|
Het Hooge Loo:

|
|
|
|
|
|
Kadastraal:

|
|
|
Het Hooge Loo, aangegeven op een kaart uit 1874.
Er onder staat nog (steenoven) aangegeven.
Ook op de topografische kaart van 1830-1850 is
de steenoven al aangegeven.
Kadastrale kaart uit 1880.
Kaart uit 1954.
In het midden, achteraan, is nog een deel van het bosje van Het Hooge Loo te zien. De
foto is genomen vanaf de Noordbargerstraat, op het huidige kruispunt met de Hondsrugweg.
Deze Hondsrugweg loopt midden door het gebied op de foto.
|
Het Hooge Loo, ook aangeduid als De Hoge Loo, is de naam van een bosje met een aan de zuidzijde gelegen weiland tussen
Noordbarge en de miniwijk Bargermeer lag. Het lag op één der hoogste punten (26.4) in de omgeving. Het oude woord loo
betekent bos, hetgeen de naam Hooge Loo verklaart.
Op de kadastrale kaart uit 1832 komen ter plaatse echter geen percelen voor die als bos in gebruik waren. Het gebied
Het Hooge Loo lag rond 1832 op sectie D1316 met als eigenaar de "Boerte Noordbergin". Het was in gebruik als
weiland.
In 1880 was dit grote perceel D1316 geheel van de marke gescheiden. Het grootste perceel was toen sectie D2592 van
eigenaren Geert Hoving consorten. Het werd omschreven als bosch, bouw en hooiland en was in 1880 het enige perceel met
de omschrijving "bosch".
Als Het Hooge Loo ooit een oud bos is geweest, zou het dus voor 1832 al verdwenen zijn, of de kadastrale gegevens uit
dat jaar zijn niet goed "in de boeken terecht gekomen". Dat er op een kaart uit 1954 wel een bos(je) is
aangegeven, zou ook kunnen betekenen dat dit bos(je) later is aangelegd, hetgeen overeen zou komen met de OAT van 1880.
De kaart van 1954 geeft, opmerkelijk genoeg, Het Hooge Loo aan op de plaats waar de miniwijk Bargermeer is gebouwd en
niet waar het oorspronkelijke Hooge Loo werd aangegeven. Tussen deze miniwijk en het genoemde bosje werd de
Hondsrugweg aangelegd. Velen rijden er achteloos voorbij, zich weinig of niets aantrekkend van de maximumsnelheid. Als
deze snelheidsduivels wisten waar ze precies overheen reden, dan zouden ze dit gebied waarschijnlijk met meer eerbied en
misschien zelfs hun snelheid aanpassen!
Het weiland zuidelijk van het bos(je) werd door jongeren voor allerlei doeleinden gebruikt. Zo werd op deze plek ook
de jaarlijkse paasbult van Noordbarge gebouwd. Menigmaal moest de brandweer de rieten daken van de boerderijen langs de
Hogewandweg in Noordbarge nathouden bij het ontsteken van het paasvuur.
|
|
|
Prehistorie:

|
|
|
Het gevonden Mercurius beeldje uit 1845.
|
Het Hooge Loo zou zo omstreeks 500 voor Christus zijn ontstaan. Omstreeks deze tijd, de
IJzertijd, werd het klimaat droger en werden streken ontgonnen die voorheen te vochtig waren. De
technische kennis en betere bemesting van het land zorgde ervoor dat de braakperiodes van het
land korter werden. Tot deze tijd woonden de boeren niet op een vaste plek, maar nabij hun
landerijen die zich steeds maar weer verplaatsen, omdat ze onvruchtbaar werden. Door de betere
bemesting bleven ze langer vruchtbaar en konden de boeren langer op één plaats blijven wonen.
Zo ontstonden meer permanente nederzettingen waar bijvoorbeeld Noord- en Zuidbarge hun ontstaan
aan danken.
Het Hooge Loo was archeologisch gezien een rijk gebied. Archeologen hebben daar in het
verleden ontzettend veel gevonden, zoals urnenvelden, grafheuvels, brandheuvels, voorwerpen uit
de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Met name vondsten uit de Romeinse tijd zijn in de
omgeving van Het Hooge Loo gedaan.
L.J.F.Janssen schreef daarover in zijn boek Drentsche Oudheden, p.83 e.v.: "Belangrijk
is eene vondst van onderscheidene Romeinsche beeldjes te Noordbargen, gemeente Emmen, in den jaren 1845 en 1846. Op eene naar
het schijnt door de natuur gevormde, deels zandachtige en deels leemachtige hoogte, hooge Loo geheeten, groot 130 tot 140
vierkante ellen, en toebehoorende aan de marktgenooten, vond men in het jaar 1845, ter diepte van 0,25 tot 0,5 el en op eene
uitgestrektheid van 4 tot 5 el, de volgende beeldjes en andere voorwerpen":
- "Een bronzen Mercurius, die in de regterhand misschien eene schijf (discus) houdt, en
in de linker oorspronkelijk den slagenstaf (caduccus) zal gehouden hebben, de bewerking is
tamelijk goed."
- "Een rond bronzen voetstukje, vermoedelijk tot het Mercurius-beeldje behoord
hebbende."
Volgens Pleyte was het een bijzonder fraai beeldje. Van het voetstuk ontbraken kleine delen.
Het werd gescheiden van het beeldje gevonden. In de rechterhand hield Mercurius een gedeelte van
de geldbeurs vast, in de linkerhand was een gaatje aanwezig, waarin oorspronkelijk de caduceus
was gestoken.
Noot: Mercurius was in de Romeinse mythologie God van handel, reizigers en winst. De naam
Mercurius is waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse woord merx of mercator, hetgeen koopman
betekent. De caduceus was zijn staf die de vrede, bescherming en genezing symboliseert. De staf
is door twee slangen omwonden en heeft aan de bovenkant twee vleugels.
Verder werden er diverse van aarde gemaakte beeldjes gevonden. L.J.F.Janssen heeft in 1848 deze
beeldjes als eerste beschreven. Pleyte ging in 1884 nader in op hetgeen gevonden was, en de
beschrijving die Janssen eraan had gegeven.
|
|
Het terracotta of pijpaarden beeldje.
|
Beschrijving Janssen:
- "Een zittende Juno, of andere gezellin van Jupiter, van gele gebakken aarde, voorzien
van een ronde schijf (polos), of een rond kapsel om het hoofd in archaïstischen stijl. Hoog 0.13 el.
Soortgelijke zijn door Panofka, in zijn werk Terracotten, taf I en II, als Gaea-Olympia's bestempeld.
In het Museum van Oudheden te Leiden bevinden er zich eenige uit Griekenland, enz. enz."
Noot: pijpaarden beeldjes werden gemaakt van een fijne, witbakkende klei uit het Rijnland
terwijl terracotta beeldjes (letterlijk: "aarde gebakken" ofwel gebakken klei) werden gemaakt
van roodbakkende klei. Janssen beschreef echter gele gebakken aarde......
Pleyte merkte over het gevonden beeldje op: "dergelijke, met zeer weinig kunstgevoel bewerkte
godenbeeldjes of huisgoden, zijn niet gemakkelijk te herkennen; de vormen zijn zeer verloopen en onder verschillend
licht bekeken, geven zij dikwerf geheel andere gedaanten te aanschouwen. Hoe weinig Janssen van de vormen
onderscheidde in deze soort van kunstproducten, blijkt uit de afbeeldingen der terra-cotta's van het museum in Leiden
genoeg. Zijne beschrijving van het beeldje voldoet niet aan het oorspronkelijke."
Pleyte maakte van het beeldje een tekening en beschreef het in zijn boek "Nederlandsche Oudheden":
"Het beeldje stelt een moedergodin voor, dat wil zeggen, de vruchtbare moeder-natuur in de gedaante van eene
matrone met een mand met fruit op haren schoot. Deze moedergodin droeg meestal den naam van de plaats en valt als
zoodanig met den beschermgeest der plaats samen. Zij komt voor met gekapt hoofdhaar, waaraan bij wijlen een soort van
kroon of ander versiersel is verbonden, zittende in een lang gewaad met sluier over het hoofd."
|
|
|
Beschrijving Janssen:
- Links: "Het hoofdje van eene moeder matrone, of moedergodin met een gedeelte van de borst."
-
- Rechts boven: "dergelijk"
-
- Rechts onder: "hoofdje met lachende gelaatstrekken, aan de rechterzijde steunt
een hand op de schouder, wellicht gedeelte van groep van twee personen."
Pleyte merkt over deze beelden nog op: "doch afgebroken."
|
|
Het beeld van Venus.
|
Beschrijving Janssen:
- "Bovengedeelte eener Venus-proserpina, naar het schijnt, van gele, gebakken aarde, de
regterhand aan de linkerborst houdende."
Pleyte meent echter dat het achtervoegsel propersina wel weggelaten kan
worden, daar het beeldje alle onderscheidingstekenen van deze godin mist.
|
|
Kind met amulet of Veteraan met bulla?
|
Beschrijving Janssen:
- "Borstbeeld van eenen Romeinschen veteraan, naar het schijnt, van dezelfde aarde als
de zittende Juno, met kaal hoofd, en om den hals van eene bulla voorzien."
Pleyte meende echter dat het beeldje een borstbeeld voorstelde van een kind met een amulet. Een maan aan een lint
om de hals, aldus Pleyte die het onbegrijpelijk vond dat Janssen hier een Romeinse veteraan in zag met een bulla om de hals.
|
|

|
Pleyte was het vaker oneens met hetgeen Janssen had beschreven.
Janssen omschreef hetgeen hiernaast is afgebeeld als "twee pooten van een arend, vermoedelijk van een drievoetje,
een tafeltje of dergelijke".
Pleyte daarover: "Hoe is een dergelijke vergissing mogelijk? Zoo ingewikkeld is de zaak toch niet?"
"Een aantal Egyptische beeldjes uit den grieksch-romeinschen tijd vertoonen deze driespuit op het hoofd die
Janssen voor arendsklauwen aanzag. Door afslijting der vormen en het slechte afdrukken wordt de voorstelling bij
wijlen onherkenbaar, evenwel niet voor hem die gewoon is dergelijke voorwerpen telkenmale onder de oogen te hebben."
"De voorwerpen stellen vrouwenhoofdjes voor en wel gesluierd net een driespruit op het hoofd, daarom zijn het
Isishoofdjes. Dit kapsel is overigens het kenmerk van alle hoofdgoden der Egyptenaren in den Romeinschen tijd. Serapis,
Harpokrates, Horus, Isis, allen zijn er mede getooid; toch is dit hoofdtooisel oorspronkelijk het eigenlijk kenmerkende
van Isis alleen."
"Isis als maangodin was de vruchtbare natuur en als zoodanig zinnebeeldig vereerd in de koe. Deze koe wordt
daarom met een maanschijf tusschen de hoornen afgebeeld, en omgekeerd ontvangt de godin als tooisel op het hoofd de
maan tusschen de koehoornen; boven deze maanschijf plaatste men twee struisvederen, een onderscheidingsteeken der
hoofdgoden. In den grieksch-romeinschen tijd voegde men aan dit Isis onderscheidingsteeken twee volle korenaren toe,
wederom een beeld der vruchtbare natuur, en gaf men dit onderscheidingsteeken aan alle hoofdgoden."
"De maanschijf is dikwerf met de hoornen als het ware samengesmolten, zoodat men er even goed een vlam, een
peer of iets dergelijks in zou kunnen zien, doch terugkeerende tot den oorspronkelijken vorm, is er geen twijfel aan
of het teeken heeft de bovengenoemde waarde. Ik beeldde een goed te onderscheiden tooisel af beneden de hoofdje."
|
|

|
Tot slot beschreef Janssen "een torso van eenen zittenden krijgsman, van dezelfde aarde als
de Juno, voorzien van een harnas."
Noot: Een torso is een afbeelding van een menselijk lichaam dat op verschillende plaatsen afgesneden is.
Het beeldje zou volgens Pleyte van de keizer of van de god Mars kunnen zijn en schreef verder dat "hij
mogelijk was getooid in een lederen harnas met daaronder uitkomend kleed, in plooien hangend tot bij de knieën.
Verder draagt afgebeelde persoon een broek en hoge schoenen of laarzen."
|
|
De gevonden stier.
|
In 1846 zette Janssen het onderzoek voort. Hij vond dat jaar o.a.:
- "Het bronzen bovenstuk van een schede van een dolk of mesch, naar het schijnt. Dit werd mij door
den onderwijzer aan eene bijschool, met name Gewald, aldaar gunstig geschonken."
Pleyte betwijfelde dit echter en dacht dat de vondst het onderste gedeelte van een der poten van een drievoet
was, in de gedaante van een vogelklauw met nagel. Ook werd gedacht aan het bovenstuk van een Javaanse krisschede, maar
de opening zou daarvoor te klein zijn geweest. Het voorwerp is naar het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden gegaan.
Noot: een foto ervan is in bezit van Historisch Emmen.
Hoewel het niet door Janssen is beschreven, meende Pleyte dat Janssen ook een, tamelijk ruw, beeldje van een stier
had gevonden. De kop en een deel van het lichaam waren weggeroest.
|
|
|
Pleyte verwachtte dat de Hooge Loo, behalve bovenstaande beschreven voorwerpen en beelden, nog meer zou verbergen.
Het stuk grond waar de vondsten werden gedaan lag volgens hem aan "den hoofdweg naar het zuiden, naar
Coevorden. In het gevondene ligt eene aanduiding van den ouden handelsweg of de heerbaan."
Janssen omschreef de exacte vindplaats niet, maar schreef dat: "deze voorwerpen benevens een aantal
onherkenbare fragmenten aardewerk, werden gevonden door den landman H.Frilink en in bewaring gegeven aan den heer
Mr.H.Vos te Assen, door wiens tusschenkomst ik ze ter bezichtiging mogt ontvangen en mij van de echtheid
overtuigen."
Noot: waarschijnlijk bedoelde Janssen met H.Frilink de naam Frieling.
In 1921 stelde A.E.van Giffen een onderzoek in. Hij vond er o.a. een lijkverbrandingplaats, een schaal met beenderen,
een voetstuk van een Romeinse kruik, een spinklosje en vele scherven uit het verre verleden.
Op 8 september 1943 werd er een onderzoek ingesteld door wichelroede deskundige S.A.v.d.Molen. Hij beweerde dat ongeveer
midden in het bosje van Het Hooge Loo een heuse tempel gestaan zou hebben die zou hebben toebehoord aan de Romeinen.
In het midden van Het Hooge Loo zou een altaar hebben gestaan en de opening zou op het zuiden zijn geweest. In het oosten
ervan zou een kleine ronde toren hebben gestaan en aan beide kanten van de tempel zelfs nog twee kleine tempeltjes.
(Noot: zou, zou, zou ..... Gerrie van der Veen, amateur archeoloog, gelooft van de Romeinse tempel geen moer.
Archeologen hebben nooit iets gevonden waaruit dat blijkt en stelt: "men weet inmiddels ook dat in ons land nooit
Romeinen boven de Rijn hebben gewoond. We weten wel dat er via Het Hooge Loo een handelsweg naar Coevorden liep. Helemaal
vreemd zou de aanwezigheid alhier van een verdedigingstoren dus niet behoeven te zijn.")
In 1973, tijdens de aanleg van de Hondsrugweg, zijn er grondsporen van een aantal boerderijen, hutkommen en veel
urnen gevonden.
In 1994, tijdens de bouw van de Mc.Donalds vestiging, zijn er wederom sporen gevonden uit de prehistorie, zoals
de paalgaten van een boerderij en een graf van zo’n drieduizend jaar oud.
|
|
|
Steenbakkerij:

|
|
|
Kaart uit 1852.
"Het Hooge Loo" en "Steenoven"
Steenfabriek? Melkfabriek !!
|
Op, in elk geval, twee oude kaarten, die in 1852 en 1874 uitgegeven zijn, staat bij het Hooge Loo ook het
woord "Steen Oven" aangeven. Waar deze stond is HE nog niet bekend, maar vermoedelijk werd
hiermee de steenbakkerij (fabriek) in Noordbarge bedoeld. Deze steenbakkerij stond in 1852 op perceel sectie
D2358. Deze steenbakkerij was opgericht door Hendrik Frieling. Is het niet toevallig dat de naam H.Frilink
werd genoemd door L.J.F.Janssen?
Aan publicaties die meldden dat omstreeks 1903 op de plaats van de melkfabriek een steenfabriek heeft gestaan
kan worden getwijfeld. De "melkfabriek" stond op perceel sectie D6797. Gegevens over dit perceel staan
op kaart D7 (coördinaten F-3, artikel 5237). Dit perceel werd voor 1895 omschreven als een huis, schuur en erf
en na 1895 als huis, schuur, fabriek en erf.
|
|
|
Bronvermelding:

|
|
- "Drenthsche Oudheden" door L.J.F.Janssen, Utrecht 1848. Collectie Brands.
- "Nederlandsche Oudheden van de vroegste tijden tot op Karel den Groote" door Dr.W.Pleyte,
Leiden 1882. Collectie Brands.
- Foto's
- "Nederlandsche Oudheden van de vroegste tijden tot op Karel den Groote" door
Dr.W.Pleyte, Leiden 1882. Collectie Brands.
- A.Pool.
- Alle kaarten Collectie Brands, behoudens kaart 1860, collectie C.Reinders.
|

|