|
Kaart uit 1902. "Haantje bak" staat bovenaan in het midden aangegeven.
De groenachtige kleur rond Haantje bak geeft aan dat het een moerassig gebied is.
Het "oude" Haantje bak lag dus even ten noorden van wat vroeger het Emmer Zand werd
genoemd en wel in een behoorlijk groot gebied, zeer vaal geel ingekleurd wat "woeste
grond" aangeeft.
De lichtere (grijsachtige) kleur rond het Emmer Zand en andere plekken, geven aan
dat het een zandverstuiving betreft. Het hoogste punt, 32.3 meter + NAP. Het is exact de
plek van de latere uitkijktoren bij Haantjeduinen. Een aanwijzing voor een Haantjebakmeer,
ontbreekt op deze kaart.












|
Met de naam "Haantjebak" is iets vreemds aan de hand. Op oude en recente kaarten,
staat een gebied aangegeven met de naam Haantjebak. Vroeger was het een behoorlijk
groot moerassig gebied ten noorden van wat toen het Emmer Zand heette. Tegenwoordig
ligt het binnen de Emmerdennen, in de hoek van de Sparrenlaan en de Randweg.
Het Emmer Zand staat op de huidige kaarten aangegeven als "Haantjeduinen". Om
onduidelijke redenen wordt deze beboste zandverstuiving ook vaak "Haantjebak"
genoemd en die naam is tegenwoordig bekender dan het noordelijker gelegen Haantjebak.
In een Emmer Courant van onbekende datum schreef de houtvester alhier: "Eenige dagen
voor Pinksteren is het nieuwe meertje in den N.O. hoek van de Emmerdennen gereed gekomen, voor
zoover dit het grondwerk betreft. Daarmede is weer een werk tot stand gekomen, waarop ik graag
even de aandacht wil vestigen. Aan de velen, die ter plaatse bekend zijn, behoeft niet te worden
verteld, dat daar een idyllisch klein meertje verscholen onder de elzen lag, zoo klein, dat de
meesten er ongetwijfeld langs gingen. De omgeving was drassig en bij hoogen waterstand moeilijk
begaanbaar.
De werkverschaffing bood een goede gelegenheid, om de afwatering van die geheele
omgeving welke vroeger met den naam van "Haantjebak" werd aangeduid, in tegenstelling
met nu, waar de hoogste zandduinen verkeerdelijk onder dezen naam bekend zijn, te verbeteren en
toen rijpte er een plan om het kleine meertje, dat in een betrekkelijk groote kom lag, te
vergrooten en te verdiepen.
Het was niet uit weelde, dat de Rijksinspecteur, de heer Nijenhuis, het plan van het
Staatsboschbeheer goedkeurde, maar een drang, die ontstond door den grooten toevloed van
werkloozen in den laatsten winter, waardoor moeilijkheden ontstonden in het vinden van geschikte
werkobjecten.
Ieder die thans het nieuwe meer zal bezoeken, moge voor zichzelf uitmaken, of dit
werkverschaffingsobject de moeite en de kosten waard was. De talrijke kinderen, die zich op de
Pinksterdagen reeds kostelijk hebben geamuseerd met pootjebaden, zullen u wel vertellen, dat het
meertje gelegenheid biedt om een genot te smaken, dat gewoonlijk langs de Noordzeestranden in
extenso te bereiken is. Uit een oogpunt van natuurschoon ligt hier weer een pareltje, dat in de
toekomst het Zandmeer zal kunnen evenaren.
Voorlopig zal het nieuwe meer, zal dit niet "Haantjebak" moeten worden
gedoopt en de zandduinen "Emmer duinen"?, gebruikt mogen worden door de jeugd en ik
roep ieders welwillende medewerking in, om het Staatsboschbeheer bij te staan in zijn taak om een
toestand te verkrijgen, die de omgeving waardig is."
Al eerder werd in Hotel Groothuis aan het Marktplein besloten tot de oprichting van een
vereniging voor de exploitatie van een zwembad. Men hoopte nog diezelfde zomer het nieuwe
meertje Haantjebak als zweminrichting in gebruik te kunnen nemen. Volgens de Emmer Courant van
onbekende datum was het een geanimeerde vergadering, die goed werd bezocht.
De bijeenkomst stond onder leiding van de voorzitter van de commissie ir.A.W.F.Bennink. Het
begon zijn toespraak met de woorden dat "wassen goed is, baden beter, maar zwemmen het
best".
Vervolgens memoreerde hij wat een commissie, die enkele jaren eerder op initiatief van de
propaganda commissie voor Vreemdelingenverkeer was opgericht, had verricht om aan de warme
belangstelling die voor zwemmen bestond tegemoet te komen. Deze commissie bestond oorspronkelijk
uit de heren A.in 't Veld, A.Meintema, T.Kremer, H.J.Schotveld en R.Lutken. Deze commissie had
achtereenvolgens de volgende locaties voor een zweminrichting in studie:
- de es, wat niet mogelijk bleek vanwege de bodemgesteldheid aldaar.
- een terrein in het Bargermeer, hetgeen niet haalbaar bleek vanwege het niet uitvoeren van
het kanaalproject Emmen Oranjedorp.
- in de Willingecampen, hetgeen niet door kon gaan vanwege de hoge grondprijs.
Toen Staatsbosbeheer begon met de aanleg van het Haantjebak meertje, nam de commissie contact
op met houtvester Blokhuis, die zich bereid toonde om met de aanleg rekening te houden met de
belangen van de zwemsport.
De bodemgesteldheid bleek ter plaatse zeer geschikt, en al was de diepte niet voldoende, zag
de commissie hier verdere mogelijkheden. Tijdens de vergadering in Hotel Groothuis werd het plan
toegelicht. De afmetingen van het meertje waren 90 bij 30 meter. De waterstand was een halve
meter te laag, maar kon door pompen worden aangevuld. Dit had als voordeel verversing van het
water dat anders snel zou vervuilen en verdampen. Om het meertje als zweminrichting te kunnen
gebruiken was er meer nodig dan alleen een meertje, met name op gebied van de watervoorziening.
De commissie had hiervoor twee opties waarvan de laatste de voorkeur had:
- het graven van een tweede bassin, waarin zich een natuurlijk reinigingsproces kon
voltrekken, om vervolgens het water over te pompen.
- het oppompen van water dat in een voorverwarmingsvijver op temperratuur moest komen
voordat het in het zwembad werd ingelaten.
Er moest gezorgd worden voor een voorverwarmingsvijver, een pompinstallatie, een behoorlijke
afscheiding met rietmatten en een twintigtal kleedkamers.
Gemengd zwemmen zou voorlopig nog op bezwaren stuiten waardoor men ervan uitging om de uren
voor dames en heren afzonderlijk te houden. Ook zou het bad op zondag gesloten zijn.
Het graafwerk zou kosteloos kunnen geschieden in gevolge de werkverschaffing. Staatsbos had
zich al bereid verklaart grond af te willen staan. De inrichtingskosten zouden door de
vereniging betaald moeten worden. Deze inrichting bestond uit aanschaffing van een pomp en boren
van een put, kleedruimten en afrastering. Dit werd begroot op f 2.500,- hetwelk men wou lenen
met een aflossingstermijn van tien jaar.
De exploitatierekening was opgezet op basis van vier maanden openstelling per jaar. Met
inbegrip van van de kosten van aflossing en rente, beloning van de badmeester, kwam men op een
jaarlijkse uitgave van f 750,-. Dit bedrag moest worden gedekt door entreegeld, contributie en
abonnementen.
|