|
De Hottingerkaart. Geheel in het midden
is het gebied Wolfsbergen al aangegeven.
Rechtsonder - Emmen, linksboven - Weerdinge.
Uitvergroting van de Hottingerkaart hierboven.
Kaart 1820-1829.
|
Het gebied met de ietwat vreemde naam "Wolfsbergen" komt al voor op de Hottingerkaart
die getekend is tussen 1788 en 1792. Het gebied lag halverwege het pad dat van Emmen naar
Weerdinge voerde. Dit pad wordt op een kaart uit 1902 aangegeven als "Weerdingerdijk".
Reeds in 1725 werden de Wolfsbergen kennelijk al voor het eerst genoemd (bron onbekend).
Op een kaart uit 1820-1829 is het gebied Wolfsbergen niet meer aangegeven, maar maakte het
gebied aldaar deel uit van het grotere gebied "Emmerzand". Het Emmerzand was een grote
zandverstuiving waar hier en daar een heuvel lag. Het woord bergen suggereert grote
niveauverschillen, doch de Weerdingerdijk lag nabij de Wolfsbergen op 23.6, terwijl de twee
aangegeven hoogtes op 25.2 en 26.3 meter +NAP lagen.
Omdat Emmen op een uitloper van de Hondsrug lag waren er veel zandverstuivingen, die o.a. door
toedoen van de mens ontstonden. Deze zandverstuivingen vormden later een bedreiging voor de
landbouw. De aanleg van het bos De Emmerdennen moest verdere bedreiging door het Emmerzand tegengaan.
Alom werd aangenomen dat de Emmerdennen rond 1840-1850 zijn aangelegd. Uit een bericht in de
Emmer Courant 1 februari 1935 blijkt dat de dennen al in 1824 zijn aangepland. Onder de kop:
"Zandverstuivingen, de Emmerdennen zijn van 1824" verscheen het volgende artikel:
"Ter voldoening aan UHEgs besluit van den 12 november jl. no.15 betreffende
rapport omtrend de zandverstuivingen heb ik de eer op art.2 en 3 van het reglement der
zandverstuivingen bij dezen te berigten dat de aanwezige zandkuilen, gaten en kleine zanden, in
deze gemeente ter verdere verspreiding zijn beplagt, zoals men ook met de grote
zandverstuivingen tot demping door bepoting en zaien van denne zaad bereids heeft begonnen,
zijnde er dit voorjaar wederom dertig ponden van dat zaad gezaaijd en met berken bepotingen bij
afdelingen omgeven."
"Het reglement op de zandverstuivingen is van 6 augustus 1823. Zooals uit
bovengenoemd schrijven blijkt, moesten de grootte successievelijk worden beboscht, hetzij door
de eigenaars of op hun kosten door de gemeente. De grootste verstuiving was het Emmer zand,
toebehoorende aan de Markgenooten van Emmen en Westenesch, die volgens het door ons medegedeelde
schrijven van den heer Willinge aan de Provinciale Commissie van Landbouw dd 12 maart 1824
hadden verklaard de beteugeling dier groote verstuivingen zelf te willen doen. En daar in het
hier boven gepubliceerde schrijven gemeld wordt dat w e d e r o m 30 pond dennenzaad is
uitgezaaid, kunnen we als wel zeker aannemen dat het ontstaan van de Emmerdennen op 1824 is te
stellen."
|
|
Op de achtergrond: Lambertus Alberts en de gebroeders Joling bezig met graafwerkzaamheden. Hier werd het
"Heidehiem" gebouwd. Vaag zijn enkele grondsporen te zien van een urnenveldje.
Bij de uitgraving in 1957, van het terrein voor de bouw van het Heidehiem, kwam deze gave urn tevoorschijn.

Aanleg van de Wolfsbergen.
Foto © KLM Aerocarto, Arnhem.
|
Het bijzondere van het gebied Wolfsbergen is, dat er in het verleden ontzettend veel urnen met crematieresten gevonden zijn.
Het cremeren van overledenen deed zijn intrede omstreeks 1100 voor Christus, de Late Bronstijd. In eerdere tijdsperiodes
werden overledenen nog begraven. Waarom de mensen 3000 jaar geleden overgingen tot lijkverbranding weet men niet.
Archeologen hebben altijd gedacht dat dit het gevolg was van het in ons land binnentrekken van nieuwe bevolkingsgroepen.
Tegenwoordig wordt er ook vanuit gegaan dat het cremeren slechts een deel van veranderingen was in het leefpatroon
van de mensen die hier woonden. Misschien ging men anders denken over de dood?
In het gebied genaamd Kooikersbosje, waar het bejaardentehuis "Heidehiem" werd gebouwd, zijn bij de voorbereidende
graafwerkzaamheden grondsporen gevonden, die deden vermoeden dat hier in het verre verleden door mensen graafwerkzaamheden
waren verricht. Archeologen, die wisten dat in die omgeving urnen werden gevonden, kwamen een kijkje nemen en constateerden
dat de bouwput van het Heidehiem werd gegraven in een urnenveld. De bouw werd twee weken stil gelegd om de archeologen de tijd
te geven een nader onderzoek in te stellen. Er werd een groot aantal urnen gevonden die opgeslagen werden in het depot van het
Drents Museum in Assen
Inwoners van Emmen zochten daar al eerder regelmatig naar urnen. Ze ontvingen voor elke urn een bepaald bedrag. Sommige
waren "gespecialiseerd" in het vinden van dit prehistorisch aardewerk. Van hun ouders of overleden familieleden
wisten ze soms vrij goed waar ze moesten zoeken. De heer Middelveld was zo iemand. Hij had regelmatig
een aardige bijverdienste wanneer hij weer een aantal potten in de grond ontdekte.
Het zal geen toeval zijn geweest, dat de gemeente Emmen in 1956 juist hier de derde openbare begraafplaats van Emmen liet aanleggen.
Deze begraafplaats kreeg de naam Wolfsbergen.
|
|
V.l.n.r. De heer (Van) Otterloo, Arent Middelveld
en zijn kleinzoon Gezinus. Foto anno 1933.
|
De vaak beschreven urnenzoeker Middelveld was de postbode Arent Middelveld, woonachtig aan de Julianastraat.
Arent Middelveld (1857-1940), geboren te Borger, was een zoon van Meeuwes Middelveld en Geesje
Menning. Hij huwde in 1882 te Emmen met Aaffina Elisabeth Ebeling (1858-1900) geboren te Oude Pekela.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw huwde Arent in 1915 met Henderkien Wolbers
(1867-1958). Zij was in 1914 gescheiden van Bernard Josef Sturre.
Uit het eerste huwelijk met Aaffina Elisabeth Ebeling kwamen vijftien kinderen voort. Tien kinderen
overleden voor het eerste levensjaar, één dochter overleed op de leeftijd van 16 jaar. Slechts
vier kinderen traden in het huwelijk en konden voor nazaten zorgen.
Het echtpaar Middelveld huwde te Emmen alwaar een dochter geboren werd, maar woonde
vervolgens ongeveer twee jaar te Onstwedde. Omstreeks 1886 kwamen ze terug naar Emmen.
De vijftien kinderen waren:
- Anna (1882-1882), geboren te Emmen.
- Antje Harmina Gezina (1883-1899), geboren te Onstwedde.
- Meeuwes (1884-1884), geboren te Stadskanaal.
- Pijbo (1885-1885), geboren Stadskanaal.
- Meeuwes (1886-1955), geboren te Emmen. Hij huwde in 1917 met Grietje Drost (1889-1984).
- Klaas Pijbo (1888-1888), geboren te Emmen.
- Anna (1889-1890), geboren te Noordbarge.
- Klaas (1890-1968), geboren te Noordbarge. Hij huwde met Hendrikje Martens (1899-1948).
- Naamloos (1892-1892).
- Anna Gezina (1893-19xx), geboren te Noordbarge. Zij huwde in 1914 te Zuidbroek met Harm Tilman.
- Naamloos (1894-1894).
- Naamloos (1895-1895).
- Jan Hilbert (1896-1973), geboren te Emmen. Hij huwde in 1916 met Geertina Sturre, een
dochter van Bernard Josef Sturre.
- Geessien (1898-1899).
- Antje Harmina Gezina Middelveld (1899-1899), geboren te Emmen.
Anna Gezina Middelveld (*1893) beviel in 1912 van een zoon die de naam Gezinus (1912-1985)
kreeg. De vader is onbekend waardoor de zoon de familienaam Middelveld kreeg. In 1914 huwde Anna
Gezina met Harm Tilman.
Gezinus (1912-1985) huwde met Trijntje Kamies (1908-1999). Het is deze Gezinus die op de
foto met zijn grootvader staat afgebeeld. Hij ging regelmatig met zijn grootvader op zoek naar urnen.
|
|
Vondsten W.Pleyte op 16 oktober 1870.
Het onderste potje werd gevonden
schuin liggende op de bovenste pot.
De bovenste pot is met nagelindrukken
aan de rand en de buik versierd.
De bijzonder fraaie pot die in 1870 door burgemeester
Tijmes aan het oudheidkundig museum te Assen
werd geschonken.
Kaartje in 1870 getekend door W.Pleyte met de
plaats waar de diverse urnen zijn gevonden.
|
In 1870 deed Dr.W.Pleyte onderzoek op de Wolfsbergen. Hij schrijft daarover in zijn boek
"Nederlandsche Oudheden": "Onder de merkwaardige overblijfselen van andere stammen dan de keltische,
behoort de begraafplaats tusschen Weerdinge en Emmen, op de grens der marken; het zijn de Wolfsbergen, waarop
de dooden der markbewoners vermoedelijk zijn bijgezet."
"Door den wind getijsterd, nadat een kreupelbosch, dat de oppervlakte bedekte, was weggehakt, werden de
heuvelkruinen van de Wolfsbergen ontbloot en kwamen de potten voor den dag, die door mij 16 October 1870, in gezelschap
van Jhr. Hooft van Iddekinge, werden opgedolven, naar Leiden vervoerd en hersteld.
Een aantal door Pleyte gevonden potten is hiernaast afgebeeld.
"De meeste waren van zeer groote afmeting, min of meer ruw bewerkt, bij wijlen van kleine potjes vergezeld.
Geen dezer urnen biedt iets bijzonder merkwaardigs aan."
"Doch het rijksmuseum niet alleen, ook het museum van Assen, bezit verscheidene stukken uit dezen berg afkomstig.
In 1871 verkreeg men eene urne van donkergrauwe aarde, hoog 17.5, een dergelijke hoog 15 cm, een donkerbruine hoog
17 cm, alle aangekocht van H.Middelveld, die ze in de Wolfsbergen gevonden had. Klaas Hendriks verkocht een napje van zwarte
aarde, hoog 4.7 cm en wijd 9 cm, en eene urne, hoog 17 cm en wijd 22 cm, eveneens aldaar door hem gevonden."
"Op 17 October 1871 waren twee leden der directie van het oudheidkundig museum van Assen, ten einde hunebedden
te waardeeren, naar Emmen gegaan en hebben toen een opgraving in de Wolfsbergen laten doen. Zij vonden eene urne van zwarte
aarde, met een oor, hoog 12 cm, van boven wijd 16 cm, en een voet van een pot. Klaas Hendriks, die hen daarbij hielp, gaf
een daar ter plaatse gevonden bijl van dioriet en een dergelijke van graniet."
"In 1874 kocht men een potje aan, hoog 6.5 cm en wijd 7 cm."
"In 1872 eene urne, hoog 26 cm, zwaar beschadigd, door tusschenkomst van den burgemeester W.Tijmes."
"Tijmes had reeds in 1870 een urne hoog 25.5 cm en wijd 25 cm, met drie rijen ingedrukte driehoekjes op de
bovenhelft van den buik versierd, aan het museum geschonken, en een anderen pot bij dezen gevonden, hoog 19 cm. Dezen
fraai bewerkten pot is eene urn van gladde bruinzwarte aarde en het zou mij niet verwonderen zoo wij hier met een voorwerp
van meer beschaafden tijd te doen hadden, dan door de overige afgebeelde stukken wordt vertegenwoordigd; namelijk van den
oudsaksischen tijd, uit het midden der vijfde eeuw van onze jaartelling."
"Een scherf van een dergelijken pot werd door wijlen Dr. Janssen afgebeeld in zijne gedenkteekenen der Germanen en
Romeinen aan den linkeroever van den beneden-Rijn. Hier kan ik er bijvoegen, dat deze saksische stammen, waarvan sporadisch
de urnen gevonden worden, gewoon waren hunne potten bij te zetten in reeds door andere, of op de plaats wonende stammen,
opgeworpen grafheuvels. Zij zijn gevonden aan de buitenzijde, in den grafheuvel der steengraven, of in grooten getale bij
elkander te Midlaren en te Pesse, maar daar waren zij gelijkvloers bijgezet."
"Dit grafveld is het eenige mij bekend in deze gemeente. Doch er schijnen nog afzonderlijke grafheuvels te bestaan; zoo
zouden er enkele liggen bij het steengraf dat wij het eerst bespraken, nog enkele tusschen de steengraven van Angelslo en
verscheidene in de streek ten oosten van Angelslo, de plaats waar vroeger een stad Barnar zou hebben gestaan."
Dr.W.Pleyte (1836-1903) geboren te Hillegom, was van 1891-1901 directeur van het Rijksmuseum
van Oudheden te Leiden. Hij publiceerde veel over de Nederlandse archeologie. Pleyte voerde zelf geen opgravingen uit. Hij
ondernam in 1874 een reis door Drenthe om als eerste de hunebedden op platen vast te leggen.
Jhr.Hooft van Iddekinge (1842-1881) werd na 1873 benoemd tot lid en secretaris van het
toen opgerichte lichaam der rijksadviseurs. In deze tijd vergaarde hij kennis over hunebedden die hij samen met dr.Leemans bezocht.
Zij maakten daarvan verslag, met nauwkeurige plattegronden van de aangetroffen grafstenen.
|