|
Bouw Lyceum












|
De gemeente Emmen kende tot de Tweede Wereldoorlog geen HBS of Gymnasium. Daarvoor moest men bijvoorbeeld naar Coevorden.
Pas in 1931 werd de Vereniging Emmer Lyceum opgericht, die streefde naar een "echte" middelbare school in Emmen.
Dat deze school er niet één, twee, drie, kwam lag mede aan de financiële positie van de gemeente.
Pas in 1944 kon de gemeente Emmen de begroting sluitend krijgen.
Op 6 september 1944, tijdens de Tweede Wereldoorlog, ging het Gemeentelijk Lyceum van start. Van 1944 tot omstreeks 1949
was het Gemeentelijk Lyceum eerst nog gevestigd in Hotel Postma aan de
Stationsstraat. Omstreeks 1949 kwam het schoolgebouw aan de Oosterstraat gereed. Het ontwerp ervan kwam van de hand van
architect Dijkstra.
De oprichting van het Emmer Lyceum in 1944: een "foute" start? Door G.Groenhuis.
Op woensdag 6 september 1944 werd in Emmen het gemeentelijk lyceum geopend. De nieuwe onderwijsinstelling was de eerste
school voor middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs in de gemeente. Voor 1944 waren kinderen voor HBS- of Gymnasium
onderwijs aangewezen op de Rijks HBS scholen van Coevorden en Ter Apel, de bijzondere HBS scholen van Stadskanaal en Hoogeveen
en het stedelijk gymnasium te Assen. Dat Emmen met een bevolking van ongeveer 10.000 inwoners een school voor middelbaar
onderwijs kreeg, was minder verwonderlijk dan het feit dat de gemeente er zo lang geen had gehad. Maar het tijdstip
waarop het Emmer Lyceum van de grond kwam, is op z'n minst merkwaardig te noemen. Hoe kwam men ertoe midden in de
oorlog een lyceum op te richten? Suggereert de stichtingsdatum niet, dat van een
"foute" start moet worden gesproken? Weliswaar
was de toenmalige wethouder van onderwijs Roelof Zegering Hadders onverdacht 1), maar hij had een
NSB burgemeester boven zich, de overige wethouders waren eveneens de Nieuwe Orde toegedaan en een gemeenteraad ontbrak.
In hoeverre hebben deze oorlogsomstandigheden de stichting van het gemeentelijk lyceum beïnvloed? Wat ging aan de opening
van de school op de dag na Dolle Dinsdag vooraf?
Vereniging Het Emmer Lyceum.
Vast staat dat het gemeentebestuur ven Emmen vóór de jaren dertig geen brood heeft gezien in een school voor
"hooger onderwijs". Sinds 1913 werd om de zes jaar aan het Rijk vrijstelling gevraagd van de verplichting op grond van
artikel 6 van de Hoger Onderwijswet een gymnasium op te richten. In de ontheffingsaanvraag die in 1926 werd verstuurd, gaf
het gemeentebestuur als argumenten voor de verlenging van de vrijstelling, dat zich te weinig leerlingen zouden aanmelden
en de gemeente de kosten niet kon dragen. Bij Koninklijk Besluit van 24 december 1926 werd de vrijstelling daarop opnieuw
verleend tot 1 september 1932. In dat jaar is voor het eerst nagelaten een ontheffingsaanvraag naar Den Haag te sturen. De
brief met het betreffende verzoek is wel geschreven, maar niet verzonden 2).
De oorzaak van deze beleidsverandering was niet moeilijk te achterhalen. In 1931 was in Emmen de eerste aanzet gegeven
om tot de oprichting van een lyceum, een combinatie van HBS en Gymnasium te komen. Op 12 januari 1931 kwam de vereniging Het
Emmer Lyceum tot stand, die zich de stichting en de instandhouding van een lyceum voor alle gezindten ten doel stelde. Als
oprichters en eerste bestuursleden traden op:
- mr.dr.Jan Liebbe Bouma, van 1927 tot 1943 burgemeester van Emmen (voorzitter).
- mr.Arend Jonker, advocaat en procureur in Emmen (secretaris).
- Lambertus Hendrik Berdenis van Berlekom, ontvanger registratie der domeinen te Emmen (penningmeester).
- ds.Albertus de Kat Angelino, hervormd predikant te Emmen (vice-voorzitter).
- Eppo Vegter, hoofd van een lagere school in Emmen (vice-secretaris en vice penningmeester)
- dr.Johannes Post, huisarts te Emmen.
- Hermannus Cornelis Bruggeman, pastoor van Zwartemeer.
- ds.Johannes Adrianus Verhoog, gereformeerd predikant van Klazienaveen.
- Karel Palm, manufacturier te Nieuw Amsterdam.
In de statuten van de vereniging werd vastgelegd dat men een Lyceum voor alle groepen van de bevolking wilde oprichten.
De samenstelling van het bestuur weerspiegelde de samenwerking van de verschillende gezindten. Rooms-katholieken, hervormden
en gereformeerden hadden elk één van hun geestelijke leidslieden in het bestuur, de joden waren vertegenwoordigd door Karel
Palm. Behalve de godsdienstige richtingen waren in de schoolvereniging ook de voornaamste politieke stromingen aanwezig. Zo
was Meester Vegter een overtuigde socialist, burgemeester Bouma antirevolutionair en behoorde Bruggeman tot de RKSP. Artikel
8 van de statuten bepaalde dat nimmer meer dan twee bestuursleden gekozen mochten worden, die zowel tot dezelfde politieke
partij als tot dezelfde godsdienstige gezindte behoorden. Ging de bereidheid om een samenwerkingsschool op te richten
verrassend in tegen de hokjesgeest van de tijd, de voorwaarden die bij dit gezamenlijk optrekken in acht werden genomen tonen
aan dat ook in Emmen "verzuild" werd gedacht.
Nog in een derde opzicht lijkt de samenstelling van het bestuur tot uitdrukking te brengen dat men geheel Emmen wilde
vertegenwoordigen. De leden kwamen niet alleen uit het kerndorp Emmen, maar ook uit de zogenaamde buitendorpen. Daarbij is
ongetwijfeld rekening gehouden met de samenstelling van de bevolking in de verschillende dorpen. Zwartemeer, vertegenwoordigd
door pastoor Bruggeman, telde 37% rooms-katholieken terwijl dit percentage voor geheel Emmen 16,95% was. De joodse bevolking
was vooral geconcentreerd in Emmen en Nieuw Amsterdam en het laatste dorp had, zoals gezegd, de joodse zakenman Karel Palm in
het bestuur 3).
Namens de vereniging richtten Bouma en Jonker op 16 januari 1931 een brief aan het gemeentebestuur van Emmen met het
verzoek de vereniging een subsidie van f 12.000,- per jaar te willen verlenen, ingaande op de datum waarop het te stichten
lyceum de eerste leerlingen zou toelaten. De brief werd in de vergadering van B&W van 23 januari 1931 behandeld en op
de agenda van de Raadsvergadering van 1 februari geplaatst 4). Nog voordat het verzoek door de Raad
werd besproken, diende penningmeester Berdenis van Berlekom op 30 januari een voorlopige begroting voor de eerste jaren in.
De exploitatierekening zou f 11.850,- belopen. Het overgrote deel daarvan, f 11.700,-, zou aan salarissen opgaan. In een
begeleidend schrijven nam Berdenis van Berlekom stelling tegen de indruk die door krantenberichten was gewekt als zou met
een stichtingskapitaal van f 20.000,- de oprichting van het lyceum verzekerd zijn. Hij betoogde dat aanmerkelijk meer geld
nodig zou zijn en dat het Emmer Lyceum zonder rijkssubsidie geen levenskansen zou hebben.
Op formele gronden besloot de Raad het verzoek om subsidie aan te houden. Men wilde wachten totdat de vereniging
rechtspersoonlijkheid zou hebben verkregen. Daarmee conformeerde de gemeenteraad zich aan een voorwaarde die bij het verlenen
van rijkssubsidies in acht werd genomen 5).
Het raadsbesluit betekende niet dat het gemeentebestuur de zaak van het Emmer Lyceum liet voor wat ze was. B&W informeerden bij het
Centraal Bureau voor de Statistiek naar de gymnasia die sinds 1921 waren opgericht en schreven vervolgens de negen scholen die het
Bureau kon melden aan met de vraag of zij subsidie uit 's rijkskas hadden ontvangen. In antwoord op een herinnering van de Gedeputeerde
Staten van Drenthe dat opnieuw vrijstelling voor de oprichting van een gymnasium moest worden aangevraagd, antwoordden B&W geen
ontheffing meer te zullen aanvragen, omdat ze in Emmen met haar 41.000 inwoners, waar alleen twee scholen voor openbaar uitgebreid lager
onderwijs waren, de mogelijkheid open wilden houden "een gelegenheid op te richten tot het ontvangen van hooger onderwijs".
Mocht het bestuur van de vereniging Het Emmer Lyceum er niet in slagen een lyceum op te richten, dan wilde de gemeente de handen vrij
hebben om alsnog tot de stichting van een gymnasium te kunnen overgaan, "hoewel wij ons niet ontveinzen, dat aan de oprichting
van een lyceum of hoogere burgerschool veel meer behoefte bestaan dan aan een gymnasium...".
Na 1932 werd het voorlopig stil rond het Emmer Lyceum. Penningmeester Berdenis van Berlekom vertrok naar Amsterdam. Eerst in 1938
werd weer aandacht aan de subsidieaanvraag geschonken. Een losse notitie, gedateerd 11 juni 1938, maakt melding van het verzoek en
van het raadsbesluit de zaak aan te houden tot de verzoekende vereniging rechtspersoonlijkheid zou hebben verkregen met de aantekening:
"Of dit is geschied is op de afdeling onderwijs niet bekend". Deze notitie zal bestemd zijn geweest voor de RKSP wethouder
van onderwijs, de bekwame autodidact A.Sibon, voor zijn wethouderschap postbode te Klazienaveen. Hij stelde het in 1931 aangehouden
adres van de vereniging het Emmer Lyceum in de vergadering van B&W op 13 juni 1938 opnieuw aan de orde. Maar de zaak was zo dood
als een pier. De besluitenlijst vermeldt: "ter kennisgeving aan te nemen" 6).
Hoe het de vereniging het Emmer Lyceum na 1931 is vergaan, is niet bekend. Het persoonlijk archief van de secretaris is volgens zijn
dochter, mevrouw L.Overwater Jonker te Breda, niet meer aanwezig. Mr.K.Vegter te Havelte, de zoon van de vice-secretaris, deelde mee
dat zich onder de nagelaten papieren van zijn vader evenmin bescheiden betreffende de vereniging het Emmer Lyceum bevonden. Wethouder
Zegering Hadders die in 1939 Sibon opvolgde, kan zich niet herinneren ooit van de vereniging te hebben gehoord. De wetenschap dat,
zoals beschreven, de afdeling onderwijs van de gemeentesecretarie in 1938 niet meer vast kon stellen of de vereniging
rechtspersoonlijkheid had verkregen, maakt aannemelijk dat zij een stille dood gestorven is.
Bemoeiingen van burgemeester Bouma.
Het was burgemeester Bouma die in september 1941 de draad weer opnam. Het is mogelijk dat de
activiteiten die in Coevorden ter verkrijging van een gymnasium werden ontplooid, daarop van invloed
zíjn geweest. Denkbaar is ook dat Bouma opnieuw voor een lyceum in Emmen is gaan ijveren in een
poging iets van zijn beschadigde reputatie te herstellen. Hij was in maart 1941 tot de
NSB toegetreden en had daardoor velen van zich vervreemd. Er is overigens reden te betwijfelen of Bouma
werkelijk tot het nationaal-socialisme was bekeerd. In zijn omgeving was bekend dat hij hogerop wilde en van
mening was, dat de vooroorlogse ministers van Binnenlandse Zaken hem veel te lang in Emmen
hadden laten zitten. Hij nam dat in het bijzonder zijn partijgenoot mr.J.A.de Wilde kwalijk, die van mei
1933 tot juni 1937 dat departement had beheerd. Het NSB lidmaatschap zou zijn in het slop geraakte carrière
nieuw leven hebben moeten inblazen. Als het inderdaad zo is geweest, dan is zijn taxatie juist gebleken.
In 1943 werd hij tot Commissaris van de Provincie Drenthe benoemd. In die kwaliteit zou hij in het najaar
van 1944 zijn medewerking weigeren aan de Duitse eis te voldoen via de burgemeesters spitters en gravers
voor de verdedigingswerken op te roepen 7). Maar voor het zover was, legde Bouma
de grondslag voor de oprichting van het gemeentelijk lyceum in Emmen. In een uitgebreid schrijven aan de
Secretaris Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming, de pro-Duitse
professor dr.J.van Dam, vroeg Bouma op 18 september 1941 om medewerking voor de stichting van een lyceum
in Emmen. Toen de Secretaris Generaal niet reageerde, herhaalde Bouma onder verwijzing naar zijn eerste
brief zijn verzoek. Vermoedelijk om de niet bij de NSB aangesloten Van Dam onder druk te zetten, besloot
Bouma zijn nieuwe geestverwanten in te schakelen. Begin april zond hij een afschrift van zijn brief van 18
september 1941 aan dr.T.W.de Groot, het hoofd van de afdeling Middelbaar Onderwijs van het Opvoedersgilde.
Het lijkt wel zeker dat Bouma nog meer kameraden te hulp heeft geroepen in zijn pogingen Emmen aan een
lyceum te helpen. Zoals nog zal blijken, verwees zijn opvolger in Emmen later naar mondelinge toezeggingen
die de Secretaris Generaal van het Departement van Financiën, de nazi mr.M.M.Rost van Tonningen aan Bouma zou
hebben gedaan. Bouma zijn directe bemoeiingen met de stichting van het lyceum eindigden in 1943 toen
hij benoemd werd tot Commissaris der Koningin van Drenthe.
Inspanningen van burgemeester Best.
Tot nieuwe burgemeester van Emmen werd benoemd mr.Johannes Best uit Almelo. Het besluit waarbij
hij door de Rijkscommissaris van het bezette Nederland werd aangesteld is van 23 augustus 1943,
maar Bouma installeerde zijn opvolger eerst op zaterdag 6 november. Het gemeentehuis van Emmen
zag zwart van de nationaal-socialistische functionarissen, want Best behoorde natuurlijk tot de NSB.
De rede waarmee hij het burgemeesterschap aanvaardde liet daarover geen enkele twijfel bestaan.
"De boodschap van Mussert", zo zei hij, "die zal blijken de Vader te zijn van ons
nieuwe Vaderland", was de kern van zijn overtuiging. Het Nationale Dagblad van maandag 15 slachtmaand
1943 sprak dan ook van een magistrale rede. Het Drentsch Dagblad legde de nadruk op de beleidsplannen die
Best in zijn rede had ontvouwd. De krant drukte de voornemens van de nieuwe burgemeester in kapitale letters.
De stichting van een lyceum was één van zijn voornemens. Letterlijk zei Best: "Dat ik verlangend ben om
een verdere stoot te geven, waardoor het plan om alhier een Lyceum te doen ontstaan werkelijkheid wordt spreekt
vanzelf. 8)
De oprichting van het Emmer Lyceum was inderdaad een van de eerste zaken die Best aanpakte. Uitgaande van
de mededelingen die Bouma hem had gedaan, schreef hij al op 16 november 1943 twee
brieven die de zaken weer in beweging moesten brengen. Aan het Departement van Opvoeding,
Wetenschap en Kultuurbescherming deelde hij laconiek mee dat er gelden voor een gemeentelijk
lyceum ter beschikking waren gesteld door het Departement van Financiën, mits begonnen werd met één
klas, dat daarom met de voorbereiding van een en ander was begonnen en dat hij informeerde
of het Departement daarbij mogelijk aanwijzingen wilde geven. Het tweede briefje ging naar de
inspecteur
voor het toezicht op de lycea in Nederland, dr.J.van Andel. Daarin schreef Best dat de Secretaris
Generaal van het Departement van Financiën, mr.M.M.Rost van Tonningen had goedgekeurd aan de
gemeente Emmen de nodige gelden ter beschikking te stellen voor de oprichting van een lyceum, mits
met één klas werd aangevangen. Toch was burgemeester Best minder zeker van zijn zaak dan hij in de
hierboven genoemde briefjes deed voorkomen. Op 17 november 1943, een dag later
dus, stuurde hij een dringend briefje aan Rost van Tonningen van de volgende inhoud:
"Kameraad!"
"Voor kort werd tusschen U en mijn voorganger Kameraad Bouma, thans Commissaris der Provincie
Drenthe, afgesproken dat U goedkeurde, dat de gelden voor het beginnen van een lyceum met één klas
gevoteerd werden."
"Daar ik thans bezig ben, voortbouwend op wat Kameraad Bouma reeds deed, deze zaak tot een einde
te brengen, verzoek ik U mij een ambtelijk schrijven te doen toekomen, waarin uw toezegging vastgelegd werd,
zodat ik tegenover andere instanties dezen brief kan aanhalen."
"Hou Zee, w.g. Best"
In afwachting van de belangrijke brief van Rost van Tonningen werkten Best de wethouder van onderwijs
Zegering Hadders aan de voorbereiding van de start van het lyceum. Inspecteur Van Andel nodigde Best
uit voor een bespreking in Den Haag, waarvoor na enig heen en weer geschrijf over een geschikte
datum uiteindelijk 16 december 1943 werd vastgesteld. Omdat Rost van Tonningen niet antwoordde,
herhaalde Best op 8 december 1943 zijn verzoek onder verwijzing naar het afgesproken onderhoud met de
inspecteur der lycea, op 16 december 1943. Rost van Tonningen liet ook na deze tweede brief van Best
niets van zich horen. Waarschijnlijk heeft Van Andel tijdens het gesprek in Den Haag medio december laten
doorschemeren, dat de ambtenaren van de betrokken departementen niets voor de oprichting van een
lyceum in Emmen voelden en dat Rost daarom in alle talen zweeg, want twee dagen later zond
burgemeester Best opnieuw een dringende brief aan Rost van Tonningen om te redden wat er te redden
viel. Hij schreef Rost te weten dat de chef van de Afdeling Begrotingszaken van zijn Departement, de
heer Vogel, hem een brief aan het gemeentebestuur van Emmen ter tekening zou voorleggen,
waarin de aanvankelijk verleende toestemming zou worden ingetrokken. Met klem drong Best er bij Kameraad
Rost op aan die brief niet te tekenen. Hij schreef verder:
"Gun mij de mogelijkheid om eerst te trachten de zaak voor elkaar te brengen. Het meest op
prijs zou ik stellen als U mij een brief deed toekomen, waarin wordt medegedeeld, dat uwerzijds geen bezwaar
bestaat om voor te bereiden, de oprichting van een Lyceum mits begonnen wordt met een eerste klas van
minstens 20 leerlingen en mits bij die voorbereiding geen geld wordt uitgegeven. Er wordt ook niets
verknoeid bij die voorbereiding."
"Hou Zee, Best".
Intussen werd in Emmen een schoolcommissie en een college van curatoren aangezocht. Op 31 december
1943 werden de heren S.Proemstra, E.Vegter, ir.J.A.ten Velde en J.B.Weinans en de dames N.J.Maas-Van
Amerongen, C.Nieuwenhoven-Mulder en B.M.Nijhof Van 't Hof gevraagd zitting te nemen in de te vormen
schoolcommissie van het Emmer Lyceum. Tussen 3 en 7 januari 1944 kwamen de reacties binnen. Vijf van de
zeven aangezochte personen bedankten om uiteenlopende redenen. Vermoed mag worden dat die weigeringen
mede werden ingegeven door de afkeer om met de NSB burgemeester te moeten samenwerken. Een wel zeer moedig
bedankbriefje kwam van mevrouw Nijhoff, de echtgenote van de directeur van de Emmer Zuivelfabriek, die
terug schreef; "In beleefd antwoord op Uw in margine vermeld schrijven, deel ik U hierdoor mede, dat
ik, tijdens den duur van den oorlog geen enkele openbare functie kan accepteren".
De twee die de uitnodiging aanvaardden, waren de politie-inspecteur Weinans en de
belastingambtenaar Proemstra. De laatste, die als schrijver van Drentse gedichtjes enige bekendheid genoot, was "fout".
De samenstelling van het College van Curatoren verliep succesvoller. Best had zijn wethouder van onderwijs
Zegering Hadders de vrije hand gelaten in het aanzoeken van curatoren, mits hij tenminste één NSB-er in het
gezelschap zou opnemen. Zegering Hadders loste het netelige probleem op door een NSB-er uit te nodigen die hij
als een redelijk man kende. De man bewees, dat de wethouder hem juist had getaxeerd, door van alle vergaderingen
weg te blijven. Hij wordt in het notulenboek van de vergadering van curatoren niet eenmaal genoemd
9). De overige curatoren waren: R.Zegering Hadders, pastoor Swildens van Emmer Compascuum,
H.R.van Bruggen, de gemeentesecretaris van Emmen en mr.D.Loorbach, advocaat en procureur. Op 20 januari 1944 werd
de inspecteur der lycea Van Andel telegrafisch uitgenodigd een vergadering van curatoren bij te wonen op dinsdag 25
januari. Per brief werd hem meegedeeld dat gesproken zou worden over een ontwerpverordening voor het lyceum en over
het aantrekken van de nodige leraren. Mocht Van Andel verhinderd zijn, dan ontving men graag schriftelijk zijn
advies. Vier dagen later stuurde hij inderdaad een telegram met de boodschap niet naar Emmen te kunnen komen,
maar liet hij weten graag van de verdere gang van zaken op de hoogte te willen blijven. Uit alles blijkt dat
het gemeentebestuur van Emmen inspecteur Van Andel steeds nauw bij de oprichting van het lyceum heeft betrokken.
Toen hij in februari naar Emmen kwam voor mondeling overleg werd hij door de gemeenteauto in Assen van de trein
gehaald. Voor de stichting van het Emmer lyceum in oorlogstijd is zijn bemoeienis met de zaak van grote betekenis
geweest. Inspecteur Van Andel stond aan de goede kant en kon bij de sollicitatieprocedures zijn invloed gebruiken
om "foute" leraren te weren. Er zijn aanwijzingen dat hij dat ook heeft gedaan. Voor de Emmer wethouder van
onderwijs, wiens positie als enige niet NSB-er in het gemeentebestuur uiterst moeilijk was, moet de medewerking
van inspecteur Van Andel in dat opzicht een belangrijke steun zijn geweest.
Zonder dat de wethouder van onderwijs daarvan door burgemeester Best op de hoogte was gesteld,
was er intussen een ernstige kink in de kabel gekomen. Op 25 januari 1944 stuurde Rost van
Tonningen een brief aan Best, waarin kort en goed werd meegedeeld dat hij niet op medewerking uit
Den Haag kon rekenen. De argumenten voor de weigering waren tweeërlei: er was een nijpend tekort
aan bevoegde docenten en het zou onmogelijk zijn over de nodige lokaliteiten te kunnen beschikken.
De oprichting moest worden uitgesteld "tot beter tijden".
Terwijl Best de voorbereiding voor de opening van het lyceum in september liet doorgaan, mobiliseerde hij invloedrijke
kameraden om de weigering ongedaan te maken. Hij zocht daartoe allereerst contact met de Groningse hoogleraar
J.M.N.Kapteyn met wie hij wel eens gesproken had over de Stichting Vroeghistorie Noordland. Kapteyn, die al in 1941
optrad als leider van het genootschap Saxo-Frisia, was door en door "fout". Zijn Germaanse ideeën over een uit Saksers
en Friezen te vormen Noordland vielen bij de bezetter in goede aarde, omdat zij strookten met de politieke bedoelingen
inzake een latere herindeling van Nederland 10). Best vroeg aan Kapteyn of hij zijn invloed ten
gunste van de lyceumstichting wilde aanwenden bij twee prominente Duitse autoriteiten: professor Von Stokar en
dr.Schwartz. Von Stokar was hoogleraar in de prehistorie in Keulen geweest en in het bezette Nederland een van de
topambtenaren van "Generalkommissar" Friedrich Wimmer. Hij hield zich sinds 1942 vooral met het Hoger Onderwijs
bezig en probeerde onder meer de gebombardeerde universiteit van Keulen naar Leiden te verplaatsen 11).
Dr.Heinrich Schwartz was hoofd van de "Hauptabteilung Erziehung und Kirchen" van Wimmers "Generalkommissariat"
sinds 1940. Hij was belast met de gelijkschakeling van het onderwijs en tegenstander van bijzonder onderwijs. Best mocht
daarom aannemen dat Schwartz bereid zou zijn aan de stichting van een openbare school mee te werken 12).
Professor Kapteyn heeft onmiddellijk aan het verzoek van burgemeester Best voldaan.
Dr.Schwartz ontving Best twee dagen later. Vermoedelijk heeft de Duitser hem aangeraden zich opnieuw tot Rost
van Tonningen te wenden, want op 25 februari 1944 schreef Best aan Schwartz dat hij op dezelfde dag een
schrijven aan de Secretaris-Generaal had verstuurd en zond hij hem een kopie van die
brief "nebst eine Ubersetzung davon in Deutsche Sprache". Geheel in stijl ondertekende Emmens eerste burger met:
"Heil Hitler". In de brief aan de Secretaris-Generaal deelde Best mee dat het lokaliteitenprobleem was
opgelost. Er was ruimte aanwezig, die zo goed als niet verbouwd behoefd te worden. De kosten konden
beperkt blijven tot een paar honderd gulden voor het aanbrengen van enkele deuren. Hij vroeg
toestemming nu ook te mogen proberen een oplossing voor de docentenkwestie te vinden.
Het beroep van Best op dr.Schwartz heeft kennelijk resultaat gehad. Voor zijn doen ongewoon snel
schreef Rost van Tonningen op 29 februari 1944 een geruststellend antwoord op het laatste schrijven van
burgemeester Best. Tussen de regels door kon Best in deze brief een stilzwijgende goedkeuring lezen
van het feit dat hij zich niet bij de weigering had neergelegd. Helemaal gerustgesteld
werd hij, toen de Secretaris Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming hem op
14 maart 1944 berichtte, dat hij er geen bezwaar tegen had als werd voortgegaan met het nemen van
voorbereidende maatregelen om te komen tot oprichting van een lyceum in Emmen, ook al werd
daaraan direct toegevoegd dat voorshands voor zo'n school geen rijkssubsidie in uitzicht kon worden gesteld.
Voorbereidingen.
Wethouder van onderwijs Zegering Hadders die, zoals gezegd, door zijn burgemeester geheel buiten de
correspondentie met Kapteyn, Schwartz en Rost van Tonningen was gehouden trof in het voorjaar van
1944 de nodige maatregelen om voor het in september te openen lyceum voldoende leraren te vinden.
Gezien het lerarentekort was dat geen eenvoudige opgave. Toch meldden zich op de geplaatste
oproepen enkele gegadigden. Verschillende leraren die reageerden, wilden echter eerst
nadere informatie over de Emmense situatie voordat zij hun sollicitatie wilden inzenden. Onder hen bevond zich
onvermijdelijk ook een aantal NSB-ers. Eén van hen, een 49-jarige leraar Duits uit Rotterdam, vroeg in
een brief van 17 april 1944 nadere informatie over de houding van de bevolking tegenover de Beweging.
Hij was zo deelde hij trots mee, lid van de NSB sinds 1935 en had als stamboeknummer 62112. Uit
een tweede brief van de Rotterdammer blijkt, dat burgemeester Best zijn partijgenoot uitvoerig heeft
geschreven. De man bedankte kameraad Best hartelijk voor de ontvangen informatie, maar deelde
mee niet te zullen solliciteren, omdat zijn vijftienjarige dochter in Emmen haar gymnasiale studie niet zou
kunnen voortzetten.
Een wel zeer "foute" sollicitant was drs.H.G.Koolman, leraar in aardrijkskunde en geschiedenis, die
meedeelde dat hij op 1 september 1941 tot leraar aan de eerste rijks nationaal-socialistische
middelbare school met internaat te Schaarsbergen bij Arnhem was benoemd, sinds de opheffing van
die school als leraar in Den Haag werkzaam was en graag in aanmerking kwam voor de functie van
rector van de nieuwe school. Als referenten noemde hij een aantal nationaal-socialistische
prominenten. Natuurlijk begon ook deze partijgenoot zijn sollicitatie met: "Kameraad" en ondertekende
hij met: "Met N.S. groet Hou Zee". Toch schokt veertig jaar later Koolmans "foute" brief minder dan een
derde sollicitatie, waarin een niet bij de NSB aangesloten docent ongevraagd als aanbeveling
meedeelde dat hij "arisch" is. Voor de functie van rector meldden zich uiteindelijk
tien kandidaten.
Terwijl de sollicitaties in juni aan inspecteur Van Andel ter hand werden gesteld om advies, zocht
burgemeester Best 5 juni 1944 opnieuw contact met Rost van Tonningen. Op 14 juni sprak hij
met hem. Acht dagen later meldde Rost van Tonningen zich bij de Waffen SS in de Isabella kazerne in
's-Hertogenbosch om een officiersopleiding te volgen. Hij bleef daar tot 8 augustus, toen hij als
"Untersturmfuhrer" van de Reserve de militaire dienst weer verliet 13).
Best liet de strijdbare partijgenoot tijdens zijn militaire opleiding echter niet met rust. Op 26 juni
1944 schreef hij Rost dat het lokaliteitenprobleem was opgelost en dat zich al 26 leerlingen voor de
nieuwe cursus hadden aangemeld. Ook het lerarenprobleem bestond niet meer. In overleg met inspecteur
Van Andel was de keus voor een rector bepaald en er waren voldoende leraren voor de eerste klas gevonden.
Een brief met dezelfde inhoud en bovendien de opmerking dat de Secretaris Generaal van het Departement
van Financiën de oprichting had goedgekeurd, stuurde Best op 26 juni aan de Secretaris Generaal van het
Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming. Een derde brief, in het Duits gesteld,
ging naar Herrn dr.Schwartz.
Op 27 juni 1944 werden de twee benoemde leden van de schoolcommissie, de heren
J.B.Weinans en S.Proemstra ervan in kennis gesteld, dat het lyceum in september zou worden geopend. Ook werd
meegedeeld dat er een rector was benoemd en wel dr.D.A.Wumkes, conrector van het gymnasium te
Dordrecht, en dat het College van Curatoren was uitgebreid met de heren mr.J.A.ten Holte en
mr.J.W.Boonk. De twee juristen waren plaatselijke advocaten. Mr.Ten Holte had in 1942 het kantoor
van Mr.Arend Jonker overgenomen. Beide nieuwbenoemde curatoren behoorden niet tot de NSB, zodat
het college nog steeds maar één "foute" figuur telde, die evenwel niet aan het werk deelnam. Terzelfder
tijd werd aan het Departement van Binnenlandse Zaken de begroting voor de cursus 1944-1945 aangeboden
met het verzoek die te willen goedkeuren. Het ging om een totaalbedrag van f 14.107,-. Het grootste deel
daarvan was nodig voor de post salarissen. De rector, die in volledige betrekking zijn werk zou beginnen,
stond genoteerd voor f 5.672,-, de overige leraren samen voor ongeveer f 4.000,-. Voor huur en onderhoud
van de gebouwen volstond de begroting met het luttele bedrag van f 50,-. Emmen kreeg het lyceum voor een koopje.
De goedkeuring van het Departement bleef niettemin uit en burgemeester Best werd zenuwachtig. Op 14 juli
1944 verzond hij een dringend telegram naar "grenadier" Rost van Tonningen. Daaruit kan worden afgeleid dat
Rost van Tonningen tijdens het gesprek met burgemeester Best op 14 juni financiële toezeggingen had gedaan,
maar dat een schriftelijke bevestiging daarvan was uitgebleven.
Burgemeester Best had een stevig steuntje in de rug van Rost van Tonningen op dat moment hard
nodig. Want op het Departement van Financiën lag administrateur Vogel, met wie Best het al eerder
aan de stok had gehad, duidelijk dwars en wat nog erger was, de Secretaris Generaal van
Binnenlandse Zaken had zich met een brief op poten tot de Commissaris van de Provincie Drenthe
gewend met de boodschap, dat men zich daar met de gang van zakenrond de oprichting van
het Emmer Lyceum in het geheel niet kon verenigen. Voor het Departement van Binnenlandse Zaken was
de zaak van het lyceum in Emmen afgedaan na de afwijzende brief van Rost van Tonningen van 25
januari 1944. Er was maar één lichtpuntje in het boze verhaal: omdat de noodlijdende gemeente in
1943 voor het eerst weer een sluitende begroting had, zou Emmen de oprichting zonder goedkeuring
kunnen doorzetten op eigen kosten.
Bouma benaderde burgemeester Best met een brief die er niet om loog. Waarom, zo informeerde hij,
had men in Emmen het Departement van Binnenlandse Zaken gepasseerd? Weliswaar was Emmen in
1943 niet verplicht tot consultatie omdat de gemeente niet langer rood stond, maar het stond niet vast
dat ook in 1944 een sluitende begroting binnen bereik lag en dan zou goedkeuring voor de gemeentelijke
uitgaven en dus ook voor het Emmer Lyceum weer nodig zijn. Bouma herinnerde eraan dat hij als
burgemeester van Emmen steeds voor de oprichting van het lyceum had gepleit en zei het te
zullen betreuren als door een minder juiste behandeling van een zaak, die voor Emmen van zoveel gewicht
was, de medewerking van de Departementen van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en
van Binnenlandse Zaken in gevaar zou worden gebracht.
Duidelijk geschrokken vroeg Best in een telegram van 27 juli 1944 een onderhoud aan met een van de naaste
medewerkers van de afwezige Rost van Tonningen, F.L.Rambonnet, een uiterst kwalijk heer 14)
die als waarnemend Secretaris Generaal van Financiën optrad. De brief van Rambonnet van 31 juli die daarop
reageerde, bevatte de boodschap dat er geen termen aanwezig waren de begroting van het lyceum aan hem of aan
zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken voor te leggen, omdat Emmen niet langer een noodlijdende gemeente was.
Gesteund door deze verklaring schreef Best op 10 augustus aan Bouma hoe de vork in de steel zat. Hij
verdedigde zijn beleid met het argument dat Emmen zich in een overgangssituatie van noodlijdende
gemeente naar gemeente met een sluitende begroting bevond. Zes dagen later richtte
Best zich opnieuw tot de Commissaris van Drenthe met een brief over de oprichting van het lyceum, waarin hij
zijn optreden nogmaals probeerde te rechtvaardigen. Bouma behoefde zich geen zorgen te maken, zo
was de teneur van het verhaal, het lyceum kon in september 1944 beginnen.
Burgemeester Best en wethouder Zegering Hadders hadden in een merkwaardige samenwerking
Emmen aan een lyceum geholpen. Merkwaardig, omdat men de indruk krijgt dat binnen het Emmense gemeentehuis twee
circuits bestonden, een "fout" circuit rond NSB burgemeester Best en een "goed" circuit waarvan
Zegering Hadders de spil was. Best opereerde in de schoolkwestie buiten Zegering Hadders om als hij
partijgenoten voor zijn karretje spande en verzweeg de drukke correspondentie met Rost en
Rambonnet. In de openingsrede die Best op 6 september 1944 hield, verontschuldigde Best zich voor
het feit dat hij de intrekking van de toezegging van het Departement van Financiën had stilgehouden met het
excuus, dat hij dat had gedaan om de heren niet te ontmoedigen.
Aan de andere kant liet hij wethouder Zegering Hadders de vrije hand bij het aantrekken van leraren en
het benoemen van curatoren. Dat hij daarbij, zoals we eerder zagen, van zijn wethouder vroeg
tenminste één NSB-er in het Curatorium op te nemen, zal gezien moeten worden als een gebaar in de
richting van zijn achterban. Niets wijst erop dat Best geprobeerd heeft van het
Emmer Lyceum een nationaal-socialistische instelling te maken. Hij heeft er aan meegewerkt dat de school voor alle
Emmenaren aanvaardbaar zou zijn en bewust nagelaten een NSB stempel op het nieuwe lyceum te
zetten. Het ligt voor de hand deze tolerante houding met het verloop van de oorlog in verband te
brengen. Na Stalingrad en de invasie in Normandië werd steeds duidelijker dat
Duitsland de strijd zou verliezen.
De gang van zaken bij de benoeming van dr.D.A.Wumkes tot rector van het lyceum past geheel in het
hierboven geschetste beeld. Hij accepteerde Wumkes, hoewel die van zijn anti-nationaal-socialistische
gezindheid geen geheim had gemaakt, maar dekte zich door een NSB-er nummer 2 op de voordracht
te maken. Wumkes werd gekozen uit tien sollicitanten, onder wie één notoire fascist en nog een
tweede niet geheel zuivere Nederlander. Eind juni was het een uitgemaakte zaak dat Wumkes de
beste kandidaat was. Op 29 juni werd een voordracht opgesteld die de volgende namen bevatte:
- Dr.D.A.Wumkes, Dordrecht, geb. 1904, Conrector Stedelijk Gymnasium, Dordrecht
- J.J.Th.van den Hoorn, geb. 1908, Leraar Stedelijk Gymnasium, Dordrecht
- H.A.M.Douwes, geb. 1908, Leraar te Oldenzaal
Maar een week later is er een tweede voordracht opgemaakt. Dit op 5 juli gedateerde lijstje noemt
naast Wumkes als nummer 1 twee andere namen. Als nummer 2 stond nu de al eerder door en door
"foute" sollicitant drs.H.G.Koolman genoteerd en als nummer 3 een zekere L.Dalhuizen. Is het te
gewaagd te veronderstellen dat beide circuits hun eigen voordracht hebben opgemaakt en dat Best op
de voordracht van het "foute" circuit zijn kameraad Koolman op de tweede plaats heeft gezet?
Koolman was door hoge partijgenoten warm aanbevolen. Door hem alsnog op de voordracht te plaatsen kwam
Best aan zijn nationaal-socialistische vrienden tegemoet zonder aan de benoeming van Wumkes te
tornen. Om die reden zal Zegering Hadders van de wijziging van de eerste voordracht geen halszaak
hebben gemaakt.
Niettemin nam Zegering Hadders een zeker risico met deze tweede voordracht. Als Wumkes de
benoeming tot rector op het laatste moment zou weigeren, dan kreeg het Emmer Lyceum een NSB-er
als rector. Inspecteur Van Andel, die nauw bij de benoemingsprocedures was betrokken, heeft met dat
argument Wumkes dringend aangeraden het rectoraat in Emmen op zich te nemen. In een persoonlijk
gesprek in Den Haag zei hij hem openlijk dat hij de benoeming moest aanvaarden "daar anders
een NSB-er deze functie zou krijgen" 15).
Opening.
Op 6 september 1944 was het zover. Het nieuwe lyceum kon geopend worden. Inspecteur Van Andel, die voor
de officiële opening als feestredenaar was uitgenodigd, had laten weten verhinderd te zíjn, zodat in zijn
plaats burgemeester Best de openingsrede uitsprak. Zijn redevoering is evenals het antwoord van Wumkes
bewaard en beide toespraken zijn curieus. Best schetste de voorgeschiedenis van de stichting en verwees
met veel waardering naar het werk van de vereniging het Emmer Lyceum. Als verklaring voor het mislukken
van de poging van de vereniging al in de jaren dertig het lyceum van de grond te krijgen, noemde hij de
slechte positie van de gemeentelijke financiën. Voor het armlastige, noodlijdende en onder voogdij gebukt
gaande Emmen was de oprichting van een lyceum niet mogelijk. Aan het eind van zijn toespraak ging Best in
op het karakter van de school. Hij bracht daarbij zijn nationaal-socialistische overtuiging als volgt ter
sprake:
"Herhaalde malen heb ik bemerkt dat men mij doende, zo van terzijde aanzag en wat wantrouwig was
om met die man met het speldje samen te werken. Zou die NSB-er er zo maar een gewoon Lyceum willen brengen?
Hij zal 't wel openen met een erewacht van Jeugdstormers en veel tromgeroffel. Stelt U gerust. Deze bijeenkomst
is nogal gewoon. En zo wil ik ook voortgaan met dit Lyceum. Gewoon! Men behoeft niet te vrezen, dat ik plotseling
een grapje zal uithalen, (daar ben ik te oud voor), waardoor de goede sfeer en harmonie waarin tot nu toe de
opbouw geschiedde verstoord zullen worden. Daar is het Lyceum mij te lief voor. Maar is er dan niets, waarin
ik mijn eigen gezindheid wil uitleven, wellicht reeds uitgelegd heb, in dit Lyceum? Ja, dat is er wel!"
"Eén ding staat vast in mijn hart. Hier leeft een goed volk, een Noords volk. Dit volk is veel te kort
gekomen. Drenthe was, om met Picardt te spreken, niet de bruid waarom men wierf. Welnu, om de
levensmogelijkheden van dit goede Drentse Volk te vergroten, opdat het zich hoger zou kunnen
verheffen heb ik dit lyceum gewild. Daarom ook kreeg ik de steun van Dr.Schwartz,
van professor Kapteyn, van Rost van Tonningen en Rambonnet. Is het U duidelijk, dat dit dus moet zijn een lyceum
voor en dus ook dóór het Drentse volk".
Wumkes, de nieuwe rector, bedankte in zijn toespraak burgemeester Best voor de ruimheid dat hij hem had benoemd, wetende
dat hij niet dezelfde politieke kleur had. Hij wees er onder meer op dat de wereld voor een bankroet stond en dat de jeugd met
valse leuzen was opgezweept tot fel fanatisme. Maar, zo ging hij verder, nu kwam de tijd waarop rekenschap gevraagd zou worden.
Op het Lyceum zou de opvoeding in nationale zin plaats hebben, "een nationalisme gegrondvest op de
vrijheidsgedachte van onze voorouders. Devies: labore et constantia".
Wumkes toespraak mag op z'n minst vrijmoedig genoemd worden. Durfde hij zo duidelijk te zeggen waar het op stond
in de euforie van de naderende bevrijding? Best is in ieder geval geïrriteerd geweest. Er is een persoonlijke notitie
van zijn hand bewaard gebleven, waaruit dat duidelijk blijkt. Hij noteerde onder:
"Rectortje! Rectortje! Tracht toch goed te verstaan Drenthe en het Drentse volk. Dan zult ge begrijpen
wat dit volk nodig heeft. Het heeft meer behoefte aan leven en ontplooien in eigen zin dan aan
Hollandse vrijheid."
"Rectortje, Rector! Bepaald beleefd was je niet, niet helemaal "fair" als je spreekt van "rekenschap
vragen". Dat ruikt ietepietje naar "politiek in de school".
Niettemin legde Best de nieuwe rector geen strobreed in de weg bij het inrichten van de school. Zowel
aan de instelling van een voorbereidende klas om een betere aansluiting tussen het lager onderwijs en
het lyceum te verkrijgen als aan de opening van een derde klas in september 1945 werkte hij van harte
mee. Voordat Best bij de bevrijding door Zegering Hadders als waarnemend burgemeester werd
vervangen, heeft hij nog een begin gemaakt met de plannen voor de bouw van een passende
behuizing van het lyceum. Ook in andere opzichten toonde Best zich coöperatief.
Een "foute" start?
Was de oprichting van het Emmer Lyceum in september 1944 een "foute" start? Hebben de oorlogsomstandigheden de
stichting van het gemeentelijk lyceum in Emmen beïnvloed? Duidelijk is dat twee NSB burgemeesters, Bouma en Best,
een groot aandeel in de oprichting hebben gehad en daarbij gebruik hebben gemaakt van hun relaties in het "foute" kamp.
Het is mogelijk dat Zegering Hadders van deze nationaal-socialistische hulp niet op de hoogte is geweest. Er is reden
te veronderstellen dat het "goede" en het "foute" circuit in het Emmense gemeentehuis elkaar zoveel mogelijk buiten
de eigen zaken hielden. Helemaal onwetend van de correspondentie met de "kameraden" kan men in het
"goede" circuit niet geweest zijn. De tot dit circuit behorende gemeentesecretaris Van Bruggen, die
zoals we zagen door Zegering Hadders in het Curatorium werd benoemd en veel met de oprichting
van het lyceum te maken had, heeft tenminste één brief van Best aan Rost van Tonningen
onder ogen gehad. Onder een afschrift van de brief van Best aan deze nazi van 26 juni 1944 staat zijn
handtekening.
Maar veel belangrijker is, dat de nationaal-socialistische steun niet heeft geleid tot de oprichting van
een lyceum dat op wat voor wijze dan ook door de geest van het nationaal-socialisme was aangeraakt.
Rector en leraren stonden aan de goede kant. Doordat de ene NSB-er die in het Curatorium was benoemd, zich niet
met het lyceum bemoeide, was ook het college van curatoren onder leiding van wethouder Zegering Hadders onbesmet.
De schoolcommissie was door de weigering van vijf van de zeven aangezochte leden niet van de grond gekomen. De
steun van nazi's als Rost van Tonningen en Schwartz is bovendien voor de oprichting niet van betekenis geweest.
Beslissend voor de stichting van het Drentsch Lyceum zoals de school op 6 september 1944 officieel werd genoemd,
was de omstandigheid dat Emmen in 1944 in financieel opzicht weer baas in eigen huis was. Het feit dat de gemeente
er in 1943 in slaagde haar begroting sluitend te krijgen, waardoor zij onder de voogdij van het Departement van
Binnenlandse Zaken vandaan kwam, is voor de oprichting van het gemeentelijk lyceum doorslaggevend geweest.
Noten:
- De liberaal Roelof Zegering Hadders werd in 1939 wethouder van Emmen. Hoewel hij zich als
voorzitter van het provinciaal comité van Eenheid en Democratie en als lid van het hoofdbestuur van deze
antifascistische organisatie al in de jaren dertig openlijk tegen het nationaal-socialisme had
gekeerd, werd hij tijdens de bezetting niet als wethouder ontslagen. Hij bleef na overleg met de wel
vervangen Commissaris van Drenthe De Vos van Steenwijk op zijn post, omdat hij meende daardoor de
goede zaak beter te kunnen dienen dan door heen te gaan. Zie voor de houding van Zegering Hadders
tegenover de NSB in de jaren dertig de niet uitgegeven Zwolse MO scriptie van R.Lenstra. Het nationaal-socialisme
in de gemeente Emmen, 1931-1940 aanwezig op het Rijksarchief Assen.
- Deze brief en alle verder in dit artikel geciteerde stukken bevinden zich, tenzij anders is aangegeven, in het
gemeentearchief (GA) Emmen in de verzamelmap "Lyceum".
- GA Emmen, De Statuten van de vereeniging "Het Emmensch Lyceum" gevestigd te Emmen. Map "Algemeen".
In de oorspronkelijke statuten staat "Emmensch" getypt, in de gestencilde vorm is dit veranderd in "Emmer". Later
wordt steeds van het "Emmer Lyceum" gesproken.
- GA Emmen, Notulen B&W d.d. 23-1-1993.
- GA Emmen, Raadsnotulen d.d. 5-2-1931. Het besluit werd zonder hoofdelijke stemming genomen.
- GA Emmen, Notulen B&W d.d. 13-6-1938.
- L.de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b eerste helft (Amsterdam, 1981), 103.
- GA Emmen, Dossier Best. Hierin ook de geciteerde verslagen van zijn rede in het Nationale Dagblad en het Drentsch Dagblad.
- Notulenboek van de curatorenvergaderingen. Aanwezig in de gemeentelijke scholengemeenschap HAVO-VWO te Emmen.
- De Jong, deel 5, 263. Ibidem, deel 6, 399-405 en 564.
- De Jong, deel 7, 550. Sytze van der Zee, 25000 landverraders (Den Haag, 1967), 97.
- De Jong, deel 5, 335.
- Van der Zee, 184.
- De Jong, deel 10b, 291. De Jong noemt Rambonnet onder meer een "roofridder".
- Dit schreef mij dr. Wumkes in een brief d.d. 21 augustus 1982.
|