|
Emmerschans: De Emmerschans

|
|
|
|
|
|
Kadastraal:

|
|
|
Pijnacker kaart 1634.
Aangegeven is "Emmerdijck Somers pass",
"Valter Schans" en "Schans ten hole"
Noot: De Emmerschans is NIET aangegeven.
Kaart 1681.
Aangegeven is "Emmerdyck",
"Valte Fort" en "Fort den Hole".
Noot: De Emmerschans is NIET aangegeven.
Hottingerkaart 1790.
Aangegeven is "Emmer schans"
Kaart 1910.
Aangegeven is "Emmer dijk"
Ook de (voorm.) Emmer Schans is aangegeven.
|
|
|
|
De Redoute:

|
|
|

|
Emmen is nooit een plaats geweest waar zich in het verleden veldslagen tussen verschillende legers hebben afgespeeld.
Emmen was en is dan ook geen vestingstad zoals Coevorden dat wel is. Daar staat een heus kasteel met muren en grachten
er om heen. Emmen is wel in het bezit van een schans, de Emmerschans.
De schans is gelegen aan het noordoostelijke deel van de Rondweg ten zuidoosten van de plaats, tegenwoordig woonwijk,
Emmerschans. Op de tekening (links) staat vermeld "redoute aan de Emmerdijk, circa 4 uren van Coevorden
aangelegd in 1800. Geteekend op een schaal van 10 roeden op den Rijnl.Dm." Onder een redoute wordt een
vooruit geschoven (vesting)werk verstaan bedoeld om het hoofdwerk te beschermen of
om de terugtocht te dekken.
De schans bestaat uit een vierkante aarden wal omgeven door een brede, vrij diepe, gracht met een oppervlakte van
0,92 hectare. Aan de westzijde heeft de aarden wal in het midden een doorgang die aansluit op een dam in de gracht.
Binnen de schans bevinden zich aan de oostzijde, tegenover de toegang, schuine opgangen in de hoeken. Deze waren
bedoeld om het geschut op de plaats te rollen.
De Emmerschans deed volgens H.T.Buiskool, behalve als verdedigingswerk, later ook dienst als schapenwasplaats. De
boeren uit Emmen en Westenesch konden in het Emmermeer hun schapen niet wassen omdat deze waterplas daar te ondiep
voor was. Dus weken ze soms uit naar de brede gracht van de schans. In diezelfde gracht werd ook veel gevist. Er
werd vooral paling gevangen afkomstig uit de Runde. Via allerlei sloten door het veen vond deze vissoort zijn weg
naar de Emmerschans alwaar het voor hen blijkbaar goed toeven was.
|
|
|
Een schans voor 1800?:
|
|
|
Bron: Everhard van Reyd (1550-1602).
Fragment van uitgebreidere tekst.
Bron: Emanuel van Meteren (1535-1612).
Bron: Jan Wagenaar (1709-1773).
|
Over de ouderdom van de schans hebben deskundigen al jarenlang meningsverschillen.
De Emmerschans zou in 1593 zijn aangelegd door graaf Willem Lodewijk van Nassau die op 14 augustus 1593 te Emmen verbleef
om van hieruit door het Boertanger moeras te richting Groningen te trekken. De tocht was gericht tegen Verdugo en ging van
Coevorden via Emmen naar het door de Spanjaarden bezette Groningen.
Met name professor A.E.van Giffen en H.T.Buiskool hebben hierover openlijk gediscussieerd. Deze discussie vond een
aanvang nadat de Drentse Prehistorische Vereniging op 4 juli 1936 een bezoek had gebracht aan de Emmerschans.
- De stichting Oud Drenthe, in wiens bezit de schans in 1936 was gekomen door schenking van de markegenoten van
Emmen en Westenesch, geeft in haar jaarverslagen van 1935-1937 aan dat de schans rond 1800 tot stand is gekomen.
- Professor A.E.van Giffen schreef dit ook in de Emmer Courant van 31 juli 1936. De basis hiervoor vond hij in
de plannen "tot aanleg van dijk en schans" die zich in het Krijgskundig Archief te Den Haag bevinden.
- In een beschrijving van de Emmerschans in het aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa uit 1843 staat eveneens
aangegeven dat de schans "voor veertig jaar" zou zijn opgeworpen.
De heer H.T.Buiskool echter beweerde dat er reeds in de 16e eeuw een schans gelegen zou
hebben op dezelfde locatie. Hij baseerde dit op drie bronnen:
- Everhard van Reyd in zijn boek uit 1644 getiteld: "Historie der Nederlantscher oorlogen begin
ende voortganck tot den jaere 1601."
- Emanuel van Meteren in zijn boek uit 1663 getiteld: "Nederlandsche geschiedenissen", eerste
deel "Oorlogen en geschiedenissen der Nederlanderen derzelver nabuuren" pagina 336.
- Jan Wagenaar in zijn boek uit 1753 getiteld: "Vaderlandsche historie
vattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden inzonderheid die van Holland" achtste deel, pagina 378.
Noot HE: In de drie bovengenoemde werken gaat het wel over de vermaarde tocht van graaf Willem Lodewijk van
Nassau maar wordt er niet expliciet geschreven over de Emmerschans.
De historische schrijver Everhard van Reyd schreef in 1650 met geen woord over de Emmerschans. Hij schreef dat
het leger via een groot moeras naar Bourtange was getrokken. Over een slecht begaanbare pas trok hij eerst naar
Roswinkel. De soldaten moesten met takkenbossen sommige plaatsen verstevigen om met ongeveer 400 wagens over deze
"ongehoorden" pas te trekken. Met het woord "ongehoorden" werd "ongebruikelijk"
bedoeld.
Het is aannemelijker dat dat tijdens de
Munsterse Oorlogen, omstreeks 1670, hier een kleine veldschans is aangelegd.
Ook de drie podagristen blijken hun verhaal uit de drie bronnen geput te hebben blijkens de vele overeenkomsten,
zei het met een mogelijk vooringenomen interpretatie.
Ook het werk van J.P.Koster uit 1874 getiteld "De provincie Groningen en haar defensie in de laatste twee eeuwen" maakt
op pagina 70 gewag van de Emmerschans, echter zonder enige bron te noemen. Citaat: "Dien ten gevolge vond men
in het begin der 17e eeuw de volgende versterkingen. Langs de zuidzijde de sterke vesting Koevorden wesende den eenigen
pas om met een heirtogt in Vrieslandt of voor Groningen te komen. Langs de oostelijke grens: De Katshaarschans, de
Holeschans, de O(E)mmerschans, eene schans bezuiden Roswinkel, de Valtherschans."
Voor de op p.76 voorkomende woorden "hierop lag de reeds in 1681 vervallen Emmerschans" bestaat wèl een
bron namelijk bijlage VIII in het boek van J.P.Koster. Deze bijlage is een extract uit de memorie van visites, die
Willem III in mei 1681 heeft gedaan op de frontieren van de provincie Groningen. Op p.49 staat: "Eerstelijck
wiert Swol en Hasselt geconsidereert als defensie voor de provincie van Vrieslandt (....) en aan de Noortsyde met de
revier de "Vecht en de Moeren van O(E)mme ende de Stadt Hasselt, dat noch in redelijcken
staet is."
"De tweede passage wiert bevonden van 't dorp Emme door de moeren, maer was alleenlijck passabel des somers,
ende dieswegen heefft het fort de O(E)mmerschans geleyt midden in de moerassen, maer nu
oock sijn vervallen en haest buiten defentie."
"De derde passage was daer de Stadt Coevorden is geleyt" ("tusschen de voornoemde moeren van
O(E)mme en Grootveen (eener-) en de moeren van Bourtangh (anderzijds), dat altijdt 's winters
en somers passabel was."
Uit de beschreven topografie blijkt duidelijk dat in plaats van "Emme" de plaats "Omme"
moet worden gelezen. Immers het (Echter) Grootveen ligt tussen het Ommerveen en
Coevorden. Beide venen liggen westelijk van Coevorden. Koster verstond
kennelijk niet voldoende de kunst het oude schrift juist te lezen en weer te geven, want op de
plaatsen waar hij Emme en Emmerschans las, staat zéér duidelijk en zonder twijfel
Omme en
Ommerschans, aldus Van Giffen.
Van Giffen motiveerde zijn conclusie nog met de constatering dat
J.P.Koster achter de woorden "van 't dorp O(E)mme" twee woorden had
weggelaten die hij blijkbaar niet kon lezen.
Ook uit het zinsverband blijkt volgens Van Giffen dat de Ommerschans werd
bedoeld en niet de Emmerschans. De versterkingen werden namelijk van het zuiden naar het
noorden opgesomd.
Dit gevoegd bij de omstandigheid, dat de door Koster in de bijlagen XI en XII
gepubliceerde latere stukken - het plan van Menno van Coehoorn uit 1701 en de consideraties van
kolonel Van
Burmania uit 1742 - in soortgelijk verband steeds over de Ommerschans wordt
geschreven. En tevens dat in het grote defensieplan van 1785, bijlage XV in
Koster's boek, wel van den Emmerdijk, maar nooit over de
Emmerschans wordt gerept.
Ten overvloede zou hieraan nog kunnen worden toegevoegd dat ook uit de volgorde der visitaties
van Willem III de verwisseling Emme - Omme duidelijk blijkt. Immers, de Stadhouder
Koning bezoekt op 26 mei Boertange, Bellingwolder of Oude Schans, Langakker of Nieuwe Schans en ten slotte Lieroort
(samenvoeging
van Leda en Eems). Op 27 mei bezocht Willem III Delfzijl, op 28 mei Coevorden.
Tussen beide laatstgenoemde plaatsen had dus eventueel de
Emmerschans bezocht moeten worden, hetgeen niet werd vermeld.
|
|
|
De schans na 1800:

|
|
|

|
In het najaarsrapport van 1800, welke de kolonel directeur der fortificatiën
te Groningen, de heer A.Croiset, zond aan de Agent van Oorlog wordt melding
gemaakt van: "de aanleg van een nieuwe redoute ter bestrijking van de
Emmerdijk, welke in dit lopende jaar voltooid is". De plaats van de redoute
zou exact op de scheiding van zand en veen zijn, hetgeen heden ten dage nog zeer
goed te constateren is. Het lijkt erop dat dit document van grote waarde is. In
dit document wordt tevens melding gemaakt dat de kosten voor de aanleg toen fl 6.600,- bedroegen.
De heer J.A.Brouwer, archivaris te Groningen, vond een oud document waarin melding
werd gemaakt van een oud wachthuis met lantaarn bij de schans aan de Emmerdijk
waarin enkele soldaten legerden. In dit rapport van 8 november 1796 staat, dat de
kerspellieden van Emmen een vergoeding vroegen van 211 gulden en 5 stuivers voor de
leverantie van turf, houd (!) en stroo van 27 juni 1796 tot 4 november 1796.
Uit beide bovenstaande documenten kan de conclusie worden getrokken dat er voor 1800 een schans heeft gestaan die
na 1800 is vernieuwd. Tijdens de restauratie van de schans in 1961 zijn onder de huidige wal de resten van een veel
oudere, kleinere schans gevonden die echter nooit zijn onderzocht.
De Emmer Courant van 6 mei 1961: "De restauratie van het historisch monument de Emmerschans is voltooid.
De Emmerschans verkeerde al jaren in een vervallen toestand. De Stichting Oud Drenthe kreeg de schans in juni 19xx
door bemiddeling van R.Zegering Hadders cadeau van de markegenoten van Westenesch. Het voorterrein werd in 1941 door
mej.L.H.Meijerink te Emmen geschonken."
"Omstandigheden zijn er de oorzaak van dat de restauratiewerkzaamheden pas op 10 oktober
1960 door de Nederlandse Heidemij ter hand zijn genomen. Het is een omvangrijk karwei geworden.
Daar professor A.E.van Giffen het minuutplan van 1800 in het Rijksarchief te Den Haag terugvond,
zijn de werkzaamheden vereenvoudigd. De borstwering moest geheel worden afgegraven. Door
verstuiving waren de oorspronkelijke afmetingen totaal vervaagd. In de borstwering zijn drie
schietgaten, die oostelijk zijn gelegen. Buiten de borstwering zijn de grachten in ere
hersteld."
|
|
|
A.E. van Giffen 31 juli 1936:

|
|
|
|
In de Emmer Courant van 31 juli 1936 publiceerde dr.A.E.van Giffen een artikel met als kop:
"De Emmerschans"
"Nader onderzoek naar haar herkomst."
"Het laatste object, hetwelk bij de excursie van de Drentsche Praehistorische Vereeniging op 4 juli 1936
bezocht werd, was de z.g.n. Emmerschans."
"Deze prachtig gelegen sterkte, liggend aan den voet van een uitloper van den Hondsrug, een soort "tang",
Oostl. van Emmen, sluit een van daar naar Emmer Compascuum gerichte veenweg naar het Zuiden toe af."
"De schans zelf bestaat uit een vierkanten wal, omgeven door een brede gracht. Deze zijn in het midden
aan de Westzijde door een doorgang resp. dam onderbroken, welke tezamen de toegang markeren. Haar oppervlak
is 0.92 H.A. In de twee tegenover liggende hoeken bevinden zich twee schuine opgangen. De schans is derhalve
klaarblijkelijk aangelegd om de toegang over het veen vanuit Westerwolde en via Bourtange uit het daarachter
gelegen Eemsgebied te beheersen en tegen te gaan."
"Merkwaardig is de grondslag van schans en omgeving, omdat men zich hier, wat dat aangaat, op de Veluwe
waant. Hij bestaat n.l. uit Maas- en Rijngrint, verradend de praeglacialen zuidelijk diluviale kern van de hier met
een uiterst dun laagje van noordelijk of Scandinavisch Diluvium bedekte Hondsrug. Zoodoende zijn de schanswallen van
zuidelijk grint opgeworpen."
"De schans is in het voorjaar van 1936 door schenking het eigendom geworden van de Stichting Oud-Drenthe.
Dit laatste geldt ook reeds sedert 1929 voor de Swartdijkster schans bij Een, in de gemeente Norg. Was de familie
Linthorst Roman schenkster daarvan, de markegenoten van Emmen en Westenesch schonken de Emmerschans."
"Belangwekkend is het verschil in beider constructie en ouderdom: de eerste stervormig, aangelegd in 1593
op last van Willem Lodewijk, de laatste als reeds gezegd vierkant en naar ik, in afwijking van vroeger, meende en
ook bij de excursie mededeelde, uit de Franse tijd, t.w. in 1800. Ter staving van die opvatting voerde ik aan de
in het dossier van den Secretaris van Oud-Drenthe, den heer Ferd. Lieftinck, berustende kopie van een paar
oorspronkelijke, in het Krijgsgeschiedkundig archief te Den Haag bewaarde plannen, waarop de aanleg van dijk en
schans gedateerd staan op het jaartal 1800.
Noot 1). Deze datering vindt steun in het jaartal van aanleg 1797, voorkomend op een
tweetal, deels nog uitvoeriger en eveneens in voornoemd archief berustende grondplannen met profielen en
aanbestedingssom van de z.g.n. Katshaar. Dit is een verdedigingswerk met een dergelijke schans als de Emmer, doch
bovendien met een voorwal, bij Vlieghuis, noordelijk van Oud Schoonebeek, dat, tegengesteld aan laatstgenoemde
schans, met zijn front naar het Zuiden is gekeerd. Het beheerst de weg over de zandrug (d.i. de oudtijds z.g.n.
Katshaar) van daar naar Dalen."
|
|
Plans van Vestingen Litt.E No.11, No.D
Ministerie van Oorlog.
|
Noot 1) Op het eene blad (Plans van Vestingen Litt.E No.11, No.D Ministerie van Oorlog) staat,
behalve een opgave van de schaal en diverse maten, aangegeven: "Redoute aan de Emmerdijk circa 4 uren van Coevorden
aangelegd in 1800".
Op het andere blad (No.2 Litt.E No.10 Plan de la Redoute d' Emmen, avec la digue, qu'elle derend. Ministerie van Oorlog)
staat: "Plan van de Emmer-dijk met de daarvoor leggende Redout aangelegd in het jaar 1800".
|
|
Aardrijkskundig woordenboek van
Van der AA van 1843.
|
Van Giffen vervolgde in de Emmer Courant van 31 juli 1936:
"Bovendien wordt de bewuste datering nog bevestigd door de beschrijving van de Emmerschans in het Aardrijkskundig
woordenboek van Van der AA van 1843. Immers daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld, dat de Emmerschans voor ongeveer 40
jaar is opgeworpen."
"Hoewel ik die laatste gegevens niet opnieuw had nageslagen, omdat het minder op mijn weg lag een grondige verklaring
van het ontstaan en een overzicht van de geschiedenis der schans te geven, waren zij mede de aanleiding van de door mij
verkondigde mening, dat de Emmerschans van zeer jonge datum was."
"Nu attendeerde een der mede-excursisten, de heer H.T.Buiskool, Hfd.O.S. te Weerdinge, secretaris en medebestuurslid
van de Emmer Oudheidkamer "De Hondsrug", ons gezelschap op de onjuistheid van de door mij gegeven datering. De schans zou n.l.
een rol gespeeld hebben in het begin van den tachtigjarige oorlog bij de bekende, tegen Verdugo gerichte tocht van Graaf Willem
Lodewijk, van Emmen uit over het moeras naar Roswinkel, richting Wedde-Bourtange, op 25 augustus 1593."
Noot: Van Reyd schreef in 1650 dat Willem Lodewijk "den sesthienden Augusti" voor Wedde stond.
"In de mening, bij boven vermeld plan met een authentiek stuk te doen te hebben, kon ik mijn, overigens ook op enkele
andere, boven nader aangeduide gegevens steunende opvatting niet zonder meer prijs geven en het is dit verschil van opinie,
hetwelk blijkbaar als zodanig, een iets ruimere plaats kreeg in het verslag onzer excursie in de Emmer- en Nw.Rott.Courant.
De heer Buiskool had voorts nog de vriendelijkheid mij tijdens het daarbij aansluitend bezoek aan de Emmer Oudheidkamer,
waarmede de bedoelde excursie besloten werd, gracieuselijk een korte notitie ter hand te stellen, blijkbaar behelzend de drie
"bronnen" voor de door hem voorgestane opvatting: Van Reyd p.320-321, Van Meteren p.336 en Wagenaar VIII p.378."
"Een paar dagen daarna thuis gekomen nam ik kennis van een verslag
van de excursie en vergadering der Drentsch Praehistorische Vereeniging in
de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 7 juli 1936, waarbij in het bijzonder
aandacht werd geschonken aan het even vermelde meningsverschil. Bovendien
ontving ik spoedig daarop een schrijven van een Twentsche mede-excursist,
die mij opmerkzaam maakte op een plaats in het werk van J.P.Koster
uit 1874 getiteld 'De Provincie Groningen en hare Defensie in de laatste twee
eeuwen'. Op p.70 toch maakt deze o.a. ook gewag van de Emmerschans
als van een dier schansen, welke, op raad van Graaf Willem Lodewijk van
Nassau, reeds in en na 1596 ter sluiting van "de z.g.n. Vrieschen
tuin", d.i. het onregelmatig vierkant, gevormd door de provinciën
Friesland, Groningen en Drenthe, werden aangelegd. Koster in 1874:
"Dientengevolge vond men in het begin der 17e eeuw in die tuin de
volgende versterkingen". Volgt opgave, waaronder, langs de oostelijke
grens, o.a. ook de Emmerschans en de Katshaar. Inderdaad zouden dus
dienvolgens niet alleen de Emmerschans, doch ook de Katshaar, uit het eerste
gedeelte van den tachtigjarige oorlog wezen. Intussen, bronnen worden
hierbij niet vermeld."
"Gevolg van een en ander is geweest, dat ik het mij speciaal
tegenover de deelnemers aan de boven vermelde excursie, en ook tegenover
belangstellende lezers van het verslag in onze dagbladen, een plicht achtte
de door mij nu eenmaal verkondigde mening te adstrueren of terug te nemen."
"Zodoende begon ik met na te slaan
"De tegenwoordige staat van Drenthe" van 1795. Dit leverde geen
resultaat op. Ook de daarin gebonden ongekleurde nieuwe kaart van J.van
Jagen gaf slechts negatieve uitkomsten."
"In mijn eigen bibliotheek niets verder bij de hand hebbend sloeg ik
vervolgens na de "chroniek van Joh.Picardt van
1660" en de "Schatkamer van Lud.Smids, IIIe druk, van
1774", beide zonder positief resultaat, en vervolgens het
bekende werkje over Drenthe door de drie podagristen."
"Herlezend wat hierin over Emmen gezegd werd, vond ik er inderdaad
het verhaal van Willem Lodewijk zijn tocht naar Bourtange om de laatste
toevoerweg naar het door de Spanjaarden bezette Groningen af te binden. De
Emmerschans wordt er evenwel niet in genoemd. Wel maken de schrijvers gewag
van het moeras tussen Emmen en Roswinkel en van een weg, die "t h a n
s", dus circa 1858, door het veen is aangelegd, alleen toegankelijk in
't gunstigste jaargetijde voor paard en wagen. Aangehaald werd "de
geschiedschrijver", die beweerde dat de toestand in augustus1593 "misselijck
aan te sien was". Twintig jaar vroeger, dus 1573, zouden "er
eenige honderden ruiters overgetrokken zijn, maar toen had de vorst er een
harden weg geplaveid." Ter toelichting geven de 3 wandelende schrijvers
dan dezelfde plaatsen als de mij door de heer Buiskool ter hand gestelde en
dus blijkbaar aan de H.H.Lesturgeon, van der Scheer en Boom ontleende
bronnen."
"Mij beijverend vooreerst deze na te slaan, maakte ik te Assen
zijnde van de gelegenheid gebruik daar in het Museum en op het Rijksarchief
alvast Wagenaar en van Meteren na te slaan. Het werk van van Reyd bleek hier
niet aanwezig. Daarbij stelde ik vast, dat de eerste bronnen inderdaad
terecht ter staving van het verhaal der drie Podagristen konden dienen, in
zooverre zij beide van Graaf Willem Lodewijk van Nassau's tocht gewagen, zonder
evenwel melding te maken van een schans of weg tusschen Emmen en
Roswinkel, d.w.z. van den Emmerschans en deszelfs verbinding met Roswinkel.
Wèl daarentegen wordt genoemd de aanleg van een sterkte te Bourtange door
Willem Lodewijk, waarmede, zooals uit van Reyd blijkt, den 28 Aug. 1593
(nieuwen stijl) werd begonnen. Een terzelfder tijd raadplegen van de
topografische atlas op het Rijksarchief te Assen deed zien:
1°. dat de XVII-eeuwsche kaarten nergens de Emmerschans en de Katshaar
weergeven, in tegenstelling met de door Willem Lodewijk in 1593 aangelegde
schans te Bourtange, de dito Swartdijkster schans bij Een, en voorts met de
schansen bij Valthe en den Hool, om van Coevorden, Winschoten enz. maar te
zwijgen;
2°. dat hetzelfde geldt voor de XVIIIe eeuwsche kaarten;
3°. dat daarentegen op die uit de XIXe eeuw, te beginnen met de groote
kaart van Wernecke en die van D.Veelwaard Jr., beide van 1840, de
Emmerschans, zoowel als de Katshaar, geregeld voorkomen.
"Ten slotte nog te Groningen raadplegend de te Assen ontbrekende
werken van van Reyd en Bor, daarin bijgestaan door den w.n. Rijksarchivaris
drs.J.A.Brouwer, bleek al spoedig, dat ook daarin nergens van de Emmerschans
of deszelfs verbindingsweg met Roswinkel gewag gemaakt wordt. Wel blijkt
het, dat de Podagristen hieruit hun verhaal geput hebben en dat de door hen
genoemde "geschiedschrijver", blijkens de woordelijke citaten, van
Reyd, niemand anders is dan de Secretaris van Willem Lodewijk, en dus een
uitnemende bron."
"Uit een en ander volgt dus, dat het verhaal over den aanleg van
de Emmerschans in 1593 geheel uit de lucht is gegrepen. Blijkbaar berust
dit, bij volkomen verwaarloozing van de aangegeven bronnen, op een minder
nauwkeurige lezing of vooringenomen interpretatie van het door de
Podagristen gegeven, overigens volkomen juiste resumé van den door van Reyd
uitvoerig beschreven tocht, die Willem Lodewijk den 16en Aug. 1593 (ouden
stijl) van Emmen uit ondernam, om den laatsten toevoersweg naar het door de
Spaanschen onder Verdugo bezette Groningen af te snijden, evenals dit door
Maurits' verovering van Steenwijk en Coevorden en van andere minder
belangrijke plaatsen reeds met de andere toevoerswegen was geschied."
"Erkentelijk voor zijn goede bedoelingen, neem ik derhalve de
vrijheid den Heer Buiskool beleefd te verwijzen naar zijn eigen notities.
Wellicht dat het raadplegen daarvan hem zelf van meening zal doen veranderen
en hem tevens een juister inzicht geven en doen verspreiden omtrent de
bedoeling van den tocht van Willem Lodewijk, waarin de Emmerschans trouwens
geheel misplaatst is. Hoe dit ook zij, naast de eerst vermelde grondplannen,
naast de boven genoemde landkaarten en voorts naast de wel is waar niet
gedocumenteerde opmerking van Van der Aa in diens woordenboek onder het
trefwoord Emmerschans, welke overigens door een gelijksoortige, doch
tegengestelde bewering van J.P.Koster min of meer gecompenseerd of althans
in échec wordt gehouden, blijft ons dus alleen nog over het opzoeken van
een nadere primaire positieve bron omtrent den aanleg van de bewuste schans,
uit den tijd in of omstreeks 1800."
"Zoowel drs.J.A.Brouwer voornoemd, als Jhr.Mr.D.P.M.Graswinckel,
Rijksarchivaris te Den Haag, werden daarover door mij geraadpleegd. Van het
resultaat hunner bemoeiingen zij hier kortelijk, doch met erkentelijkheid
gewaagd."
"Jhr.Mr.Graswinckel deelde mij bij schrijven van 18 juli 1936 en dat van
23 juli 1936 o.a. mede: "Op 15 April 1799 zond de Agent (noot
HE: minister Samuel Croiset) van Oorlog een schrijven aan het Uitvoerend bewind, waarin hij
aandrong op versterking der frontieren". In een bijlage wenscht hij een som
van f 50.000,- te zien uitgetrokken voor het frontier van den Dollart af tot
Coevorden.
"In het najaarsrapport van 1800, dat de kolonel directeur der
fortificatiën te Groningen, A.Croiset (noot HE: Arnoldus Croiset de
kleinzoon van Samuel Croiset), zond aan den Agent van Oorlog, en
dat betrekking had op de fortificatiewerken en gebouwen in het ressort van
Wedde en Westwoldingerland, wordt - tegelijk met de Katshaar - melding
gemaakt van "den aanleg van de nieuwe redout ter bestrijking van den
Emmerdijk", welke "in dit loopende jaar voltooid (is), zijnde op
dat bestek attestatie verleend in dato den 4en November 1800 ter somma van f
6.600,-."
"De schrijver (A.Croiset) teekent hierbij aan: "Het werk zelfs voldoet
compleet aan de verwachting, zijnde de plaatsing van de redout exact op de
afscheiding van het veen met het zand bepaald, zoodanig, dat eene der
gragten nog merkelijk het veen is ingesprongen; zijnde de passage om de
redout heen geleid."
"Tot zoover Jhr.Mr.Graswinckel in diens eersten brief."
"De laatste opmerking van S.Croiset, welke geheel conform den tegenwoordigen, zij het eenigszins vervallen toestand is, bevestigt m.i. nog eens
speciaal en afdoende, dat de Emmerschans, zooals die er thans ligt, inderdaad in het jaar 1800 voor de somma van f 6600,- is aangelegd en voltooid."
|
|
|
|
|
Martis 8 november 1796.
Extract uit het Register der notulen van Gecommitteerde Representanten, 1795-1798, Oude Staten Archieven van Drente No.127, folio 165 verso.
|
Van Giffen in de EC van 31 juli 1936:
"Intusschen geven de inlichtingen door drs.Brouwer, alhoewel aan het
bovenstaande in geen enkel opzicht afbreuk doende, toch nog weer aanleiding
tot een kleine restrictie of slotopmerking, in zooverre zij de vraag doen
stellen of er misschien te voren, ter zelfder plaatse reeds een oudere
schans geweest kan zijn. Deze zou dan bij de door den Heer Croiset
uitgebrachte najaarsrapporten van 1799 en 1800 onvermeld gebleven zijn."
Drs.Brouwer vond namelijk een extract in het register OSA 127 gedateerd dinsdag 8 november 1796.
Citaat Martis (dinsdag) 8 november 1796: "Op den requeste van
de carspellieden van Emmen, vertonende wat voegen van haar ten spoedigsten
word gerequireerd een wagthuis op de schans aan de Emmerdijk, alsmede ook
een wagthuis in het dorp te Emmen, de nodige brand en ligt, alsmede een
lantaarn aan de wagten voor het detachement aldaar, dat niet in staat waren
zoodane wagthuisen te verveerdigen, versoekende de nodige orders, waardoor
in staat worden gesteld om aan de requisitiën te voldoen, alsmede betaling
van de rekens bevorens door haar ingeleverd, sullen Gecommitteerde
Representanten aan remonstranten voldoen de somma van 211-5- in voldoening
der laast ingezonden rekens, zoo van transportes als leverantiën van turf,
houd en stroo in de Emmerschans, beginnende van den 27 Juni 1796 tot den 4
November 1796. Ook zullen remonstranten van alle gerequireerd wordende
leverantiën, zoo tot het opbouwen van het wagthuis in de Emmerschans als
van alle verdere leverantiën van brand en ligt en van alle nodige
transportes van den commanderende officier de vereischt wordende behoorlijke
recepisse nemen enz."
Van Giffen in de Emmer Courant van 31 juli 1936:
"Daarom wendde ik mij nogmaals tot Jhr.Mr.Graswinckel met de vraag, of er
misschien ook op de voorafgaande jaren nog iets te vinden was over een
oudere schans, een voorlooper van de bovenvermelde en thans nog aanwezige.
Jhr.Mr.Graswinckel deelde mij daarop bij schrijven van 23 Juli 1936 mede:
"Wat nu Uw verdere vragen aangaat, ik heb hier niet kunnen vinden, dat
de Emmerschans reeds van ouderen datum was."
"De kolonel directeur Croiset, die in dien tijd alle verdedigingswerken
heeft uitgevoerd, zegt in een schrijven van 12 Juni 1800, gericht aan den
Agent van Oorlog, dat het aanleggen van een nieuwe aarde redoute aan
den Emmerdijk geschied is ingevolge de generale order van den
directeur-generaal Van Hooff in dato 22 Juli 1799, tengevolge van
autorisatie van den Agent van Oorlog van 19 Juli 1799 en in voldoening van
No. 34 der generale memorie van defensie van 30 Juli 1799, ingezonden door
den kolonel directeur."
"De eerste maal, dat de Emmerdijk nu genoemd wordt is in het meergemelde
najaarsrapport van 1800, dus nadat de schans op 12 Juni 1800 was aanbesteed.
Bij het terugzoeken tot het jaar 1795 is voorts nog aangetroffen een brief
van Croiset van 17 October 1796, waaruit blijkt, dat op den 13en dier maand
de publieke aanbesteding is gehouden van de "nieuw aan te leggen post
op de avenue van Schoonebeek naar Drenthe, de Katshair genaamt". Deze
mededeeling preciseert het aanleggen van de Katshair nog derhalve
eenigermate."
"Wat er nu ook zij van het bericht over een Emmerschans en Emmerdijk in
1796, de laatst vermelde authentieke berichten mogen de gemotiveerdheid van
mijne opvatting en van mijne mededeeling tijdens boven genoemde excursie
voldoende in het licht stellen en staven tevens. Deze nieuwere gegevens
dekken trouwens algeheel die, welke mij reeds vroeger ter beschikking
stonden, d.w.d.z. de aan de bewuste plattegronden van 1800 en aan het
woordenboek van Van der Aa ontleende, welke laatste overigens op hun beurt
zijdelings door de aangehaalde landkaarten bevestigd worden."
|
|
|
H.T.Buiskool oktober 1936:

|
|
|
|
H.T.Buiskool reageerde op bovenstaand artikel van Van Giffen in de Emmer Courant van oktober1936:
"Met groote bevreemding lazen inzonderheid de oudere ingezetenen van
de gemeente Emmen het artikel van dr.Van Giffen in het augustusnummer. De
Emmerschans zou in 1800 zijn aangelegd."
"Hun Schans, waarvan hun vaders, grootvaders en betovergrootvaders al wisten te vertellen. n'un Schans, waar ze gingen
"schaopwasschen" en "aolsteken" in de grachten. Waar ze soms 250 stuks van deze visch vingen "onder de ladden" in eenige uren
tijds. Aal, die van de oude Runde door de Rundeslooten afdreef naar de Schans en later naar het vermaarde Waterslootje van Weerdinge!
Hoeveel schapen zijn hier niet in den loop der eeuwen gewasschen, hoeveel schapenwasschers hebben er niet den doop ontvangen. De
Emmerschans, omweven met verhalen uit den Spaanschen en Franschen tijd, van Willem Lodewijk, Bommen Berend en Napoleon. "Wanneer
is die Schaans daor aniegt, Vaoder ?" "Daor moei'j mij niet naor vraogen, jong, die hef er aaltied legen," antwoordde een
negentig-jarige vader aan zijn zoon. "M'n vaoder hef dat weer van z'n vaoder en zoo tot an hiel aole tieden toe." Gingen de
soldaten, die achter de "Schaansheugte" lagen, geen muren maken van schapenvachten om de kogels van de Spaansche soldaten daarin
op te vangen?"
"De Emmerschans is saamgeweven met het Drentsche volksleven en het
Emmensche in het bizonder van voor eeuwen her en een nietingezetene mag hier
niet "anraken". De Emmerschans is eenige eeuwen oud. Ik vind het
een machtig getuigenis, dat alle Drentsche ingezetenen van de oude
zanddorpen in de gemeente Emmen in deze meening als één man achter mij
staan."
"Een Twentsch mede-excursist maakte den heer Van G. opmerkzaam op een
plaats in het werk van den heer J.P.Koster: "De Provincie Groningen en
hare defensie in de laatste twee eeuwen" (Groningen 1874), waarin
"gewag gemaakt wordt van de Emmerschans als van een dier schansen welke
op raad van Graaf Willem Lodewijk reeds in en na 1596 ter sluiting van den
z.g. "Vrieschen tuin", d.i. het onregelmatig vierkant gevormd door
de provinciën Friesland, Groningen en Drente werden aangelegd.
"Dientengevolge vond men (aldus Koster) in het begin der 17e eeuw in
dien tuin de volgende versterkingen'. Volgt opgave w.o. langs de oostelijke
grens o.a. de Emmerschans en de Katshaar. Inderdaad zouden dus de
Emmerschans en de Katshaar uit het eerste gedeelte van den tachtigjarigen
oorlog wezen" (dr. Van Giffen in bovenbedoeld no. van Augustus)."
"Ter bevestiging van deze door dr. Van Giffen niet aanvaarde conclusie merk ik het volgende op: Dr H.Blink zegt eveneens, dat
de Emmerschans is aangelegd door Willem Lodewijk. In het schoolboekje "Drente", 2de deel, zegt hij o.a.: "Hij (Willem Lodewijk)
was het ook, die voor de passen over de venen in Drente eenige schansen aanlegde, waarvan de Emmerschans en de Eener- of
Zwartendijksterschans onder Norg nog bestaan."
"Ik heb Koster en Blink altijd gezaghebbende autoriteiten geacht. Ten overvloede wendde ik mij aangaande den eerste tot den
Heer Directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf. Deze schrijft 15 Aug.1936 o.a.: "Volgens mijn meening
is de heer Koster een bevoegd schrijver. Zijn werk lijkt me met zorg gedocumenteerd." En dr.H.Blink, die Drente kende als maar
weinigen of misschien niemand in den lande en niet voor niets de hooge eer genoot leermeester te zijn van H.M. de Koningin mag
toch zeker wel bevoegd heeten."
|
|
|
|
|
P.138 uit H.Grönninger.
P.139 uit H.Grönninger.
|
H.T.Buiskool in de Emmer Courant van oktober 1936:
"In het aardige boekje van den bekenden Hermann Grönninger: "Geschichte emsländischer Moorkoloniën" wordt op p.138 en p.139
o.a. gezegd: "Door het veen tusschen Schwartenberg en Roswinkel ging vroeger een weg, de z.g. Heerendijk, die zich uitstrekte van
Koevorden naar Boertange, maar thans door de vervening verdwenen is. Volgens de overlevering zou deze weg in ongelooflijk korten tijd
door Bisschop van Galen zijn aangelegd. Bisschop Bernhard had in den tweeden oorlog met Holland Coevorden veroverd. Om met zijn krijgsvolk
naar de vesting Boertange te komen had hij genoemden dijk door het veen gelegd. De Emmerschans en de
verschillende kleinere schansen, batterijen genaamd, om de Leidijk en de A, wijzen op vroegere krijgshaftige bewegingen. Een
houten veenbrug, die zich van Emmer-Compascuum tot de Emmerschans Noot 1) uitstrekt en bij het turfgraven werd blootgelegd,
wordt ten onrechte aan Bernhard van Galen toegeschreven."
Noot 1: Hoewel Buiskool hier "Emmerschans vermeldde staat in de tekst letterlijk "Schanzen".
"Heeft dit alles niets te zeggen? Kan men daartegenover de juistheid van de dateering der Schans volgens de plans in het
dossier van den Heer Lieftinck en de (misschien wel daarop berustende) mededeeling van Van der Aa volhouden? (Ik merk
volledigheidshalve nog even op dat de plans van den Emmerdijk en Schans, bekend onder de letters E. No.10 en 11 in 1934 door
het Departement van Defensie zijn afgestaan aan het legermuseum te Doorwerth)."
"Met de verdere beschikbare gegevens laat zich onze meening gereedelijk vereenigen. In de resolutie betreffende de gelden
voor de nieuwe schansen, genomen op den Landdag van 4 Sept. 1594 (Inv. Statenarchieven no. I), wordt in het algemeen gesproken
"dat nodich nije schantsen voer die moerassen up die passen in Drenthe musten gelecht worden", zonder dat gespecificeerd
wordt welke die schansen zijn."
"Willem Lodewijk vraagt voor dit doel voor eenmaal 6000 gld., de landschap accordeert "eens voer al tot upmackinge
van die nodige schansen 3000 gld.". Dr.L.H.Wagenaar: "Het Leven van Graaf Willem Lodewijk" zegt op
p.269: Op
den 5den Sept. 1594 werd, voor 't eerst na 14 jaren, weer een geregelde Landdag gehouden en wel op den Bisschopsberg bij
Havelte. Hier verscheen Graaf Willem als stadhouder van Drente en deed een bede om duizend gulden ter ondersteuning tot
het opmaken der schansen; welke bede voor de helft werd ingewilligd."
"Kan onder dit collectief ook niet de Emmerschans begrepen zijn? "Werken als deze schansen, zonder
technische voorziening",
schrijft me de chartermeester aan het Rijksarchief te Utrecht, mr.R.van Royen, d.d. 13 Aug. '36, "werden door de soldaten naar
gelang van behoefte op- en afgesmeten. Dat dit vaststaat blijkt uit de Commentario del Coronel Francisco de Verdugo de la
guerra de Frisa (uitgave prof. H.Lonchay) waarin de veldheer van de vesting Coevorden vertelt dat ze uit niets anders dan
aarde bestond; des te meer dus bij de Emmerschans. Onkosten in bijzonderen vorm, die aanleiding tot vermelding in rekeningen
geven, zult U dus niet moeten zoeken in dezen tijd."
"Dr.Van Giffen meent, dat de Emmerschans in de bedoeling van den
vermaarden tocht van Willem Lodewijk naar Boertange geheel misplaatst is.
Koster spreekt van 1594. Ik veroorloof mij de opmerking dat dit even goed
1593 kan zijn, gezien de vele vergissingen in data en jaartallen van den
heer K. Uit het "Journaal van Anthonys Duyck, advocaat-fiscaal bij den
Raad van State" (uitgave Lod. Mulder, Martinus Nijhoff, 's Gravenhage)
en dr.L.H.Wagenaar "Uz Heit" blijkt niet dat Willem Lodewijk vóór
of na 1593 te Emmen is geweest."
Noot HE: E.van Reyd publiceerde in 1644
heel duidelijk het jaartal 1593.
"Ligt echter de veronderstelling in verband met het bovenstaande niet voor de hand, dat de Emmerschans en de batterij te
Roswinkel door zijn soldaten zijn opgesmeten, later op zijn advies omstreeks 1596 zijn versterkt, nadat hem de gelden waren
gevoteerd voor die "nodige schantsen". Men behoeft zich daarvoor nog niet eens te beroepen op de Drie Podagristen, die
berichten dat de graaf op 14 Augustus rustdag hield te Emmen."
"Thans iets over het deel van dr.Van G's betoog, dat verband houdt met diens meening omtrent een laten aanleg van
den Emmerdijk met tekstinterpretatie, en met de waarde van carteering. De heer Van G. zegt, dat de juist genoemde
Drie Podagristen - die hij in de Emmer Courant en de N.R.C. houdt voor Lesturgeon, Van der Scheer en Braams
en in "Drente" voor Lesturgeon, Van der Scheer en Boom (wat juist is) - spreken over een weg, die "thans", dus
circa 1840 door het veen is aangelegd. In de E.C. geeft hij 1858. Hiermee wordt bedoeld niet de Emmerdijk
maar de z.g. "Nieuwe Weg" van Emmen naar Roswinkel, toentertijd van gemeentewege aangelegd."
"Had Weerdinge reeds in de 15e eeuw zijn vermaarden spoorweg, den oudsten van ons land, maar ....een spoorweg van
ijs, waarover de inwoners van Roswinkel 's winters leem en keien vervoerden uit het Weerdingerholt - de bewijzen
hiervoor zijn voorhanden - Emmen had reeds minstens in de 17e eeuw zijn Emmerdijk, ofschoon voor mij vaststaat,
dat deze dijk veel ouder is."
"Voor eenige jaren werden door een arbeider aan deze Groene Dijk - zooals hij tegenwoordig vaak genoemd wordt, of
ook wel Runde dijk - bij het turfgraven sandalen gevonden, terwijl ook Romeinsche munten zijn opgediept."
"In den inventaris van de hand van den vroegeren Rijksarchivaris van
Drente, mr.J.G.C.Joosting: "De archieven der elkander vóór 1814
opgevolgde gewestelijke besturen van Drente" wordt op p.257 verwezen
naar een dossier bevattende een protest van Drost en Gedeputeerden van
Drenthe tegen het door den Raad van State in 1655 genomen besluit tot het
maken van een nieuwe schans op den Valtherdijk, bij de brug over de Mussel
A, tot het vernielen van den Emmerdijk en eenige andere dijken in de
moerassen aldaar en tot het herstellen van de Valtherschans en de schans ten
Hool (Brief Directeur Krijgsgeschiedkundig archief van den Generalen Staf
d.d. 9 Juli 1936)."
"De mededeeling van den heer Rijksarchivaris jhr.mr.D.P.M.Graswinckel aan dr.Van Giffen verstrekt "dat de eerste
maal, dat de Emmerdijk nu genoemd wordt is in het meergemeld najaarsrapport van 1800,
verliest hierdoor hare bewijskracht."
"Het laatstgenoemd schrijven is volgens dr.Van G. een bewijs te meer, dat
de Emmerschans van latendatum moet zijn. Het zij mij vergund op te merken,
dat de betreffende passage omtrent "het aanleggen van een nieuwe aarde
redout aan den Emmerdijk" even goed in tegengestelden zin kan worden geïnterpreteerd.
De juist besproken mededeeling aangaande den Emmerdijk maakt daartoe wel geneigd."
"De heer Van G. beroept zich verder op het feit, dat de XVII-eeuwsche kaarten van de topografische atlas
op het Rijksarchief nergens de Emmerschans weergeven, - dat hetzelfde geldt voor de XVIII-eeuwsche kaarten; - dat
daarentegen op die uit de XIX eeuw de Emmerschans zoowel als de Katshaar geregeld voorkomen. Dus kaart boven
geschrift."
"Erkentelijk voor zijn goede bedoelingen neem ik de vrijheid den heer Van G. er opmerkzaam op te maken, dat men
in dit opzicht met het gebruik maken van kaarten niet te voorzichtig kan zijn. De eerder door mij genoemde"
spoorweg" b.v. is op de kaart van Van Lier in de "Tegenwoordige Staat van Drenthe" geteekend van Erm over Emmen
en dan langs den weg van Emmen naar Roswinkel, wat in flagranten strijd is met de authentieke stukken."
"Nog niet zoo heel lang geleden - 1931 - werd door den heer J.Visscher in zijn academisch proefschrift:
"Das Hochmoor von Südost-Drente" op de bijgevoegde morphologische kaart van de waterschappen
Emmer-Erfscheidenveen, Smeulveen, Barger-Oosterveen en Emmer-Compascuum de Emmerschans - geheel ter goeder trouw!
- door een cirkeltje weergegeven, terwijl ze inderdaad een vierkante wal is van +/- 1 H.A."
"De Directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van den Generalen Staf schrijft me d.d. 9 Juli 1936 o.a.: "In
antwoord op Uw schrijven van 6 Juli j.1. betreffende de Emmerschans bericht ik U dat deze schans omstreeks het
begin der negentiende eeuw is aangelegd in het dingspil Zuidenveld N.O. van Emmen voor aan bij den Emmerdijk".
"Bij schrijven van 15 Aug. 1936 wordt nu o.a. gezegd: "Met de aanteekening uit mijn brief aan U van 9 Juli j.l.
omtrent den aanleg der Emmerschans in het begin van de 19e eeuw wordt bedoeld de formatie, waar
van dan volgens U de restanten nog aanwezig zijn. (cursiveering van mij, B.)."
"Ten slotte neem ik uit het dagboek van de oude vrouw Schirring te Westenesch naar aanleiding van
het adres van de carspellieden van Emmen 1) het volgende over: "desselven jaars (1796) in Juny isser in
Suidlaarderveldt een groot getal soldaten hollanders in het kampelment gelegt. Op het herfst is de wagt gekomen bij
die Schans".
1) Zie Augustus nummer van Drente bl. 4.
"Wie de eigenaardige beteekenis van "die" tegenover "de" in het Saksich kent, zal omtrent de identiteit van deze
schans geen oogenblik in twijfel verkeeren."
"Samenvattende kom ik tot de conclusie dat - en dit stemt geheel overeen met hetgeen daaromtrent door den w.d.
Rijksarchivaris drs.J.A.Brouwer werd gesuggereerd - de Emmerschans, zooals wij die thans kennen is aangelegd
in 1800, maar dat de schans als verdedigingswerk van veel vroegeren tijd dateert en wel (zeer waarschijnlijk)
uit den tijd van Willem Lodewijk."
|
|
|
A.E. van Giffen oktober 1936:

|
|
|
|
Van Giffen in de EC oktober 1936:
"Ten vervolge op mijn artikel over de Emmerschans in het Augustus nummer van dit blad moge het onderstaande ter
nadere adstructie nog dienstig wezen. Dit kan dan tevens beschouwd worden als de eenige repliek naar aanleiding
van de bijdrage tot de geschiedenis der bovengenoemde versterking van de hand van den heer H.T.Buiskool te
Weerdinge, voorkomend in de Emmer Courant van Vrijdag 25 Sept. j.l. en in dit nummer van Drente, welke bijdrage
m.i. uit historisch oogpunt weinig verhelderend werkt."
"In mijn aangehaald artikel maakte ik o.m. ook gewag van een plaats (p.70) in het werk van J.P.Koster: De Provincie
Groningen en hare defensie in de laatste twee eeuwen, Groningen 1874, waar o.a. ook de Emmerschans genoemd
wordt. Deze zou dienovereenkomstig, aangelegd op raad van graaf Willem Lodewijk van Nassau in of na 1596, ter
sluiting van den zgn. Vrieschen tuin, daarin reeds begin 17e eeuw aanwezig geweest zijn. Dit was derhalve in
volstrekte tegenspraak met mijne bewering, dat de Emmerschans, zij het in een ouderen vorm, omstreeks 1800 zou
zijn aangelegd. Overigens wees ik er al op, dat J.P.Koster geen bron voor zijne mededeeling noemt, maar anderzijds
ook, dat er volgens een mededeeling van den w.n. Rijksarchivaris Drs.Brouwer reeds in 1796 een soort schans of
althans een begin daarvan, aan den toen tevens al bestaanden Emmerdijk geweest moet zijn. Ik sprak ten slotte
het vermoeden uit, dat dit slechts een voorloopige zou zijn geweest in verband met den toen aangelegden Katshaar
en dat eerst een paar jaar later de definitieve Emmerschans, zooals wij die thans kennen gebouwd werd."
"Intusschen stelde de Gemeentearchivaris van Groningen, Dr.H.P.Coster, naar aanleiding van de bovenstaande
controverse t.a. van de plaats in het boek over het Groninger defensiewezen van J.P.Koster - waarbij hij tevens
nog op een andere en nu wèl gedocumenteerde plaats, p.76 in hetzelfde werk, opmerkzaam maakte - mij in zooverre
gerust, dat hij aannemelijk maakte dat de auteur in dit opzicht klaarblijkelijk eene vergissing had begaan. De
destijds door Dr.Coster gegeven en sedert door mij aan het boek van J.P.Koster getoetste verklaring, dat deze
blijkbaar Omme(n) met Emme(n) had verwisseld, was zoo evident, dat alle twijfel in dit opzicht uitgesloten scheen.
De volgende aanhaling moge dit thans afdoende bewijzen. Deze aanhaling is, met goedkeuring van den
Gemeentearchivaris Dr.H.P.Coster voornoemd, ontleend aan diens op 1 Oct. j.l. aan mij ter hand gestelde
schriftelijke mededeeling, gelijkluidend aan die, welke hij reeds bij schrijven Nr. 182d van 17 Sept. j.l. aan
den Heer H.T.Buiskool had verstrekt. Zij luidt aldus:"
"De schrijver (J.P.Koster) noemt de Emmerschans op p.70 bij het defensieplan voor de provinciën Friesland, Stad
en Lande en Drenthe uit het laatst der 16e eeuw en op p.76, als hij het plan van Menno van Coehoorn uit het
jaar 1701 bespreekt. Op laatstgenoemde bladzijde staat het volgende: "De vijf door hem genoemde "passages, tusschen
het Zuidberger Woud en de Valtherschans zijn .....a ....b de Emmerdijk, somers passabel. Hierop lag de reeds in
1681 vervallen Emmerschans".
"Voor wat op p.70 aangaande de versterkingen zelf wordt opgemerkt, is geen bron aangegeven; ik houd dit
voor onderstellingen van den schrijver zelf. Voor de op p.76 voorkomende en door mij
onderstreepte woorden - hierop lag de reeds in 1681 vervallen Emmerschans bestaat wèl een bron ....., te weten
bijlage VIII van Kosters boek ...... Het is een Extract, uit de memorie van (de) visites, die zijn Hoogheid
Koning-Stadhouder Willem III heeft gedaan op de frontieren van de Provincie Groningen in de Maent Majus
1681. Daar toch staat op p.49: "De securi, teijt voor invasie van provincie van Vrieslandt en Groningen waren
voor desen de moerassen en fortressen, die op de passagies waren en noch worden geleijt van Dollart tot aen de
revier de IJssel, waermede de voornoemde provincie haer separeerde van 't vaste landt van Westphalen. Ende daerom
op de passagies geleijt de naervolgende fortressen: "Eerstelijck wiert Swol en Hasselt geconsidereert als defensie
voor de provincie van Vrieslandt (....) en aan de Noortsyde met de revier de "Vecht en de Moeren van Emme ende de
Stadt Hasselt, dat noch in redelijcken staet is."
"De tweede passage wiert bevonden van 't dorp Emme door de moeren, maer was alleenlijck passabel des somers,
ende dieswegen heefft het fort de Emmerschans geleyt midden in de moerassen, maer nu
oock sijn vervallen en haest buiten defentie."
"De derde passage was daer de Stadt Coevorden is geleyt" ("tusschen de voornoemde moeren van Emme en Grootveen
(eener-) en de moeren van Bourtangh (anderzijds), dat altijdt 's winters en somers passabel was." 1)
1) N.B. Dit toevoegsel, weggelaten in den brief van Dr.Coster heb ik hier ingelascht, omdat ook daaruit de
verschrijving "Emme" voor "Omme" blijkt. Immers het (Echter) Groote veen ligt tusschen het
Ommer veen en Coevorden; beide venen liggen westelijk van laatstgenoemde stad. Was hier dus inderdaad het Emmer veen
bedoeld, dan zou de plaatsbepaling van Coevorden moeten zijn, dat het was gelegen tusschen het Echter Groote veen
en het Emmer resp. Bourtanger veen. Leest men echter, zooals het moet wezen, in plaats van Emmer Ommer veen dan
is de topografische opsomming: Ommer veen, (Echter) Groote veen, Coevorden, Bourtanger veen de eenig juiste.
"Hier zou dus de Emmerschans in een officieel document van 1681 genoemd zijn. Helaas is dit niet houdbaar. Ik heb
het stuk zelf, dat K. heeft uitgegeven, opgediept. ....... De door mij opgediepte bladzijden bevatten zonder
twijfel het door Koster als bijlage VIII uitgegeven stuk. Daarop wijzen omvang en spelling, die precies kloppen.
Alleen, Koster verstond niet voldoende de kunst het oude schrift juist te lezen en weer te geven, want op de
plaatsen waar hij Emme(n) en Emmerschans leest, staat zéér duidelijk, zóó, dat geen twijfel mogelijk is, Omme en
Ommer schans, hetgeen trouwens ook in het zinsverband - de versterkingen worden van het Zuiden naar het Noorden
gaande opgenoemd - het eenig juiste kan zijn. Geeft dit geen hoogen dunk van Koster's nauwkeurigheid, de indruk
wordt niet beter, wanneer men bij vergelijking moet constateeren, dat hij bijv. achter de woorden "van 't dorp
Emme" (lees dus Omme), eenvoudig twee woorden heeft weggelaten, die hij blijkbaar niet heeft kunnen lezen. Mijn
vertrouwen in K.'s accuratesse heeft door een en ander (ook door het feit, dat hij de vindplaats van het stuk
verkeerd opgeeft) een schok gekregen. Dit gevoegd bij de omstandigheid, dat de door hem in de bijlagen XI en XII
gepubliceerde, latere stukken - het plan van Menno van Coehoorn uit 1701 en de consideratiën van Colonel van
Burmania uit 1742 - in soortgelijk verband steeds van de Ommer schans wordt gesproken, en dat in het groote
Defensieplan van 1785 (door Koster in Bijlage XV gepubliceerd) wel van den Emmerdijk, maar nooit van de
Emmerschans wordt gerept - geeft mij voldoenden grond om te vermoeden, dat die oude Emmerschans slechts in de
verbeelding van den heer Koster, die door zijn vergissing bij het copieeren natuurlijk volkomen te goeder trouw
is geweest, bestaan heeft. Tot zoover de mededeeling van Dr.Coster."
"Ten overvloede zou men hieraan eventueel nog kunnen toevoegen, dat ook uit de volgorde der visitaties de door
Dr.Coster aangewezen verwisseling duidelijk blijkt. Immers, de Stadhouder Koning bezoekt 26 Mei achtereenvolgens:
Boertange, Bellingwolder of Oude Schans, Langakker of Nieuwe Schans en ten slotte Lieroort (a.d. samenvloeiing
van Leda en Eems); 27 Mei: Delfzijl; 28 Mei: Coevorden. Tusschen beide laatstgenoemde plaatsen had dus de
Emmerschans eventueel bezocht moeten worden."
"Uit een en ander blijkt derhalve afdoende, dat aan het bericht van den Heer J.P.Koster, als grondslag van die
meening, dat er reeds in het begin van de 17e eeuw of zelfs in 1593 een oudere Emmerschans dan de tegenwoordige, in
1800 aangelegde, geweest zou zijn, elke waarde ontzegd moet worden, zoo lang het niet door andere dan de door
J.P.Koster zelf genoemde documenten gestaafd is. Blijft ten slotte, wat aangaat de voorgeschiedenis van de Emmerschans,
nog over te onderzoeken, hoe het staat met de schanswerken op den Emmerdijk, welke, blijkens de mededeeling van Drs.Brouwer,
reeds in 1796 genoemd worden. Ik, twijfel niet, of ook dit zal door voortgezet archiefonderzoek wel uitgemaakt worden.
Het een zoomin als het ander ligt echter op mijn weg."
|
|
|
Scheper en schepershut:

|
|
|


Rechts boven: de plaats van de hut.
Heidehut bij de Emmerschans.
De schepershut nabij de Emmerschans.
Schapen bij de Emmerschans.
December 1930.
December 1930.
|
Diverse taferelen op het hoogveen bij de Emmerschans. In de schepershut nabij de Emmerschans woonde
mogelijk één of meer generaties Bunskoek, waarvan bekend is dat telgen uit dit geslacht ook in Weerdinge
als scheper bekend stonden. Op de webpagina Weerdinge
een overzicht van dit geslacht.
Steeds zeldzamer worden de oude kudden. De foto's ervan krijgen historische waarde als beelden uit een
verdwijnend volksleven. We bewaren graag, wat er nog leeft en wijden er daarom hier de volle aandacht aan.
Eenzaam trekt door wind en regen
Over velden zonder wegen
Trouw de kudde voort
Alles ligt hier grauw verlaten
Uit de kudde klinkt soms 't blaten
Dat maar nauw de stilte stoort.
Zie de wolken hooger stuwen
Voel de winterwind eens duwen
Hij is meester over 't veen
Hier, waar wij des zomers zaten
Gaat dit leger nu gelaten
Elken triesten morgen heen.
Steeds zeldzamer wordt dus ook de eens zoo algemeene en populaire figuur van de Drentsche hei: de rustige,
zwijgende herder. Scheper Bunskoek op 't veld te Emmerschans wou wel even poseeren met zijn mooie
"siep" en het is aangenaam, zoo'n kalme verschijning, die van grote stilte houdt, te ontmoeten.
Dik geduffeld, warm gedast
Wordt hij door geen kou verrast
Op het veen van Emmerschans
En zijn siephond, waaksch en wakker
Geeft als goed vertrouwde makker
Aan geen schaap tot dwalen kans.
Bunskoek kent hier elk getijde
Zomer, winter, barsch of blijde
Hij trekt breiende voorbij
En hij ziet hoe 't veen vermindert
Geeft het hem vreugde? Of het hem hindert?
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- "100 jaar Emmerschans" door Klaas Blok. Uitgave Boon te Groningen. ISBN 90-75913-34-6. Het boek is niet meer verkrijgbaar.
- "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst III" door H.T.Buiskool.
- Emmer Courant 31 juli 1936.
- Emmer Courant 6 mei 1961.
- Tekening schans: Ministerie van oorlog Litt.E no 11.
- Scriptie J.Haan.
- Noorden in Woord en Beeld december 1933.
- Onbekend artikel over scheper Bunskoek, collectie R.Boelens.
- Maandblad Drenthe augustus 1936. Collectie Brands.
- Maandblad Drenthe oktober 1936. Collectie Brands.
- Lees ook: Waardeel februari 2008.
- Foto's:
|
|