgemeester van Emmen. Ik verzoek U echter
de militairen te doen detacheeren naar Emmer Compascuum, om ook daar ons behulpzaam te
zijn." De kapitein weigerde niet alleen deze hulp, maar gaf duidelijk te kennen, dat
hij de ons toegezegde medewerking van zijn luitenant ingetrokken had. Ik verklaarde
hem, dat wij dan met ons elven den brand zouden blusschen.
|
|
|
Dag 5:

|
|
|
De automobiel stoomspuit opgesteld in het Noordveen
en zuigende uit een pas gegraven wijk.
De persslangen zijn tot een lengte van ongeveer 900mtr uitgebracht.
Aan den horizon is duidelijk de veenbrand te zien.
De motorspuit vertrekkende uit het Weerdingerveen en op weg naar Emmer Compascuum
op 28 mei 1917, na ongeveer 6ha veenbrand gebluscht te hebben.
|
Den volgenden ochtend te 3.00 uur inspecteerde ik het terrein van den brand (in het
Weerdingerveen HE); de blussching vorderde goed en ik besloot tot 6.00 uur met volle
kracht door te blijven werken. De militairen en ook de burgers deden nog eens extra hun
best. Te 6.00 uur precies werd de motorspuit gestopt en direct aangevangen met het
vervoer over het veen.
Intusschen werden de natte slangen opgerold, de zuigbuizen afgekoppeld, op een boerenwagen
geladen en vervoerd naar Emmer Compascuum. Na eenige uren van hard ploeteren bereikten wij te
12.30 uur den straatweg en reden tot aan de plaats waar wij ons logies hadden. Hier werden
onze kleederen, beddegoed, enz. opgeladen, snel gegeten, de motorspuit nagezien, benzine
bijgevuld, nog eens geïnspecteerd en voort ging het nu onder aanwijzing van:
- één der verveners tevens brandmeester, den heer F.Kamst,
naar Emmer Compascuum, onder toejuichingen van de bewoners van Weerdinge en Emmen. Het
deed ons goed zoo hartelijk behandeld te worden en het gaf ons den moed, niettegenstaande
wij een zeer vermoeiende taak achter den rug hadden, een nog zwaardere te aanvaarden.
Te Emmen werd nog even gestopt om verband, vaseline en stuifpoeder te koopen, want de
voeten moesten ingezwachteld worden. Bij het passeeren van de woning van den heer
Schönfeld moesten wij nog even stoppen om eenige kistjes sigaren in ontvangst te nemen,
welke ons op bijzonder vriendelijke wijze werden aangeboden. Maar nu ook voort.
|
|
|
Dag 5:

|
Emmer Compascuum
|
|
Door mensenhanden aangedreven
brandpomp te Emmer Compascuum.


|
Te 1.30 uur uit Emmen vertrokken, arriveerden wij te 2.30 uur te Emmer Compascuum; we hadden
gereden met een vaart van 45 km/u. Ik was trotsch op zoo'n bemanning, op zoo'n voertuig.
Beloofd hebbende te 3.00 uur te komen stond ik reeds te 2.30 uur op de aangewezen plaats.
Vanaf den weg was het water te bereiken, zonder van den weg af behoeven te gaan. Ik
gelastte de zuigbuizen onder de rails van de stoomtram te brengen en 2 stralen gereed te
maken. Daarna spoedde ik mij naar het brandende terrein. Daar komt Holman den
opperbrandmeester, geheel ter neergeslagen aanloopen en roept: "Wij
kunnen het niet langer houden; wij zijn op; de huizen van Emmer Erfscheidenveen worden
bedreigd." Ik stelde hem gerust en beloofde krachtige hulp. Binnen 15 minuten was de
zuigbuis onder de trambaan gegraven, eenige honderden meters slang uitgeloopen en werkten de
mannen reeds met twee groote stralen. De toestand zag er echter niet rooskleurig uit. Er woei
een krachtige z.o. wind, de zon brandde fel, zoodat de droge turfstof slechts wachtte op een
kleine vonk om onmiddellijk in brand te vliegen.
Opeens, op onverklaarbare wijze, brak brand uit op het terrein, gelegen tusschen de
straalvoerders en de motorspuit. Eerst een klein rookkolommetje, daarna tien – honderd -
duizend ontelbare rookkolommetjes. Bij het spuiten hierop, waarmede nu direct een aanvang
werd gemaakt geleek het, of de brand zich daardoor nog sneller verspreidde. Allen waren
wij hard aan het werk, maar konden bijna geen vordering maken. Onze slangen moesten
herhaaldelijk snel uit een vlammend gedeelte teruggetrokken worden, nu eens ingekort, dan
weer verlengd worden. Het resultaat was echter, dat wij de overhand behielden maar nu
kon slechts met de grootste omzichtigheid vooruit gegaan worden.
Wij wilden niet ten tweede male de dupe worden van de zorgeloosheid van de omstanders.
Eén van hen had waarschijnlijk door het wegwerpen van een brandende sigaar den
gevaarvollen toestand geschapen. Dit moest voor een volgende maal voorkomen worden. Ik
riep dringend de hulp in van eenige gewapende soldaten van de grenswacht, vertelde hun
aan welk gevaar wij blootstonden en wij niet alleen, maar de geheele uitgedroogde
veenstreek. Zij voldeden aan mijn verzoek en beletten ieder den toegang. O.a. werd een
man, die zich na de eerste aanmaning hieraan niet stoorde, snel achterop geloopen. Na een
korte woordenwisseling en de bedreiging van den soldaat te zullen schieten, verwijderde de
man zich hals over kop.
De taak voor onze bemanning werd zwaar, vermoeid als zij waren door het harde werken van
den voorgaanden dag en nacht. Niet bijgestaan door burgers of militairen, verlaten door de
oververmoeide manschappen en den brandmeester van de dorpsspuit, wilden wij ons toch zoo lang
mogelijk staande houden, in elk geval tot den avond, dus tot na zonsondergang, wanneer het
gevaar voor uitbreiding tot een minimum is beperkt, ten minste als de wind gaat liggen. Ik
besloot ook zoo spoedig mogelijk van den Burgemeester hulp te eischen, maar hoe kwam ik naar
Emmen? Hoe naar een post- en telegraafkantoor?
|
|
|
Dag 5:

|
Hulp gevraagd
|
|
|
Daar stonden wij met onze spuit! Geen onderdak! Naar gissing uren loopen van de plaats af,
waar wij hulp vandaan moesten hebben. Rijwielen hadden wij niet bij ons, trouwens tegenwind
fietsen is in die streken niet bepaald een pleziertocht, vandaar waarschijnlijk het groote
aantal honden dat men hier als trekkracht voor de fiets laat loopen. Gelukkig passeerde een
driewielige auto. Uit nieuwsgierigheid stopte de chauffeur ter hoogte van de motorspuit, zijn
passagiers moesten even uitstappen. Ik vroeg hem of er in de nabijheid niet een
telegraafkantoor bestond. Het antwoord luidde bevestigend en op mijn verzoek of ik mede
mocht rijden werd mij een plaatsje naast den chauffeur ingeruimd. Na een klein half uur
met flinke snelheid gereden te hebben, werd ik afgezet voor het telegraafkantoor. De auto
reed door en ik naar het telegraafkantoor. Dit bleek evenwel gesloten te zijn, zoodat ik
nu nog verder van mijn doel was.
Ik spoedde mij zoo snel mogelijk naar de motorspuit terug en na een uur lopen was ik weer
aan het punt, van waar ik uitgegaan was. Eén en ander stemde mij zeer onplezierig. Na korten
tijd zag ik de driewielige auto terugkomen en nam mij voor dat ding op te eischen, desnoods
met geweld. De chauffeur, tevens eigenaar, was evenwel bereid tegen afgifte van eenige liters
benzine mij naar Emmen te brengen en zou de kosten wel later verrekenen.
De blussching ging wat meer naar wensch. De lucht betrok, zoodat er veel kans was dat het
zou gaan regenen. Was dit het geval dan wilde ik verder geen vreemde hulp halen, alleen zou ik
dan zien, dat wij de stoomspuit uit het Noorderveen bij ons aan het werk zouden zetten. Met
deze gedachten begaf ik mij in den driewieler op weg naar Emmen. Onderweg informeerde ik naar
de snelheid van zoo'n driewieler; die werd mij even getoond: plus minus 70km per uur. Het
duurde evenwel niet lang of de waaier voor de afkoeler begaf zich en duikelde over den weg;
even stoppen, den waaier opzoeken en voort ging het gelukkig weer, totdat opeens de wagen
zulke rare slingeringen begon te maken dat ik het maar het veiligst achtte het portier te
openen en juist maakte ik aanstalten uit te stappen, toen ik bemerkte dat de chauffeur weer
meester was over z’n voertuig en den wagen deed stoppen. Voorband, binnen - en buiten, stuk.
De passagiers stapten uit, de reserveband werd opgezet. Ik hielp dapper mede, want hoe
eerder te Emmen hoe liever en om daarmede in dat land zonder eind te blijven, had ik geen
zin. De reserveband was spoedig omgezet. Met bezorgdheid sloeg ik dezen band gade vol
lappen en scheuren. Ook de eigenaar scheen niet veel vertrouwen in zijn band te hebben.
Spoedig snelden wij weder met een aardig gangetje Emmen waarts, pikten even de vooruit
geloopen passagiers op en na een tiental kilometers dezelfde bokkesprong
Den. Band stuk, uitstijgen, redding niet meer mogelijk.
Na een goed half uur loopen bereikte ik Emmen, en begaf mij naar den heer Nauta. Juist
was de bui losgebarsten en zelfs hagelkorrels vielen neer. Betere hulp had ik niet kunnen
krijgen. Hoewel eenigszins bevochtigd door de bui kwam ik toch opgewekter te Emmen, dan ik
gedacht had. Ik vertelde hem mijn wedervaren en verzocht te zorgen voor een viertal fietsen
voor de manschappen en voor mij eischte ik een auto om ons beiden naar de stoomspuit in het
Noorderveen te begeven. Aan het laatste kon niet direct voldaan worden, maar na eenigen tijd
reden wij toch in een auto naar Weerdinge. Voordien hadden wij ons even met den Burgemeester
in verbinding gesteld en dezen verslag van mijne bevinding gedaan. De Burgemeester verkeerde
in twijfel over een aanvrage tot zending van nog 200 militairen. Snellere hulp was evenwel
te krijgen door een verbod hetwelk de Burgemeester uit zou vaardigen en welk verbod als volg
luidde:
"De Burgemeester der gemeente Emmen, overwegende, dat met het oog
op den hevigen veenbrand dringend noodzakelijk is het in werking stellen en vervoeren van
automobielen in de venen te verbieden, verbiedt tot wederopzegging toe, van stonden aan het
in gebruik stellen en vervoeren van locomobielen in de venen."
"Emmen 28 Mei 1917
De Burgemeester voornoemd
C. van der Wal."
Dit zou ten gevolge hebben, dat een 800 man werkeloos werd en gedwongen kon worden tot
blusschingsdiensten tegen betaling. Een vergadering werd belegd, en op die vergadering moest
o.a. ook de heer Nauta tegenwoordig zijn. Zoodra wij nu te Weerdinge waren aangekomen
verzocht de heer Nauta mij, zelf te oordeelen over het blusschingswerk van de stoomspuit
en te beslissen of het al of niet mogelijk was deze daar vandaan naar Emmer Compascuum te
vervoeren.
Ik had kennis gemaakt met:
- den heer Weber, opzichter der provinciale Waterstaat in Assen.
Deze heer bood aan mij te vergezellen naar het Noorderveen. Ik requireerde een fiets en
weldra bevonden wij ons op weg naar de stoomspuit in het Noorderveen. Alras bleek mij, dat
deze hier voorloopig niet gemist kon worden. Nog eenige dagen moest met kracht gearbeid
worden. Door den tijdelijken stilstand van petroleumaanvoer, juist op een ongunstig oogenblik,
had de brand zich weder uitgebreid en het afgebluschte gedeelte aangetast. Ik gaf dan ook
direct toe, dat het beter was hier met de blussching krachtig door te gaan. Ik nam mij voor
om het gedeelte terrein in het Weerdingerveen eveneens te inspecteeren met den heer Weber.
Wij begaven ons met de fiets aan de hand naar de plaats en bevonden dat daar alles in orde
was. Intusschen was ik zoover verwijderd geraakt van de plaats, waar de auto mij wachten
zou, dat ik mede op verzoek van den heer Weber, besloot met hem door te rijden naar zijn
hotel, daar te dineeren en dan op de fiets naar Emmer Compascuum te rijden. Den geheelen
dag had ik nog geen tijd gevonden een middagmaal te gebruiken zoodat ik besloot aan zijn
beleefde uitnoodiging te voldoen en met hem mede te gaan. Na den maaltijd boden de heeren
Weber en zijn collega Stel aan mij te vergezellen op de fiets en den terugweg te wijzen
naar Emmer Compascuum. Ver genoeg gekomen zijnde om de plaats van de motorspuit terug te
kunnen vinden namen beide heeren afscheid van mij, en zoo was ik te 9.00 uur 's avonds terug
bij de motorspuit.
Hier aangekomen zag ik dat er flinke vorderingen gemaakt waren met de blussching. Tevens
hoorde ik, dat er een auto was geweest met één der brandmeesters van Weerdinge en dat er
hooge ontevredenheid heerschte onder de veenarbeiders wegens de order van den burgemeester,
om allen veenarbeid te stoppen, totdat de brand gebluscht was. De brandmeester van
Weerdinge:
- den heer Kronst, tevens vervener,
was met een auto van Musselkanaal gekomen om die te onzer beschikking te stellen. Het was
niet doenlijk zoover van Emmen en de in het Noorderveen geplaatste stoomspuit communicatie te
onderhouden. Maar deze brandmeester, hoorende dat ik naar Emmen en Weerdinge was gegaan,
besloot mij tegemoet te rijden en verzocht den brandmeester Otten even mede te rijden, beide
denkende, dat zij mij tegen moesten komen. Ongelukkigerwijze was ik het cirkeltje juist rond
geweest en slechts voor korten tijd nadat zij vertrokken waren, was ik van den anderen kant
teruggekomen.
|
|
|
Dag 5:

|
Logiesproblemen te Emmer Compscuum
|
|
|
De jongens waren zeer vermoeid en ik besloot, te meer daar de wind was gaan
liggen, de blussching te staken en naar onze logies te gaan. Deze waren echter zoo ver
verwijderd van de plaats, waar wij ons ter blussching opgesteld hadden dat ik besloot de
motorspuit mede te nemen. Ten eerste vertrouwde ik den geest onder de veenarbeiders niet en
ten tweede zag ik geen kans militaire bewaking te krijgen. Wij koppelden onze slangen af,
haalden deze zoo ver mogelijk terug uit het vuur, koppelden de zuigbuizen af, en lieten die
gedeeltelijk onder het zand liggen en zoo reden wij met de motorspuit in het donker zonder
verlichting, noch van de straat noch van de auto, naar onze slaapgelegenheden.
Van deze slaapgelegenheden moet ik nog even het volgende herhalen. Toen wij ‘s middags
te 2.30 uur aangekomen waren en met kracht de blussching hadden aangevangen, werd mij door
den gemeenteveldwachter een papier in de handen gedrukt, waarop ik later las: "Voor
inkwartiering voor U en uw personeel, 6 personen kunnen ingekwartierd worden bij
- Jacob Pinster, caféhouder te Emmer Compascuum
en de overige 5 personen bij:
- Pinsters buurman Scholten aldaar."
Denkende dat dit nu wel voldoende in orde zou wezen gaf ik bij mijn heengaan de brief aan
Otten en verzocht hem zorg te dragen dat zij daar zoo goed mogelijk ons en onze mannen zouden
huisvesten. Het onderzoek bracht echter aan het licht, dat 5 van ons op een vies zolderkamertje
groot 3 x 4 behangen met stoffige spinnenwebben op den grond mochten gaan rusten en dat het
voor de andere 6 al niet veel beter was. Bij bezichtiging werd door de caféhouder aangeboden
een groote kruik met jenever, die de vermoeide mannen eens heerlijk zou doen uitrusten. Het
behoeft geen betoog, dat onmiddellijk een ander kwartier werd opgezocht, en de veldwachter
hierdanig over onderhouden werd.
De motorspuit werd op het voorplein van een school gereden in de onmiddellijke nabijheid
van een grenswachter. De Commandant dier wacht zorgde op mijn verzoek voor voldoende bewaking
gedurende de nachturen en eindelijk konden wij ons eenige uren rust gunnen. De manschappen
zouden de werkzaamheden den volgenden morgen niet eerder aanvangen dan nadat ik hun dit zou
gelasten. Ik had dit gezegd, om zeker te wezen, dat zij eens een nacht rustig konden uitslapen.
|
|
|
Dag 6:

|
|
|
|
Den volgenden morgen echter hoorden wij, niettegenstaande Otten en ik ongeveer een kwartier
gaans van de motorspuit af logeerden, te 5.00 uur de motor lustig draaien. Wij dachten dat
wij ons vergist hadden, maar neen, na te 7.00 uur ontbeten te hebben hoorden wij van den
chauffeur die ons af kwam halen dat de motorspuit al weer op zijn plaats stond en de
jongens weer druk aan het blusschen waren. Otten had mij intusschen zijn wederwaardigheden
verteld. Hij was met de ons aangeboden auto op verzoek van den Weerdinger brandmeester
medegereden in de veronderstelling dat hij mij elk ogenblik tegen kon komen. Ongerust over
het lange uitblijven en het feit, dat het steeds later werd en niet op kwam dagen hadden
zij zich telefonisch in verbinding gesteld met Weerdinge en alle in de nabijheid liggende
telefoonstations zoodoende werden ze eindelijk gerustgesteld door de mededeeling, dat ik
het laatst gezien was, met den opzichter van den provincialen Waterstaat, den heer Weber,
en wel in de richting van diens hotel. Hierna waren zij teruggekeerd en bemerkten aan de
verdwijning van de motorspuit dat alles in orde was en wij ons ter ruste hadden begeven.
Op het terrein van den brand gekomen constateerden wij, dat er goede vorderingen gemaakt
waren. Ik verdeelde nu de manschappen in drie ploegen, ieder van drie man, en gelastte de
eerste ploeg zich direct naar hun kosthuis te begeven en rust te nemen. Tegen 12.00 uur
moesten zij terugkomen en brood en koffie medebrengen voor de derde ploeg. De tweede ploeg
kan dan weggaan tot ‘s avonds 6.00 uur, waarna de derde ploeg weg kon gaan tot den volgenden
morgen 5.00 uur. Met den brandmeester van Emmer Compascuum kwam ik overeen, dat hij met
zijn nu uitgeruste bemanning de handspuit weder in werking zou brengen en de blussching
zou beginnen van af de andere zijde van het brandende veen. De wind was inmiddels geheel
gedraaid zoodat wij tegen wind in moesten blusschen.
Met gehuurde manschappen van de Emmer brandweer versterkte ik nu de beide eigen stralen.
Eenige andere arbeiders werden met spaden aan het werk gesteld om voor onze stralen het vuur
om te werpen zoodat de blussching geregeld en snel door kon gaan. Otten bleef nu belast met
het verder toezicht en ik begaf mij per auto naar Emmen en Weerdinge en naar de stoomspuit in
het Noorderveen. Door de bereidwilligheid en het eigen initiatief van ons eigen personeel en
na de door mij getroffen maatregelen voelde ik mij wat zekerder van ons succes en kon weer
wat meer aandacht schenken aan hetgeen rondom gebeurde.
|
|
|
Dag 6:

|
Een koffievuurtje
|
|
|
Op mijn autotocht naar Emmen werd mijn aandacht getrokken door een z.g. koffievuurtje.
Eindelijk kreeg ik nu de gelegenheid mij eens te overtuigen hoe en wat nu zoo'n koffievuurtje
te maken kon hebben met een veenbrand. De auto werd gestopt. Ik eruit en naar den arbeider
toe, die daar bij zijn koffievuurtje even zat uit te rusten van zijn vermoeiende
werkzaamheden. Op het zien van mijn auto en misschien ook mijn uniform maakte hij
aanstalten het vuur te dooven. Ik riep hem toe, dat hij niets mocht doen voor en aleer ik
hem dit zou vertellen. Hij keek mij zeer verwonderd aan, begreep in het geheel mijn
bedoeling niet. Ik verzocht hem het vuur te dooven op dezelfde manier als hij dat gewend
was, wanneer hij weer aan het werk ging. Het hoopje brandende turf bestond uit 3 a 4 lagen
van drie lange turven kruislings op elkaar gestapeld. Deze turven branden zeer fel,
terwijl een witte aschlaag zich om de turf vormde. De man mij zeker verkeerd verstaan
hebbende nam zijn schop en strooide het vuur over het veen heen. Ik wees hem er op dat
dit toch zeker niet de manier was om de brandende turf te blusschen en kreeg eindelijk
uit hem, dat de koffievuurtjes niet gebluscht werden, maar door opstapeling van versche
lange turven aangehouden werden. Ik gelastte hem nu, het vuur te blusschen en bracht hem
onder het oog dat het verboden was koffievuurtjes te stoken en hoe gevaarlijk dit voor
de omgeving was. Hij was dit jaren gewend en het was altijd goed gegaan en kwaad was er
niet bij. Ik liet hem nu een flinken kuil maken, drie steken diep, daar het vuur inwerpen
en dit afdekken met den ondersten veengrond, dien hij het laatst opgegraven had. Hierover
heen eer den volgenden veengrond en ten laatste dit goed aantrappen. Ik dreigde hem met
gevangenisstraf, indien ik het vuurtje stoken weer van hem zag. Hij beloofde mij het nooit
weer te zullen doen en inwendig lachende, vervolgde ik mijn weg met de auto.
|
|
|
Dag 6:

|
Noorderveen
|
|
|
Met de stoomspuit in het Noorderveen aangekomen, vertelde de hoofdmachinist Wiersma mij,
dat zij gedacht hadden 's avonds gereed te komen, maar dat het door den wind eenigszins
tegengeloopen was. Ik inspecteerde daarna het nog te blusschen terrein. Hier was alles druk
in de weer met het blusschen. Van de greppelranden werd het vuur afgestoken, in de droge
greppel geworpen en daarna door diep gedolven veen afgedekt. Met 2 stralen, welke door middel
van een broekstuk gekoppeld waren op een 900mtr lange slangleiding werd flink voortgebluscht.
Iedereen was overtuigd dat het geen 24 uur meer zou duren of dit terrein een oppervlakte
beslaande van minstens 10ha zou afgebluscht zijn. Het grootste gedeelte ervan was gelegen
in de gemeente Odoorn.
Juist maakte ik aanstalten om weer terug te keeren, toen eensklaps te ongeveer
11.45 vm het watergeven gestaakt werd. Ik keerde naar de stoomspuit terug en constateerde met
de hoofdmachinist dat de drijfstang van de rechter machine gebroken was. Na kort beraad
ontkoppelden wij de schaarbeweging, zetten de schuif en zuiger in den laagsten stand, namen
de krukpen metalen los en het onderste gedeelte van de drijfstang. Binnen een uur draaide de
stoomspuit weer lustig voort. De verdere blussching geschiedde nu op de volgende manier. Op
het einde van de 900mtr slang werd een groote waschkuip geplaatst en deze vol water gehouden
door de stoomspuit. De zuigbuis van een handspuit welke nu aan het einde van de 900mtr lange
slang werd opgesteld in de waschkuip geplaatst en zoo werd verder doorgebluscht.
|
|
|
Dag 6:

|
Emmer Compascuum
|
|
|
Ik begaf mij nu weder op weg naar Emmer Compascuum. Emmen passerende ontmoette ik:
- den heer Nauta, gemeente architect,
- den wethouder Hadders en
- den heer opperbrandmeester Daanje.
Deze waren op weg naar het Noordveen. Ik vertelde hun hoever de blussching reeds
gevorderd was in het Noordveen en dat ik hoopte tegen den volgenden middag zoover te zijn,
dat wij de stoomspuit konden laten inrukken. Nadat ik hun dit had medegedeeld, zagen zij
van het plan af naar het Noordveen te gaan. Zij vroegen mij hoe het met de blussching
te Emmer Compascuum stond, waarop ik hun verzocht mede te rijden dan konden zij het met
eigen oogen aanschouwen. Hierin stemden zij volgaarne toe en te ongeveer 3.00 uur nm
waren wij te E.C.
Hier was de blussching flink opgeschoten. Hoewel op enkele plaatsen uren moest worden
gespoten, waarbij vuur en oer en turf meters hoog vlammend opvlogen, voordat deze plaats als
gebluscht kon worden beschouwd, waren andere plaatsen, waar het vuur niet zoo diep zat,
sneller af te blusschen. De handspuit van E.C. voor den wind opgesteld, werkte flink mede
zoodat het zich ook hier liet aanzien dat wij tegen den volgenden avond met onze taak
ongeveer gereed konden zijn. Van Emmen uit had ik ’s morgens getelegrafeerd aan den
Commandant der Brandweer te 's-Gravenhage:
"Hopen in 2 dagen den brand geheel meester te zijn, nemen
maatregelen hier vandaan te komen, alles gaat naar wensch.
En aan den Commissaris der Koningin:
"Verzoeke tegen vrijdagmorgen vroeg twee truckwagons voor speciaal
doorgaand snelvervoer van Emmen naar Den Haag van 2 brandspuiten met 20 man."
De heeren Nauta c.s. waren blijkbaar verwonderd, dat de blussching zoo snel was geschied.
Ook begrepen zij dat onze taak hier spoedig afgeloopen was. Namens brandmeesters, verveners
en wethouders van Emmen werd mij verzocht indien mogelijk het zoo te regelen, dat het
geheele personeel der Haagsche brandweer den volgenden avond om zeven uur op een diner
tegenwoordig kon zijn. Ik beloofde hiervoor mijn best te doen, hopende geen tegenspoed
bij de blussching te krijgen. Hierover zeer voldaan, vertrokken de heeren naar Emmen. Wij
besloten dien laatsten avond met de blussching zoolang door te gaan dat wij den volgenden
avond vroegtijdig gereed zouden zijn. Intusschen was het voor Otten en mij etenstijd
geworden.
Sinds de aankomst te Emmen was dit feitelijk de eerste maal, dat wij met ons beiden
eenige uren rust konden nemen. De manschappen werkten zeer opgewekt; eindelijk naderde
het oogenblik waarop toch de taak der Haagsche brandweer zoo goed als afgeloopen zou zijn.
Nog een kleine dag van flink aanpakken en wij konden victorie roepen. Dien laatsten avond
had ik last gegeven tot 9.00 uur te blusschen en dan uit te scheiden. Graag hadden ze
door willen werken, maar ik vond het niet noodig. Voor dat de manschappen zich goed en
wel ter ruste konden begeven werd het toch nog ongeveer 12 uur 's nachts.
Nadat Otten en ik gegeten hadden en wij een oogenblik genoten hadden van de mooie streek
waar wij zoo langzamerhand meer oog voor kregen werd ons door een rijksveldwachter het
aanbod gedaan onder zijn geleide naar de grens te wandelen. Wij gingen hier gaarne op in
en zoo bereikten wij na een goed half uur de grens. Bij de grenspaal gekomen zagen wij op
een 50mtr afstand een 12tal Duitsche soldaten staan. De hakken klikten even tegen elkaar.
"N'Abend" werd ons toegevoegd en door ons op den zelfde manier
beantwoord. Mij vasthoudende aan de grenspaal moest ik toch even het Pruisische gebied
betreden. Rond de paal loopende stapte ik weer veilig van Duitsch op Hollandsch gebied.
Terugkomende leenden wij van den veldwachter en een burger een paar fietsen en reden dien
avond nog even naar de slaapplaatsen onzer manschappen. Deze waren juist bezig zich naar hun
rustplaats te begeven. Na ons overtuigd te hebben dat alles in goede orde was, reden wij terug
naar ons logies en begaven ons ook ter ruste.
|
|
|
Dag 7:

|
|
|
|
Den volgenden morgen, dus donderdag 31 Mei, na even ontbeten te hebben, begaven wij ons
weder op weg naar het terrein van de blussching. Allen waren weer hard aan het werk gegaan.
De motorspuit wierp weer onvermoeid krachtige stralen op de nog te blusschen veen/en
oergronden. Op eigen initiatief hadden de manschappen besloten zonder rustploegen gezamenlijk
door te werken. Na het terrein weer in zijn geheel geïnspecteerd te hebben met den
opperbrandmeester van Emmer Compascuum, den heer Holman, op wiens verzoek wij ook nog een
grooten oerheuvel af zouden blusschen, besloot ik naar het terrein in het Noordveen te gaan
om te zien, hoever hier de blussching gevorderd was.
|
|
|
Dag 7:

|
Noorderveen
|
|
|
Hier aangekomen stelde ik mij in verbinding met de brandmeesters van Weerdinge en de
luitenants H.en K. De militairen bedienden de handspuit. Deze ontnam haar water uit de
waschkuip, waarin de stoomspuit het weder aanvoerde. Na onderling overleg stelde ik vast,
dat de stoomspuit te 3.00 uur 's middags moest stoppen en dat door de achterblijvende
militairen en burgers het dan nog overblijvende gemakkelijk afgebluscht kon worden, door
afdekking en aandraging van water. Op het afgebluschte terrein, waar zich hier en daar
nog een enkel rookwolkje omhoog kronkelde, moesten enige mannen voorzien van spaden de
wacht blijven houden, om deze plaatsen om te werken en af te dekken. Dit zou m.i. nog
een zestal dagen achtereen moeten gebeuren, aangezien deze overblijvende brandjes
beschouwd konden worden als de gewone veenbrandjes, die dagelijks voorkomen, vond ik mij
niet gerechtigd hier langer ons groot materieel ter beschikking te stellen. Allen waren
dit met mij eens. Luitenant H. zond een boodschap aan den burgemeester van Odoorn waarin
hij hem verzocht de noodige manschappen ter aflossing te zenden en voor de verdere
blussching zorg te dragen.
Het was intusschen een uur of één geworden. Den hoofdmachinist had ik order gegeven te
3 uur te stoppen. Met de luitenants H. en K. was ik overeengekomen, dat zij met hun mannetjes
behulpzaam zouden zijn bij het vervoer van de brandspuit door het veen en eenige paarden ter
beschikking zouden stellen. De brandmeesters van Weerdinge zouden zorg dragen voor het noodige
houtwerk, om hierover de stoomspuit te vervoeren. Na aldus alles geregeld te hebben, keerde
ik over Emmen terug naar Emmer Compascuum.
|
|
|
Dag 7:

|
Emmer Compascuum
|
|
|
Te Emmen gekomen, begaf ik mij naar den heer Nauta en deze vergezelde mij nu, naar E.C. waar
wij ongeveer te 3.00 uur 's namiddags arriveerden. Otten en zijn mannen hadden echter niet
stil gestaan. Het gebrand hebbende veld lag verlaten en afgebluscht; zelfs geen enkel
rookwolkje duidde aan, dat hier het eens zoo gevaarlijk veld van vuur had gelegen. De groote
oerheuvel onder Emmer Erfscheidenveen was eveneens netjes afgebluscht. De heer Nauta was
dan ook vol bewondering van de prestatie van de Haagsche brandweer. Wij reden nu door naar
het logies van de manschappen en daar stond geheel reisvaardig de motorspuit met haar
bemanning. De natte slangen waren netjes opgerold, zelfs zooveel mogelijk afgespoeld. Ze
waren waar maar een plaatsje te bedenken was vastgesjord. Kleeding, dekens, verschooning,
die nu geen verschooning meer was, waren boven op het laddergestel bevestigd evenals de
extra zuigbuizen. Benzine, zoowel kisten als bussen moesten medegevoerd worden. Na nog even
de gehuurde auto afgegeven te hebben aan:
- den heer Pekelaar, den hotelier,
waar Otten en ik eenige nachten onderdak hadden genoten, werd afscheid genomen van de
menschen, die ons zeer vriendelijk gezind waren geworden en onder gejuich werd de reis onder
loodsaanwijzing, nu van den heer Nauta, naar Emmen aanvaard.
|
|
|
Dag 7:

|
Emmen
|
|
|
De motorspuit was zeer zwaar afgeladen. Behalve nog de boven omschreven bepakking moesten ook de
12 man vervoerd worden. Het totaal gewicht zal dan ook niet ver van de 7000 kg af geweest zijn.
Wij reden heel voorzichtig, vooral in scherpe bochten, waar de wagen met zijn zware bovenlast
gevaarlijk overhelde. Na ruim een uur met groote voorzichtigheid gereden te hebben, bereikten
wij zonder ongevallen Emmen. Hier liet ik den wagen afladen en alles onderbrengen in een groote
schuur. Intusschen werden in de twee voornaamste hotels kamers besproken. Een nacht zouden de
manschappen nu eens weder in een behoorlijk bed rusten. Ook voor de bemanning van de stoomspuit
werden dezelfde maatregelen getroffen, en toen dit geschied was, gingen wij met onze motorspuit
op weg naar Weerdinge, om voor verder vervoer van de stoomspuit zorg te dragen.
Tegen 6.00 uur bereikten wij Weerdinge. Juist het café passeerende, waar de eerste
onvergetelijke nacht was doorgebracht, zagen wij de stoomspuit, door militairen, burgers,
paarden, enz omringd, in een groote stofwolk aankomen. Een luid hoera weerklonk, toen daar die
ontmoeting plaats had tusschen de brandweerlieden die elkaar nog niet weer gezien hadden uit Den
Haag. Ik dankte luitenant H. voor zijn prachtige hulp en die van zijn manschappen. De motorspuit
werd gekeerd en door middel van lijnen aan de stoomspuit bevestigd, en zoo ging het met een 20km
vaartje naar Emmen terug. Onze taak was afgeloopen,
het was kwartier voor 7 uur.
|
|
|
Dag 7:

|
De laatste avond
|
|
|
|
|
|
Dag 8:

|
Terug naar Den Haag
|
|
|
|
|
|
Dag 8:

|
Terug in Den Haag
|
|
|
Door de goede zorg van onzen Commandant werden wij aan het station in Den Haag afgehaald
door twee voertuigen der Brandweer. Bij binnenkomst in het Centraal Station werden wij door
den Commandant toegesproken en allen met twee dagen extra verlof naar huis gezonden.
|
|
|
Koninklijk bezoek:

|
|
|





|
Koningin Wilhelmina en prins Hendrik bezochten op 25 mei 1917 de door brand geteisterde veengebieden en werden
daarbij vergezeld door de hofdame freule Six, adjudant generaal majoor graaf Schimmelpenninck, particuliere
secretaris baron Van Geen.
Ze waren een dag ervoor al per staatsspoor vertrokken naar Meppel, alwaar de nacht in de koninklijke trein
werd doorgebracht. De volgende dag ging het voort richting Assen, alwaar de commissaris der koningin Mr.J.Linthorst
Homan en baron v.d.Feltz zich bij het gezelschap voegden om gezamenlijk per auto richting veengebied te rijden.
Men arriveerde bij hotel Schuringa te Valthermond waar Mr.Van Haersma Buma, voorzitter Rode Kruis Emmen,
H.G.Tonsbeek gereed stonden. Zij wezen het gezelschap de weg naar de woning waar het zwaargewonde gezin Van der Lei
verpleegd werd.
Zes kisten met kleding, beddengoed en andere eerste levensbehoeften werden daar uitgeladen. Ook zegde de koningin
100 stromatrassen en 100 wollen dekens toe.
Samen met burgemeester Vriend van Odoorn gingen ze lopend het rampgebied in. Ze troffen verwoeste woningen,
onbruikbaar geworden machines en vreselijk veel menselijk leed aan. De zwaargewonde Jan Smit werd door de koningin
vriendelijk toegesproken. Ook bezocht ze de school op plaats 58 waar verschillende dakloze gezinnen onderdak hadden
gekregen.
"De mensen spraken nog jaren over dit bezoek aan het dorp" vertelde Jan de Graaf
later, "vooral omdat ze zich door niets liet afschrikken om met de slachtoffers in contact te komen.
Ze sprong over greppels en klom tegen de heuveltjes. Tot afgrijzen van de hoogwaardigheidsbekleders."
H.M. en de prins wandelden Valthermond door tot aan de Valtherkiel. Vanaf hier ging de tocht over het verende
nog niet afgegraven veen, dat geheel zwart geblakerd was. Vernielde woningen werden bezichtigd en de vorstin sprak
met de bewoners.
Aan de overkant van Het Diep stond een huis dat niet was verbrand, maar waar omheen allerlei huisraad en gerei
lag verspreid van lieden uit de verbrandde huizen, die daar onderdak hadden gevonden. H.M. wilde de tijdelijke
bewoners spreken over hun vlucht, maar de brug over Het Diep was verbrand. Buurtgenoten hadden een zeer primitief
noodbruggetje gemaakt van twee planken breed en vlak boven het water hangend. Bij het gaan over de planken
boogden deze door en zakten tot in het water aldus de Emmer Courant van 30 mei 1917. De Emmer Courant van 2 juni
1917 vermeldde hoe de koningin de overkant bereikte: "Aan de overzijde was een stoere veenarbeider aan
het werk, die - het gevaar ziende - begon te roepen "Keunegin, past op, hie vall'n der in". De koningin
lachte om 's mans bezorgdheid en zeide op vriendelijken toon "Pak me maar even bij mijn hand". En direct
stak de stoere man zijn eeltige vuist uit en trok haar op de wal."
Eén van de tijdelijke bewoners van het huis was een gemobiliseerde soldaat met verlof. Zijn huis aan de
overkant van Het Diep was afgebrand en hij was behalve zijn huis ook zijn huisraad kwijt. Zijn vrouw en hij hadden
het er levend vanaf gebracht en vonden nu onderdak bij moeder.
Toen de koningin hoorde dat twee gezinnen waren ondergebracht in een tjalk wilde zij daar onmiddellijk heen.
De Emmer Courant: "Over de smalle loopplank kwam de koningin aan boord. Langs het kippentrappetje daalde
zij af in het ruim om te zien hoe de mensen het daar hadden. Zij sprak langdurig met de getroffenen. Zo diepe indruk
maakte dit alles dat de vrouwen met tranen in de ogen tegen elkaar fluisterden dat de koningin toch zoo eenvoudig
was."
Over de gesprekken met de gewonden die koningin Wilhelmina voerde, meldde de Emmer Courant: "In de menigte
zag de koningin een man die zijn hele gezicht en handen verbonden had. Hij had nog wat uit zijn huis willen meenemen
en had in de verbouwereerdheid naar een paar stukken spek gegrepen. Alle moeite had hij om zijn kinderen voort te
krijgen en soms moest hij de kleertjes die vuur hadden gevat, blussen. Toen hij dat weer had gedaan en de stukken spek,
die hij op de grond had gelegd, opraapte, spoot hem ineens onder de stukken spek een golfgloed in het gezicht, waardoor
dit fel gloeide".
Steeds maar weer vroeg de koningin aan burgemeester Vriend van Odoorn naar de bijzonderheden en eigenaardigheden
van de streek en het veenbedrijf. Arbeiders, vrouwen en kinderen liepen uit om het aan te zien: "de koningin
die zoo maar daar rondliep over de asch, over het veen, tusschen de bulten turf door en die kwam kijken naar hun nood
en ellende. Het maakte diepen indruk, dat H.M. zich door niets liet afschrikken, over greppels en kuilen wipte, tegen
de heuveltjes klom."
Burgemeester Vriend had haar fluisterend toevertrouwd: "Majesteit, dat kan niet", maar de
bevolking had ook gehoord dat H.M. daarop antwoordde: "er is niets dat niet kan."
Het gezelschap liep door tot achterin "Den Mond" en keek daar uit over het Valtherveen, dat nog zwaar lag
te smeulen. Langs de blokken ging H.M. weer naar het Zuiddiep en terug naar café Pras waar de auto's stonden.
Vanuit Valthermond vertrokken koningin Wilhelmina en prins Hendrik naar de rampgebieden bij Nieuw Weerdinge en
Emmer Compascuum. Via de Dordsebrug ging het richting Emmen alwaar koningin
Wilhelmina nog een onderhoud had met burgemeester C.van der Wal.
Nadat de Haagse brandweer was teruggekeerd naar Den Haag bracht H.M. koningin Wilhelmina, vergezeld van haar hofdame
baronesse Rengers en haar Adjudant Kapitein ter zee, Jhr.Hooft Graafland, een bezoek aan de brandweerkazerne in de
Prinsenstraat te Den Haag. Zij werd daar door de burgemeester Jhr.Mr.Dr.Karnebeek en de commandant van de brandweer,
overste C.F.H.Tückermann, ontvangen op het binnenplein van de kazerne. Daar stonden 17 van de 19 mannen opgesteld die
aan het bluswerk in Drenthe hadden deelgenomen. Eén van de afwezigen was door familieomstandigheden verhinderd, terwijl
de tweede met verlof was en niet tijdig was te bereiken. De koningin liet zich door de leider van de tocht naar Drenthe,
eerste brandmeester Spoelstra, uitvoerig inlichten omtrent de gang van zaken en de aard van de verrichte werkzaamheden,
daarbij gebruik makende van een kaart.
H.M. gaf tegenover de commandant en tegenover de burgemeester herhaaldelijk uiting van haar bewondering voor de kranige
arbeid van het brandweerkorps. Ook de beide brandspuiten werden door haar met belangstelling in ogenschouw genomen. De
koningin onderhield zich nog even met brandmeester Otten en hoofdmachinist Wiersma en liet zich tot slot door brandmeester
Spoelstra voorstellen aan de overige manschappen.
|
|
|
Twee oogetuigen:

|
|
|
|
Jan de Graaf en zijn zoon Kasper, die aan het Zuiddiep te Valthermond woonden, waren telgen van een vervenersgeslacht
en vertelden na de brand hun verhaal.
Jan de Graaf was in 1917 veenbaas en trok dagelijks met zo'n twintig arbeiders er op uit om turf te steken. De dag
na de brand was Jan de Graaf op weg naar zijn woning. Enkele politiemannen. versperden hem op het laatste stukje de
weg. "1k wil noar mien hoes tou" reageerde Jan op de vraag van de agenten wat hij daar deed. De agenten
waren onverbiddelijk en De Graaf mocht niet verder.
Spoedig werd hem duidelijk waarom men hem tegenhield. Politiemensen waren bezig de stoffelijke overschotten van de
familie Brands uit het schip te halen. "Een hoopje beenderen hebben ze nog teruggevonden. Het moet een
afgrijselijk gezicht geweest zijn. Eigenlijk ben ik wel blij dat ik het niet gezien heb".
Toen de ramp zich aankondigde werkte Jan de Graaf in het veen. Niemand keek vreemd op van de alarm kreet "
het vuur loopt door het veen". Er brak immers regelmatig brand uit en altijd was het nog redelijk goed afgelopen.
De schade bleef meestal beperkt tot een kleine voorraad turf die in vlammen opging.
Spoedig werd Jan de Graaf duidelijk dat het deze keer geen normale brand was. "Als een hagelbui vloog het vuur
ons om de oren. Het was een vuurregen van brokjes veen. De turf stond nog op het land en aan blussen viel niet te denken.
Het was een paar weken mooi weer geweest en daardoor raasde het vuur over de kurkdroge bodem voort, zonder dat we ook maar
iets konden doen".
Met enkele arbeiders probeerde Jan de Graaf een aantal planken in een sloot te gooien om tenminste nog iets te redden.
Dit lukte niet meer en hij rende daarop naar zijn woning aan het Noorderdiep in Valthermond.
Met zijn vrouw en een ziek kind dat op een kruiwagen meegenomen werd, ging het in de richting van de Eerste Exloërmond.
Overal op straat liepen mensen die een goed heenkomen zochten naar de veilige zandgronden of probeerden "boven
het vuur te komen" en in de Exloërmonden terecht kwamen.
De achtjarige Kasper de Graaf ging op 21 mei 1917 zoals gewoonlijk naar school. Donkere wolken pakten zich al boven het
dorp. Aan de horizon was het schijnsel van het naderend vuur te zien. ‘s Middags werden we door de bovenmeester naar huis
gestuurd, vertelde Kasper. Met zijn zusje liep hij in de richting van zijn ouderlijk huis. Onderweg werd hij gewaarschuwd
niet verder te lopen. Het huis van de familie De Graaf lag toen in de vuurzone. "Loop als de bliksem weg"
schreeuwde iemand tegen ons "en loop rechtdoor tot je geen rook meer ziet". Die waarschuwing heeft
hen het leven gered want ze waren anders vast en zeker gestikt of verbrand. Beide kinderen liepen door tot het huis van
een tante. Daar kwamen even later ook vader Jan de Graaf en zijn vrouw aan. De nacht brachten ze op de vloer door. Veilig
voor het alles verwoestende vuur.
"Het moet een hel geweest zijn" vertelde Jan de Graaf, "mensen die niet meer konden
vluchten sprongen in de kanalen en overgoten zich met water. Sommigen moesten vijf wijken door zwemmen om veilig te zijn.
"
De dag na de brand keerde de familie De Graaf naar huis. Op de weg groepen mannen, vrouwen en kinderen. Meestal met wagens
of kruiwagens, waarop wat beddengoed en kleren lagen die uit het vuur waren gered. De turf op de veenderijen waren in as
veranderd. Woningen waarvan alleen nog de muren overeind stonden en tot de waterspiegel van de kanalen en wijken afgebrande
draaibruggen. Dit beeld zag de familie bij de terugtocht. Mensen visten in de kanalen naar een kast of stoel, die ze in het
water hadden gegooid bij de nadering van de vuurzee. Het huis van de familie De Graaf was gespaard gebleven. Die van de buren
waren veranderd in ruïnes. Het was onbegrijpelijk want deze huizen stonden slechts op zo'n twintig meter van die van De Graaf.
De onberekenbaarheid van de vuurzee is enkele mensen noodlottig geworden. Op het moment dat ze dachten veilig te zijn, kwamen ze
door een verandering van de wind midden in de vuurzee terecht en waren dan reddeloos verloren.
Thuis gekomen bleek de po nog op de tafel te staan. "We waren zonder om te kijken weggerend. Als je bedreigd
wordt heb je wel iets anders aan je hoofd dan een po netjes in een kast te zetten."
|
|
|
Ramptoeristen:

|
|
|
|
De Emmer Courant van 2 juni 1917: "Was de toeloop van de belangstellenden om de verwoesting in oogenschouw te nemen
de eerste dagen na den brand reeds bijzonder groot, Pinksterzondag en -maandag was het aantal, dat de monden per trein en
fiets een bezoek bracht, enorm. Tegen den avond was het op de wegen langs Musselkanaal, de Kavelingen en Valthermond zwart
van de menschen."
|
|
|
Schade:

|
|
|
|
In de Emmer Courant van 30 mei 1917 wordt vermeld dat een vertegenwoordiger van het Rijkskolendistributiebureau
voor de turfindustrie te Weerdingermond meedeelde dat hij de schade had opgenomen die door de brand was veroorzaakt.
Hij was gekomen tot de volgende cijfers:
- Verbrand te Emmer Compascuum en Emmer Erfscheidenveen:
- 803 dagwerk turf.
- 216 stobbe baggerturf.
- 8 huizen.
- Verbrand te Valthermond:
- 750 dagwerk turf.
- 300 stobbe baggerturf.
- 100 huizen.
- 3 ijzeren schepen.
- 2 houten schepen.
De waarde van een dagwerk turf bedroeg gemiddeld ongeveer f 100,- en voor een stobbe baggerturf f 40,- zodat alleen
schade aan de turfvoorraad al f 180.000,- bedroeg. De waarde der huizen werden begroot op 1500,- per huis, hetgeen een
schadepost opleverde van f 135.000,-. Met de schepen, de bruggen,
draaivonders, wegen en gewassen erbij kwam men op een bedrag van
f 300.000,- uit.
De koningin maakte een bedrag van f 10.000,- gulden over aan het Provinciaal Comité in Drenthe ter leniging van de
ramp in de veenstreek. Direct na het uitbreken van de brand kwam bij de burgemeester van Assen een gift binnen van Van
Staay's Baconfactory die f 5.000,- gaf.
Dit comité bestond uit:
- Mr.J.Linthorst Homan, commissaris der koningin in Drenthe, voorzitter.
- Jhr.Mr.L.A.S.J.de Milly van Heiden Reinestein, lid Gedeputeerde Staten.
- J.M.van Kuyk, chef 2e afdeling ter Provinciale Griffie.
- C.v.d.Wal, burgemeester van Emmen, lid.
- A.Vriend, burgemeester van Odoorn, lid.
- Dr.C.J.Mijnlieff, secretaris v.d. Koninklijke Nationale Bond voor reddingswezen te Amsterdam.
Door de brand werden 120 gezinnen dakloos.
|
|
|
Slachtoffers:

|
|
|
Het uitgebrande schip, anno 1917.
De Jacoba Janna was een ijzeren dektalk van 105 ton.
Het schip werd in 1903 bij de scheepswerf Gebr.Verstockt in Martenshoek gebouwd.
Het schip was 23 meter lang en 4,62 meter breed.
In 1917 werd de Jacoba Janna bij de scheepswerf
Bos te Groningen weer gereed gemaakt voor de vaart.
Zoon Piet, die ten tijde van de brand in dienst was en daardoor aan de dood
ontsnapte, werd de nieuwe schipper. Hij voer er tot 1926 mee op de wilde vaart.
De Jacoba Janna kreeg later de nieuwe naam Morgenster en werd in 2001 nog bewoond.
Het schip lag dat jaar afgemeerd in Dokkum.
Contact gezocht met de eigenaar van dit schip.
Koningin Wilhelmina, in lichte kleding, bezocht het rampgebied en staat hier in het gangboord van één
der schepen die wel voldoende ver lag afgemeerd
van de brand.
|
In totaal kwamen bij de veenbrand van mei 1917 zestien mensen om het leven:
Op een rij grafzerken op de Noorder begraafplaats te Groningen staat dezelfde achternaam: Brands.
Noot: in diverse kranten wordt vaak de naam Brans vermeld. Ook de sterfdatum is van deze zerken
hetzelfde: 21 mei 1917. Het zijn de laatste rustplaatsen van schipper Eildert Brands, zijn vrouw
Hillechien Roelfzema en zes van hun kinderen.
- Eildert Brands (1859-1917).
- Hillechien Roelfzema (1862-1917).
-
- Afien Brands (1898-1917).
- Hillechien Brands (1900-1917).
- Albertje Brands (1902-1917).
- Jacoba Brands (1903-1917).
- Janna Brands (1903-1917).
- Eildert Brands (1905-1917).
Op 21 mei 1917 lag het schip, met de naam Jacoba Janna, van Eildert Brands (1859-1917) in een wijk te Valthermond en
was door de veenarbeiders al voor een groot deel met turf geladen.
In veel publicaties is te lezen dat Brands voor dom werd gehouden. Schipper Brands zou nog tegen de vluchtende arbeiders
hebben geroepen dat het bij hem veilig aan boord was. Brands meende dat het nergens veiliger was dan in zijn ijzeren schip
en besloot met zijn gezin aan boord te blijven. Hij zou niet gedacht hebben aan de lading brandbare turf die op het
bovendek stond en die een gemakkelijke prooi voor de vlammen zou vormen. Het echtpaar Brands en zes van hun kinderen
verbrandden echter levend in het vaartuig, waarin ze zich hadden verborgen. Zoon Piet, die vanwege de oorlog in dienst
gelegerd was, overleefde als enige van het gezin de ramp.
Kleinzoon Eildert Brands, genoemd naar zijn grootvader, heeft altijd te vuur en te zwaard bestreden dat zijn grootvader
voor 'dom' werd gehouden door zich met zijn gezin in het schip op te sluiten. Hij heeft zijn visie op de gebeurtenis
verteld aan Frits Loomeijer die het publiceerde in het schippersweekblad Schuttevaer.
De Jacoba Janna had behoorlijke afmetingen voor de smalle wijken en monden, waarin het in de derde week van mei 1917 lag
afgemeerd, samen met een aantal houten schepen. Het was droog weer en er waaide een matige tot krachtige wind. Op zich was
een veenbrand niets vreemds, die kwamen regelmatig voor. Veenbranden waren vaak wel hardnekkig omdat de brand zich
ondergronds voort kon planten. Schipper Brands en schipper Damhof, die met een steilsteven in dezelfde mond lagen afgemeerd,
verhaalden voor de zekerheid toch maar hun schepen en zochten een ligplaats in de directe nabijheid van een veenhuisje
waarvan de bewoners ook thuis waren. Zij waren in de veronderstelling dat het zo'n vaart niet zou lopen. Het was de familie
Van der Lei die eveneens bij de brand om het leven kwam. Het vuur kwam
plotseling zeer snel opzetten en ontwrichtte het leven
van de twee gezinnen. Alleen het gezin van schipper Damhof overleefde de vuurzee. Hoe dat mogelijk was is niet
duidelijk, ook hun schip ging geheel in vlammen op.
Trieste bijkomstigheid voor het gezin Brands was dat de ramp plaats vond op de trouwdag van Eildert Brands en Hillechien
Roelfzema. Ze waren op die 21ste mei 32 jaar getrouwd. De dag na de ramp zou dochter Albertje Brands haar verjaardag hebben
gevierd en 15 jaar zijn geworden.
Op de begraafplaats van Valthermond werden der overige slachtoffers begraven. De Emmer Courant van 2 juni 1917:
"Het duurde den gehelen dag, want de lijken moesten één voor één achter uit den mond gehaald worden."
- Albert Oosterloo (1849-1917) geboren te Hemrik en zijn vrouw Janke Jans de Graaf (1846-1917)
geboren te Appelscha. Beide werden begraven op de begraafplaats van Valthermond.
- Janneke van der Lei - Vos (1893-1917) geboren te Sappemeer en haar kinderen Pieter van der Lei
(1911-1917) en Hermannus van der Lei (1913-1917). Allen werden begraven op de begraafplaats van Valthermond.
De Emmer Courant van 2 juni 1917: "De ramp heeft nog een slachtoffer gevraagd. De vrouw van den reeds
zoo zwaar bezochten oppassenden Derk van der Lei die zware brandwonden bekwam, is maandagnacht na een vreselijk
lijden overleden. Alhoewel dr.Huizinga te Musselkanaal, die de patiënte onder behandeling had, hoopte haar in
leven te behouden, hadden de brandwonden zoodanig hare krachten gesloopt, dat geen middel meer baatte. Twee
jongetjes van zes en vier jaar van dit gezin zijn ook omgekomen."
- Roelfina Klein (1880-1917) geboren te Valthermond en gehuwd met Albert Blok.
- Jan Herder (1884-1917) geboren te Valtherveen en gehuwd met Aukje Meijer.
- Jacoba Medema (1886-1917) geboren te Exloërmond en gehuwd met Gerrit van der Heide.
Zij kwam door verdrinking om het leven.
|
|
|
Evaluatie:

|
|
|
|
De Emmer Courant van 9 juni vermeldt dat de Haagse brandweer 10 miljoen liter water had verspoten en dat de
beide spuiten 5000 liter petroleum en 1400 liter benzine hadden verbruikt welke uit Delft, Coevorden en Groningen
betrokken was.
De veenbrand was op meerdere plaatsen uitgebroken. De Emmer Courant van 26 mei 1917 vermeldt dat de brand te
Valthermond op twee plaatsen is ontstaan en wel op plaats 71 of 72 en op plaats 86 of 87. In beide gevallen door
roekeloosheid met koffievuurtjes van de arbeiders. Te Nieuw Weerdinge was het vuur ontstaan door het vonken van een
baggermachine. De arbeidersploeg ervan werd door de vervener op staande voet ontslagen.
Op de jaarvergadering van de Nederlandsche Brandweervereniging deelde voorzitter C.F.Tuckermann, commandant van de
Haagse brandweer, mede dat het bestuur van de vereniging de minister van Binnenlandse Zaken erop had gewezen dat hij
bij tijdig genomen maatregelen en inroepen van deskundige hulp een zo grote uitbreiding van de ramp had kunnen worden
voorkomen.
Hij wees op het nut van een studiecommissie die moest nagaan hoe dergelijke rampen konden worden voorkomen. Het was
hem opgevallen hoe roekeloos op het land met machines werd omgesprongen. Hij zag in Groningen een lustig vonken
spattende dorsmachine op het droge land. Ook te Emmen, bleek de ramp te wijten aan een baggermachine, die niet voldoende
beschermd werd.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- G.Brinkel van de Stichting Historisch brandweer materieel te Den Haag,
www.brandweerevenementen.nl.
- Verslag B.O.Spoelstra, oorspronkelijke vermeldt in "Den Haag en wij" oktober 1964.
- "Hopend op een vrijer leven" door Sietse van der Hoek. Uitgave Boekencentrum 1978.
- "200 jaar veenkoloniën Borger en Odoorn" door de Stichting 400 jaar veenkolonië. Uitgave Profiel 2005.
- Dagblad van het Noorden 19 mei 2007.
- Emmer Courant 23 mei 1917.
- Emmer Courant 26 mei 1917.
- Emmer Courant 30 mei 1917.
- Emmer Courant 2 juni 1917.
- Aanvulling: S.Brouwer.
- Correctie en aanvulling H.de Groot.
- Schuttevaer 16 februari 1985.
- Weer op 15 juli 1917: Utrechts Nieuwsblad.
- Foto's:
- H.de Groot.
- R.Boelens.
- G.Brinkel.
- Archief gemeente Emmen.
|
|