|
De brand in de kousenfabriek Danlon op zondag 15 oktober 1967 was de grootste brand in
de geschiedenis van Emmen. Er vielen gelukkig geen dodelijke slachtoffers. Dit was
waarschijnlijk wel het geval geweest als de brand op een werkdag was uitgebroken.
Het kapitale fabrieksgebouw van de Danlon werd totaal vernield en waarbij ook de
gemeentelijke industriehallen, welke verhuurd waren aan de N.V. Jongman en de N.V.
Emka verloren gingen. De ramp had nog een veel grotere omvang kunnen krijgen
door de toen heersende windkracht 7. Deze draaide destijds in de
richting van de bedrijven Drentea en Hut aan de andere kant van de Kapitein
Nemostraat. Gelukkig konden deze fabrieken worden behouden.
Al het beschikbare brandweermaterieel van de gehele gemeente werd volledig ingezet. Ook
de bedrijfsbrandweer van de A.K.U. heeft mee geholpen om de
schade te beperken. De totale blusmiddelen bestonden uit 9 blusvoertuigen en 5 overige voertuigen.
Er werd met 36 stralen geblust, 3360 meter slang uitgelegd en er hebben ongeveer 60
brandweerlieden aan de blussing deelgenomen.
De oorzaak van deze brand is kortsluiting geweest zoals deskundigen van
Arbeidsinspectie, brandweer, gemeente Emmen en Danlon hebben kunnen reconstrueren. De brand
is ontstaan door kortsluiting in elektriciteitsleiding die samen met een stoomleiding
onder een houten werkvloer in de rondbreihal lagen.
Door deze brand werd het hart uit het Emmer industrieterrein gerukt. Het
resultaat van jarenlange inspanning ging verloren en de werkgelegenheid voor
ongeveer 1200 mensen leek bedreigd. Uiteraard was de N.V. Danlon er alles aan gelegen de
productie weer zo snel mogelijk op gang te krijgen, teneinde op die manier de schade zo
beperkt mogelijk te houden. Verheugend was het dat de N.V. A.K.U. tijdelijk op
haar terrein een hal van 6700 vierkante meter ter beschikking van de Danlon
stelde. Voorts begon men direct met het plaatsen van een tijdelijke houten hal
van 800 m² op een braakliggend terrein aan de Kapitein Nemostraat voor de vormerij-afdeling.
Deze hal moest een maand later (15 november) al klaar zijn. Er werden gelijk besprekingen
gevoerd met Italiaanse en Duitse leveranciers van brei- en vormmachines over de
leveringsmogelijkheden op korte termijn. Omdat ook andere industrieën tijdelijk
bestaande ruimten beschikbaar hebben gesteld, kon de bedrijvigheid weer snel op gang
worden gebracht. Met voortvarendheid werd ook direct begonnen nieuwbouwplannen te ontwikkelen.
De staf van de Danlon had "het hoofdkwartier" in hotel ’t Heerenhof. Van hieruit
werd er contact gehouden met de buitenwereld. De administratie van de Danlon werd
ondergebracht in een door Drentea afgestane kantoorruimte.
Alle 1200 personeelsleden zijn in dienst gebleven. Er vielen geen ontslagen. Men moest
bereikbaar blijven omdat ze op bepaalde momenten nodig konden zijn. De lonen werden in
restaurant Grevink uitbetaald. Voor de mannen vrijdags en op maandag voor de vrouwen.
Het is een zeer belangrijke beslissing geweest, om de herbouw in Emmen plaats te
laten vinden. Nog wel op dezelfde plaats waar het verloren gegane bedrijf had
gestaan. Het aanbod van het gemeentebestuur van Emmen om een nieuw
terrein ten zuiden van de rondweg in gebruik te nemen bleek niet nodig te zijn.
Er werd met grote snelheid begonnen de restanten van het oude
gebouw te verwijderen zodat de start van de nieuwbouw niet behoefde te
worden vertraagd. Wel wilde de Danlon nog zekerheid hebben dat de terreinen,
waarop de huurhallen hadden gestaan, ook konden worden benut. Dit omdat de nieuwe fabriek
groter zou worden opgezet dan de vorige. De gemeente heeft destijds daarvoor alle medewerking
toegezegd aan de bedrijven Jongman en Emka om een vervangende ruimte te creëren.
|