|
Drie voorwerpen uit de depotvondst,
twee armbanden en een hielbijl.
|
De afzonderlijke vondst van drie bronsdepots, allen nabij Barger Oosterveld, werd in 1960 als uniek
beschouwd omdat er dat jaar nauwelijks twintig van dergelijke depots in heel Nederland bekend waren.
Van de vondst uit 1900 werd toen aangetoond dat het een gesloten vondst betrof met de vondst uit 1899.
Tot de vondst van 1900 behoorden zeven voorwerpen die omstreeks de 11e eeuw voor Christus
waren begraven. Deze zeven voorwerpen zijn:
- twee geoorde hielbijlen.
- een paar armbanden.
- een mesje.
- drie fragmenten (mogelijk) van een spiraalvormige armband.
- een staafje of speld, mogelijk een mantelspeld, die in 1960 niet meer aanwezig was.
De voorwerpen werden bij elkaar gevonden in een grafheuveltje in het Bargeroosterveld ongeveer 25 cm
onder de grond. Er werd geen melding gemaakt van zaken die aantoonden dat het hier grafgiften zou betreffen.
Aangenomen werd dat de voorwerpen indertijd begraven werden als een votieve (objecten geschonken als
inwilliging van een belofte) of rituele handeling. Deze denkwijze werd mede ingegeven omdat de helft van
de voorwerpen gebroken bleek te zijn. Mogelijk tijdens de prehistorische ceremonie die in Europa wel meer
zijn aangetroffen.
De armbanden behoorden tot het type "nierenring", een armband met een niervormige verdikking.
De Duitse prehistoricus Ernst Sprockhoff beschouwde dit type armband karakteristiek voor het Eems-Weser
gebied tijdens de periode Montelius VI (lees: de Late Bronstijd).
De hielbijlen bezaten een "oortje", hadden een hoekig uiterlijk en een smal blad. Zij
verschilden geheel van de lokaal bekende hielbijlen, en kwamen goed overeen met hielbijlen uit de Late
Bronstijd zoals deze toen in Zuid Engeland werden gemaakt.
De herkomst van het mesje kon in 1960 nog niet achterhaald worden. Er waren geen precies gelijkende
tegenhangers voorhanden.
De drie fragmenten, die mogelijk een spiraalvormige armband hadden gevormd, leken eveneens in de Late
Bronstijd thuis te horen.
|
|
De voorwerpen uit de depotvondst van 1899,
een mes (boven en een scheermes (onder).
Scheermes van Weerdinge, 1930.
|
De afzonderlijke vondst van drie bronsdepots, allen nabij Barger Oosterveld, werd in 1960 als uniek
beschouwd omdat er dat jaar nauwelijks twintig van dergelijke depots in heel Nederland bekend waren.
Van de vondst uit 1899 werd toen aangetoond dat het een gesloten vondst betrof met de vondst uit 1900.
Tot de vondst van 1899 behoorden twee voorwerpen die omstreeks de 11e eeuw voor Christus waren
begraven. Deze twee voorwerpen zijn:
- een bronzen mes.
- een bronzen scheermes.
Op beide voorwerpen had zich een vrijwel gelijkgekleurde donkergroene tot bijna zwarte oxidatielaag
gevormd. Door verkleuring van de oxidatielaag had zich op beide voorwerpen een gelijke vorm afgetekend.
De Nieuwe Drentse Volksalmanak: "deze aftekening ligt over een vlek heen die van het soort
is dat vaak op brons veroorzaakt wordt door het vergaan van een houten greep. Het lijkt dan ook of het
scheermes oorspronkelijk op de greep van het mes heeft gelegen en langzamerhand, toen het hout verteerde,
door het gewicht van het bovenliggende zand op het brons van het mes werd gedrukt."
De vondst was slecht gedocumenteerd waardoor het niet geheel zeker is of ze inderdaad tezamen zijn
gevonden. Door bovenstaande bijzonderheden echter is het vrijwel zeker dat deze twee voorwerpen toch
een besloten vondst hebben gevormd.
Aanwijzigen dat het om grafgiften zou gaan ontbreken geheel, waardoor de vondst als een klein bronsdepot
moet worden gezien.
Beide gebruiksvoorwerpen zijn uitheems voor Nederland, maar kwamen in de Midden Europese urnenveldencultuur
veelvuldig voor. Noot: hiermee wordt voor Nederland de periode Montelius VI (lees: de Late Bronstijd)
bedoeld.
Het mes was tweesnijdend en het heft bestond uit een ovaal bekroond met een cirkel. Het was
waarschijnlijk al een lang gebruikt exemplaar want het blad vertoonde verschijnselen dat het vaak was
afgeslepen en kan derhalve een ietwat andere vorm gehad hebben, maar zeker geen halve maan of hoefijzervorm.
Het leek enigszins op het zogenaamde scheermes van Weerdinge dat in 1930 gevonden werd.
|
|
Links: kokerbijl van het type Seddiner.
Rechts: kokerbijl met rijk geprofileerde mond.
|
De afzonderlijke vondst van drie bronsdepots, allen nabij Barger Oosterveld, werd in 1960 als uniek
beschouwd omdat er dat jaar nauwelijks twintig van dergelijke depots in heel Nederland bekend waren.
De vondst van 1896 bestond uit twee bronzen kokerbijlen.
De twee bijlen zijn omstreeks december 1896 gevonden door de schapenhouder Willem Alberts uit Emmen. Alberts lichtte
hierover burgemeester W.Tijmes in die de bijlen op 22 januari 1897 naar het museum in Assen stuurde. C.G.J.A. Van Genderen
Stort, bestuurslid van het Asser museum, deed verdere navraag naar de exacte vindplaats en omschreef de vindplaats als:
"bij het zogenaamde Barnar's Bosch, een paar duizend meter ten oosten van de hunebedden van Angelsloo, in geel
zand op een diepte van 60 cm." Met het Barnar's Bosch werden de heidepercelen bedoeld die ten noordoosten van
Barger Oosterveld lagen, concreter: de eerste 700 meter aan de voornamelijk oostelijke zijde van de weg van Barger
Oosterveld naar Emmerschans.
Beide bijlen hebben hetzelfde gevlekte groene oppervlak. Dit oppervlak is
glanzend aan de ene zijde en doffer met een bruinachtige kleur aan de andere
zijde. Daar is het oppervlak plaatselijk geschilferd waar een lichtgroene
poederachtige corrosielaag was waar te nemen. Aan beide bijlen kleefde nog
leem.
Beide bijlen hadden om de hals eveneens een vrij uitzonderlijke
versiering bestaande uit lijsten met een diagonale ingegroefde arcering, die
in groepjes naar links of naar rechts was aangebracht.
- De kortste van de twee had een zestal versierde ringen en een
trommelvormige verwijding daaronder. Tot 1960 was er in Nederland
slechts één identiek exemplaar bekend. Dit type bijl is bekend komen
te staan als Seddiner, genoemd naar het plaatsje Seddin bij Potsdam in
de deelstaat Brandenburg. Of de bijl hier "geïmporteerd" is
of daar een plaatselijke bronssmid is niet duidelijk.
- De grootste van de twee was omstreeks 1960 is mogelijk wel een echt
Drents product. Van dit type zijn de meeste in Drenthe gevonden.
|