|
Emmermeer: Woonwagencentrum De Ark

|
|
|
|
|
|
Herkomst naam De Ark

|
-
|
|

|
In 1994 bestond het woonwagencentrum aan de Sluisvierweg in Emmen 100 jaar. Het
centrum had toen nog geen naam. De bewoners gaven het woonwagencentrum toen de naam
DE ARK, genoemd naar pater Van der Ark die in
1955 benoemd was als pater voor woonwagenbewoners in Drenthe. In dat zelfde
jaar hield hij een kerstviering in zijn "eigen" kerkje, een
speciaal daarvoor ingerichte wagen. Om kwart voor vier ’s ochtends kwam
hij al op het woonwagenkamp om de stormlantaarns in de wagen aan te steken
en het salamanderkacheltje aan te maken. Vervolgens ging hij de woonwagens
langs om de mensen wakker te maken! Pater Van der Ark reisde de
woonwagenbewoners door heel Drenthe achterna. Tussen 1955 en 1966 deed hij dit per trein,
bus, fiets, brommer of lopend. De woonwagenbewoners in Drenthe vonden dat dat niet kon en
gaven de eerste aanzet tot het verzamelen van geld waarvan een auto kon worden gekocht. In
september 1966 werd hem zijn een Renault 4 aangeboden. De pater was zeer gezien onder de
bewoners en beschouwde zichzelf als één van hen. Het was bekend dat hij financieel gezien
niet rijk was. Hij kreeg wel eens sokken, broeken of schoenen van reizigers en droeg die
dan ook. Hij kon zijn kleren wel betalen, maar wilde zo dicht mogelijk bij de mensen
staan. Hij was één met de woonwagenbewoners en kende de namen van alle families. De pater
bracht veel hulp en troost bij ziekte en overlijden, was diep gelovig en wist de mensen
altijd een hart onder de riem te steken. Op 18 april 1985 ging hij met emeritaat.
Datzelfde jaar, op 15 juli, stierf hij.
|
|
|
Herkomst bewoners

|
|
|
Een kiepkerel
Hannekemaaiers
schilderij J.Rentinck 1839
Scherensliep
|
De meeste bewoners van het woonwagencentrum aan de Sluisvierweg in
Emmen zijn afstammelingen van Duitse families die in de 17e eeuw in
de zomermaanden naar ons land kwamen om te werken. In Duitsland heerste in
die tijd hongersnood en het land verpauperde. In ons land was juist veel
vraag naar arbeiders, omdat de economie hier bloeide. Velen hadden een
zeis over de schouder, omwikkeld met lappen zodat men zich tijdens de reis
niet aan het scherpe blad kon verwonden. De "Hannekemaaiers"
en "Kiepkerels" gingen meestal na de zomer weer naar Duitsland
terug. Ze hadden in Nederland genoeg geld verdiend om in eigen land de
winter goed door te kunnen komen. Tijdens de winter werd er thuis weer
volop geweven om voldoende voorraad textiel voor de volgende tocht naar
"Dass reiche Holland" te hebben. Eenmaal in Nederland gingen ze
eerst terug naar de boeren waar ze jaar na jaar aan het werk waren geweest.
In de loop van de eeuwen besloten steeds meer Duitse seizoenarbeiders
om niet meer terug te keren naar hun eigen land. Al snel merkten de
Hannekemaaiers, zoals ze wel genoemd werden, dat de vrouwen van de
Hollandse boeren nogal gek waren op de lappen textiel die in Duitsland
gemaakt werden. Deze waren niet alleen mooi om te zien maar ook van
uitzonderlijk goede kwaliteit. Dat was de reden waarom menig Hannekemaaier
door de mechanisatie in de landbouw overging op de handel in stoffen. Zo
werden velen van los arbeider bij de boeren, reizend koopman. Ze werden
ook wel "Kiepkerels" genoemd. Het waren hoofdzakelijk
handwerkslieden en kooplui die van plaats naar plaats trokken en een
zwervend bestaan leden om hun diensten aan te bieden. De beroepen die ze
uitoefenden waren o.a. stoelenmatter, mandenmaker, scharen en
messenslijper. De Hannekemaaiers waren harde werkers, heel spaarzaam en
vaste kerkbezoekers. Men kende ook de "Hollandbodes" die het
contact met achtergebleven familie onderhielden. Sommige trouwden met een Nederlands
meisje, andere namen hun hele gezin mee, met de bedoeling hier een vast bestaan te
vinden. Overnachten deed men, met het hele gezin, meestal bij de boer.
Tussen 1717 en 1740 doken in Duitsland veel mannen onder om niet in
militaire dienst te hoeven. Het leven in het leger was niet al te best.
Onder hen was ook ene Wolters. Nadat hij eerst in zijn eigen land rond had
getrokken kwam hij samen met zijn zuster rond 1750 vanuit Westfalen ons
land binnen. In Duitsland hadden ze hem opgepakt omdat hij niet in dienst
wilde, maar hij wist te ontsnappen. Wolters trouwde in Drenthe met een Nederlandse
vrouw. Zijn zuster trouwde, ook in ons land, met ene Hendriks. Beide families bleven
bij elkaar en trokken gezamenlijk door de provincies Overijssel, Drenthe,
Groningen en Friesland. Ze leefden van het slijpen van scharen en messen
en van de verkoop van galanterie. Met dit laatste hielden vooral de
vrouwen zich bezig. Al in de 18e eeuw hadden de beide families een
slijperskar en sommige bronnen beweren dat zij daarmee de eerste in ons
land waren die een dergelijk vervoermiddel gebruikten! Het waren hoge
slijperskruiwagens waar het benodigde gereedschap aanhing. Het jongste
kind zat er voorop. De grotere kinderen droegen het beddengoed. Let wel,
dit is wel ongeveer 250 jaar geleden!
Deze reizigersfamilies waren welkome gasten in de dorpen die ze
aandeden om hun diensten aan te bieden. Als ze in een dorp kwamen zochten
ze de centrale brink op waar ze gingen zitten om uit te rusten van de
voettocht. Meestal wist men in het dorp dat ze eraan kwamen en vooral de
jongeren zaten ze soms met spanning op te wachten want er waren twee neven die in het
noorden van ons land zeer bekend waren; Machiel Wolters en Machiel Hendriks. Eén van hen
stond in Drenthe bekend als Mechiel de Scherenslieper. Hij was een bekende bemiddelaar
als het om afspraakjes tussen jongens en meisjes ging!
De families Wolters en Hendriks (soms ook wel Hindriks) die op het woonwagencentrum
de Ark in Emmen wonen stammen af van deze families!
|
|
|
Bekende namen

|
|
|
Links: Willem Vroom (1850-1925)
Rechts: Anton Dreesman (1854-1934)
Clemens en August Brenninkmeijer
|
Er waren verkopers van textiel die in ons land in een herberg, een café
of een hotel alleen maar een kast huurden. Later, wanneer er wat meer geld
verdiend was, werd de kast vervangen voor een hele kamer. Ze zorgden dat
daar telkens genoeg handelswaar in aanwezig was. Vanuit de plaats waar
deze opslagplaats gehuurd werd, trok men steeds het land in.
Op deze manier zijn er in ons land bekende grote textielzaken ontstaan. Rond 1900
waren er alleen al in de stad Leeuwarden 41 zaken van mensen die van oorsprong
uit Duitsland afkomstig waren! Onder de handelaren in textiel waren onder andere ook de
gebroeders Brenninkmeijer (van C&A).
De kiepkerels kwamen veel uit Munster, Ost Friesland, Papenburg, Cloppenburg,
Oldenburg, Meppen en Lingen. Behalve textiel verkochten velen ook galanterie.
De gebroeders Clemens en August Brenninkmeijer kwamen uit Mettingen. Andere bekende
namen uit Duitsland zijn onder andere Dreesman (van V&D) oorspronkelijk afkomstig uit
Haselüne, en de familie Vroom. Willem Vroom stamt waarschijnlijk af van Harm Vroom
Berents uit Ibbenbüren. Anton Sinkel, van de winkel van Sinkel, kwam uit Hannover.
Reizigers handelden dus in vele dingen. Sommige verkochten galanterie,
andere waren stoelenmatter, ketellapper of ze verzamelden oud ijzer of lompen.
|
|
|
Ontstaan woonwagen

|
|
|
|
Voor 1800 maakten de reizigers gebruik van primitieve voertuigen zoals
hondenkarren en kruiwagens. Een reis werd te voet afgelegd.
Woonwagens ontstonden aan het eind van de 19e eeuw, rond 1880, 1890.
Na de algemene volkstelling van 1889 werd vastgesteld, dat er in heel
Nederland slechts 61 woonwagens rond reden. Tien jaar later, in 1899,
waren dat er 224. In 1911 telde ons land 584 woonwagens.
Ze zagen er natuurlijk nog niet zo uit als men ze nu kent. De
allereerste woonkarren waren niet meer dan kleine oude platte boerenwagens
waarover een zeil gespannen was. Ze hadden in de meeste gevallen twee
houten wielen. Men kon er niet rechtop in staan en de wagen werd alleen
gebruikt om in te slapen. De afmetingen waren meestal twee bij drie meter.
De bedden waren van stro en vaak staken de voeten tijdens het slapen
buiten de wagen! De wagens waren heel schoon. Elke dag werden ze
uitgeboend. Na verloop van tijd bouwden veel reizigers houten schotten op
de wagentjes die de huif, of de linnen kap vervingen. De steunribben
waartegen de planken getimmerd werden, zaten aan de buitenkant zodat de
wagentjes ook wel de bijnaam 'ribbenkast' kregen. In de loop der jaren
werden de wagentjes groter. Er kwamen zelfs echte wagenmakers waar de
reizigers een complete woonwagen konden kopen. Bekend werden de Tielse
wagens. In het begin van de opkomst van de kleine primitieve woonwagentjes
maakten alleen de handelsreizigers en kermisexploitanten gebruik van dit
'nieuwe' vervoermiddel. Pas later gingen er ook burgers uit de steden in
woonwagens wonen. Dit waren lang niet altijd handelsreizigers.
Omdat de regering meer controle wilde hebben op de woonwagenbewoners in
ons land werd in 1918 de "Wet op de woonschepen en woonwagens"
ingevoerd. Hierin werd onder meer bepaald dat een wagen de minimale
afmetingen moest hebben van 4,5 x 2,1 x 2,1 meter. Ook werd er in de
nieuwe woonwagenwet bepaald, dat een wagen een dag en een nachtverblijf
moest hebben. Met deze regelingen hoopte men, dat de levensomstandigheden
van de woonwagenbewoners werden verbeterd. Als aan alle voorwaarden was
voldaan kreeg een woonwagen een zogeheten schouwnummer.
|
|
|
Discriminatie

|
|
|
|
Er waren gemeenten in ons land die het wonen in woonwagens maar niks
vonden. In 1902 schreef de Nederlandse Vereniging voor Gemeentebelangen:
"Is het in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en
gezondheid niet wenschelijk, dat het verblijfhouden van gezinnen in zogenaamde woon - of
kermiswagens worde tegengegaan?" Sommige gemeenten voerden de
regel in, dat een gezin wonende in een woonwagen niet langer dan 48 uur,
soms zelfs niet langer dan 24 uur, in de gemeente mocht verblijven. Dit
zorgde ervoor dat reizigers zich opgejaagd voelden. Wanneer reizigers in
een dorp of stad wilden overnachten, kregen ze meestal een plaats
aangewezen buiten het dorp. Hierdoor kwamen de reizigers meer en meer in
een isolement.
|
|
|
Ontstaan De Ark

|
|
|


foto anno 1922
Interieur woonwagen 20er jaren
foto anno 1934
foto anno 1934
foto anno 1935
|
In de tweede helft van de 19e eeuw veranderde er het één en ander
voor deze bevolkingsgroepen. Door de steeds toenemende mechanisatie werd
de vraag naar arbeidskrachten in ons land steeds minder. 0ok de
dienstverlenende functies raakten in verval. Voor de reizigers kwam er
steeds minder werk en daardoor bleven ze langer op een plek staan. Men
zocht elkaar steeds meer op en brachten gezamenlijk de nacht door. Bij
elkaar voelde men zich het veiligst. Zo ontstonden de kampjes.
Emmen kreeg in 1894 haar eerste, onofficiële kampje op een plek even
buiten het dorp, aan de weg naar Odoorn, ongeveer 100 meter ten oosten van
het huidige woonwagencentrum.
|

|
|
De oude heirweg naar Odoorn omstreeks 1920.
Rechtsachter stonden de keten van de families
Joling en Kamps.
|
Ook op het oude woonwagenkampje aan de Odoornerweg hebben vroeger die
oude woonwagentjes gestaan met twee wielen. Ze werden soms getrokken door
de reizigers zelf omdat een paard te duur was. In Emmen stonden op 5 juli
1911 's middags om 12.00 uur vijf woonwagens. In 1919 kreeg Emmen haar
eerste officiële standplaats voor woonwagens op de locatie die al sinds
1894 in gebruik was voor dit doel. Er kwam een bord te staan met het
opschrift: "Standplaats voor woonwagens". Het terrein was
overigens volstrekt ongeschikt. Het lag in een laagte en veranderde
tijdens een regenbui in een enorme modderpoel. Veel wagens bleven dan ook
langs de weg staan wat soms tot gevaarlijke situaties leidde.
In 1928 werden de eerste sanitaire voorzieningen aangelegd: vier
"toiletten" met een welwater put. Die toiletten waren niet meer
dan door een heg afgeschermde "privaten". Dit was volstrekt
ontoereikend. Later werden er dan ook twee toiletten bijgeplaatst. Kosten:
fl 40,-. Tevens werd er fl 47,- uitgetrokken voor 60 meter nieuwe waslijn
en fl 85,- voor beplanting rondom het terrein. Uit deze beplanting is het
bosje bij het woonwagencentrum aan de Odoornerweg ontstaan, dat
tegenwoordig ook wel het "Kippenbosje" genoemd wordt.
Tijdens een zware storm in 1948 waaiden er enkele wagens omver.
Gelukkig raakte er niemand gewond. In de zomer, tijdens langdurige
droogte, kwam het nogal eens voor dat de waterput op het kampje droog
stond. Water moest dan bij de boeren uit de buurt gehaald worden. Het was
dan erg rustig op het kleine kampje.
In het begin van de jaren vijftig waren de leefomstandigheden op het
woonwagenkamp enorm slecht. Het terrein was na een regenbui nog steeds een
enorme modderpoel. Men is toen van plan geweest om het kamp helemaal te
verplaatsen. Een nieuwe locatie had men al op het oog, een terrein in de
buurt van de Nieuw Amsterdamsestraat. Hier werd echter vanaf gezien. Omdat
er toch een eind moest komen aan de zeer slechte leefomstandigheden werd
besloten het gehele terrein op te hogen. Het zand wat vrijkwam bij het
bouwen van de nieuwe AKZO vestiging in Emmen werd naar het terrein aan de
Odoornerweg gebracht. Pas na 1969 kreeg het kamp z'n huidige vorm en
veranderde het in een modern woonwagencentrum.
|
|
|
Tweede Wereldoorlog

|
|
|
|
Het is algemeen bekend dat de Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog vreselijk
heeft geleden. Velen van hen zijn via Westerbork naar Duitsland getransporteerd en niet
meer teruggekeerd. Ook de zigeuners hebben het heel zwaar gehad. Onder hen zijn ook veel
slachtoffers gevallen. Maar er is nog een groep die in de oorlog erg te lijden heeft
gehad, en wel de reizigers.
Hoe was het op het woonwagenkampje in Emmen in de periode 1940-45?
In de Tweede Wereldoorlog werd door de Duitse bezetters bepaald, dat de
reizigers niet meer met hun woonwagens rond mochten trekken. Er kwam in
ons land een aantal zogenaamde "verzamelkampen". Reizigers
werden door de Duitsers verplicht om daar naar toe te gaan en er te
blijven. Dit laatste was een probleem voor vele woonwagenbewoners, want
hoe kwamen ze aan een inkomen als ze niet meer mochten reizen? Het
woonwagencentrum in Emmen was geen officieel verzamelkamp, maar veel
reizigers werden wel gedwongen om hier naar toe te gaan. Voor hen begon
daar een groot leed. Voor de oorlog stond het woonwagenkampje in Emmen
bekend als gezellig en een plek waar je prima kon bivakkeren. In de oorlog
veranderde dit. Het woonwagenkampje was gevreesd onder de reizigers! Er
heerste angst, want een paar keer per week werden er razzia’s gehouden,
meestal ‘s avonds laat of in de nacht. Dat was de reden waarom veel
mannen en jongens tegen de avond een schuilplaats zochten in het huidige
Schietbaanbosje. Ook waren er, die een hol hadden gemaakt in het land
achter het kampje. Een oude schuur op de es bood ook onderdak. Er was
zelfs iemand die een schuilplaats had gemaakt in de mesthoop! In de sloten
rond het kampje werd ook regelmatig door reizigers overnacht. ’s Morgens
vroeg gingen ze weer terug, soms met wit bevroren haar. Het is gebeurd,
dat een jongen door zijn vader uit de sloot werd gehaald en naar de wagen
werd getild. Hij was zo verstijfd van de kou dat hij niet meer kon lopen.
Overdag werd het kampje ook regelmatig bezocht door landwachters en/of
Duitse militairen, maar er stonden dan meestal wel reizigers op de
uitkijk. Als er gevaar dreigde werd er een seintje gegeven en de mannen en
jongens verdwenen zo snel ze konden. Wanneer de kust weer veilig was, werd
er tegen de ijzeren palen van de waslijnen geslagen. Als de vluchtenden
dit geluid hoorden, wisten ze dat ze terug konden keren.
De reizigers hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog ontzettend veel hulp gehad van de
boeren. Vele reizigers beweren, dat zij dankzij de Nederlandse boeren deze
oorlog overleefd hebben.
Veel reizigers durfden niet naar de burgerbevolking in Emmen om te
vragen of ze daar mochten schuilen. Ze waren te bang voor verraad.
Dan was er nog het probleem van de wagens. Regelmatig kwamen de Duitse
bezetters een wagen vorderen. Deze werd dan helemaal wit geschilderd en
naar het kamp Westerbork gebracht. De familie die zonder wagen
achterbleef, moest zelf maar zorgen dat ze bij een andere reizigersfamilie
onderdak kregen. Voor veel reizigers kwam het einde van de oorlog gelukkig
nog op tijd. Toen de Tweede Wereldoorlog ten einde was mochten de
reizigers weer met paard en wagen rondtrekken. Het woonwagenkampje in
Emmen kreeg haar goede naam terug. Veel reizigers kwamen regelmatig op het
kampje aan de Odoornerweg. Er was altijd wel plaats.
|
|
|
Onderwijs

|
|
|
|
Al kort na de Tweede Wereldoorlog (1947-1953?) was er in Emmen
onderwijs voor woonwagenkinderen. In Emmermeer stond aan de Meerstraat, op
de plaats van de kruising met de Polenstraat (die toen nog niet was
aangelegd) een trekkersschooltje. Dit schooltje hoorde bij de rond 1999
afgebroken school 7. Het was een houten gebouwtje met één groot en één
klein lokaal. In het grote lokaal was rond 1948 klas 2 van school 7
gevestigd omdat school 7 zelf uit de voegen groeide. Het kleine klasje was
voor de kinderen van de reizigers, hetgeen niet wil zeggen dat er geen
woonwagenkinderen in de andere klassen zaten. Op klompen ging men ’s
morgens lopend vanaf het kampje hier naar toe. Onderweg werden er
regelmatig snoepjes gekocht voor een cent bij mevrouw
"heerlijkheid". Dit was de bijnaam die de kinderen gaven aan
mevrouw Romkes die aan de Odoornerweg, ongeveer ter hoogte van de huidige
garage Misker, een winkeltje had. Ze kreeg die bijnaam omdat ze vaak zei:
"Wat heerlijk hè?"
School 7 is overigens in 1947 begonnen met 3 lokalen. Het eerste hoofd
van deze school was meester Eelsing. De school was gesitueerd aan de
oostkant van de Meerstraat ter hoogte van de Dopheide. Later (rond
1953-'54) is school 7 in een nieuw gebouw gekomen aan de Lesturgeonstraat
met 6 lokalen. Meester Zomers werd hoofd, bijgestaan door o.a de heren
Zeeman, Weerman, Kobet, (wie kent hem niet?) en de juffen, Bloeming,
Deelstra, Eerenstein en Evers. In het oude 3 lokalen grote houten gebouw
is toen de kleuterschool met de school voor de woonwagen kinderen
gevestigd geweest en werd de school nabij de latere Polenstraat afgebroken.
In 1954 kregen de woonwagenkinderen een eigen school aan de Heidelaan
voor kinderen van zes tot vijftien jaar. De school kreeg de naam
"Sint Fransschool". Het hoofd van de school was meester Bakker.
Meester Bakker zorgde ervoor dat iedere morgen de grote turfkachel, die in
het lokaal stond, warm gestookt werd. Meester Bakker was een eenvoudige
rustige man die streng, maar rechtvaardig was. Hij wist veel van de
reizigers en daarom werd hem gevraagd een school voor woonwagenkinderen op
te zetten. Dit plan werd door hem verwezenlijkt. Op school stimuleerde hij
de jongens om te voetballen. Hij kon prachtige verhalen voorlezen over
bijvoorbeeld Dik Trom, Alleen op de wereld en Bolleke Beer. Wanneer er
iemand jarig was, draaide hij een film.
De kinderen kwamen met de bus naar school. Omdat er nog veel gereisd
werd, was het voor het onderwijzend personeel soms lastig om te weten, hoe
ver een leerling was met de leerstof. Daarom werd er een takenkaart
ingevoerd. De leerlingen namen de takenkaart, wanneer ze weer met hun
ouders op reis gingen, mee zodat onderwijzers in een andere plaatsen
konden zien, hoever een leerling gevorderd was met de lessen. In 1964
verhuisde men van de Heidelaan naar een nieuw schoolgebouw aan de
Valtherzandweg, dicht bij het woonwagenkamp. Dit gebouw is inmiddels
afgebroken en de Sint Fransschool is nu gehuisvest in de voormalige
openbare lagere school, school 8 in Emmermeer.
|
|
|
Straatnamen

|
|
|
|
Het woonwagenkamp kent een drietal straatnamen; de meester Bakkerweg,
de Van Eckweg en de Van der Meulenweg.
- De meester Bakkerweg is genoemd naar de in dit artikel, bij
onderwijs, beschreven meester Bakker.
- Gert van Eck was een maatschappelijk werker. In februari 1964 begon
hij in een kantoortje aan de Varenkamp. Hij zette zich enorm in voor
de woonwagenbewoners en stimuleerde de jongeren om verder te leren.
Ook heeft hij het voor elkaar gekregen om een aantal woonwagenmeisjes
bij de Danlon aan het werk te krijgen.
- Dokter Van der Meulen was huisarts. Hij woonde aan de Meerstraat in
Emmen. Alle bewoners van het woonwagencentrum waren kwamen bij hem.
Hij stond erom bekend soepel om te gaan met betalen. Daar is een mooi
voorbeeld van. Er was eens een man op het woonwagencentrum die hem fl
1,50 moest betalen. De dokter had niet terug van fl 2,00. De patiënt
zei daarop: "Trek me voor twee kwartjes dan maar een kies".
|
|
|
WKE

|
|
|

|
Al ver voor de oprichting van WKE werd er gevoetbald bij het oude
woonwagenkampje. Heel lang geleden deed men dat op een kampje, een stuk
weiland, aan de Odoornerweg. Dit kampje was omgeven door een walletje
waarvan anno 2001 nog een deel te zien is tussen het fietspad en de
Odoornerweg, ter hoogte van het woonwagencentrum. Veel later, in de jaren
zestig, is WKE ontstaan (oorspronkelijk WWKE). Aanvankelijk deed men mee
met de bedrijfsvoetbalcompetitie. In 1966 werd besloten mee te gaan doen
met de landelijke amateurcompetitie. WKE werd een echte voetbalclub. Men
begon in de tweede klasse van de onderafdeling. De sportieve prestaties
waren opmerkelijk goed. Eigenlijk werd het een sportief succesverhaal die
zijn weerga in de geschiedenis van het amateurvoetbal nauwelijks kent!
Belangrijk in de geschiedenis van WKE was Grote Geert (Hendrik) Wolters.
Hij was voorzitter tot zijn vijfenzestigste jaar. Ook trainer Jan
Wardenburg was een belangrijke man bij WKE. Verdere namen in de
succesvolste periodes waren; Hinke Wolters, Jan Wolters, Lammert Oosting,
Bertus van Gus, Witte Jan Oosting, Rode Jan Oosting, Harm Pomp, Jaap Idema,
Jan Kuipers, Jan Willem Moek, Henk Wolters, Anne Scholten en Willem
Zwikker. In 1981 promoveerde WKE naar de hoogste klasse van de zondagamateurs.
|
|
|
Een nieuw kamp

|
|
|
Foto: © Albert Wieringa


|
Door de vele regels die de overheid instelde werd het leven voor de
reizigers steeds moeilijker. Tegen het eind van de jaren zestig behoorde
het reizen definitief tot het verleden. In 1968 werd er namelijk een wet
in werking gesteld waarin werd bepaald dat er in Nederland een aantal
regionale woonwagencentra zou komen. Zo'n nieuw centrum moest aan allerlei
voorwaarden voldoen. De reizigers moesten in het vervolg op zo’n kamp
blijven staan en mochten niet meer rondtrekken. Voor de
kermisexploitanten, wegenbouwers en circussen werd een uitzondering
gemaakt. Zij mochten wel blijven reizen.
In Emmen werd in 1968 een geheel nieuw woonwagencentrum in gebruik
genomen. Deze kwam te liggen vlak achter het oude kampje. De ingang van
het nieuwe woonwagencentrum kwam te liggen aan de Sluisvierweg. Dit was
veel veiliger dan aan de Odoornerweg, want die straat werd steeds drukker
waardoor het soms gevaarlijk was het oude kampje op of af te rijden. Op
het nieuwe centrum kreeg iedere wagen een eigen rioolaansluiting, een
eigen kraan, wc en washok. Om er te wonen en te leven was dat dus een hele
verbetering, maar lang niet alle reizigers voelden dat zo. Men mocht
immers niet meer reizen.
Ondertussen is het alweer meer dan honderd jaar geleden dat het eerste
kampje aan de Odoornerweg ontstond en is het alweer meer dan vijfenzeventig jaar
geleden dat het kamp ook echt officieel een woonwagenkamp werd.
|
|
|
Boeken:

|
|
De volgende boeken zijn bij Historisch Emmen bekend:
- Woonwagencentrum De Ark. Het heden en verleden van het 100 jarige woonwagencentrum te Emmen. Uitgave 1994.
ISBN 90-800171-9-1.
Aanvullingen?
Geef ze door: 
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- "De gezinsbode" van woensdag 18 april 1984.
- "Drentse biografieën" delen 1, 2, 3, 4 en 5 onder redactie van Jan Bos en Willem Foorthuis.
- Gerrie van der Veen (die in meerdere artikelen grote delen van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd)
- Aanvulling door J. van Dalfsen.
- "De Ark, het verleden en heden van het woonwagencentrum in Emmen".
- "Mensen van de reis, woonwagenbewoners en zigeuners in Nederland".
- "Dorp wordt stad" uitgave in opdracht van het gemeentebestuur, onder redactie van M.A.W.Gerding.
- Het Noorden in Woord en Beeld, collectie R. Boelens
- Foto's
- particuliere collecties
- Albert Wieringa
- archief gemeente Emmen
|
|