dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

Geïnteresseerd in historie?
Wordt ook lid van de
Historische Vereniging
Zuidoost Drenthe.
Aanmelden >>

Nieuws over HE
Lees meer >>

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Enquête dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot


Oosterstraat: Omhoog


Kadastraal: Omhoog


Kadastrale kaart 1880.


Oosterstraat: Omhoog

In een besluit van 8 april 1925 heeft de raad op verzoek van de "Handelsvereeniging alhier" voor het eerst namen gegeven aan straten en wegen in het dorp Emmen. Bij de uitvoering van dit besluit bleek het voor de praktijk echter noodzakelijk de begin en eindpunten hiervan nauwkeurig vast te leggen en tevens enkele aanvullende straatbenamingen op te nemen. Dit werd in de openbare vergadering van 30 augustus 1928 vastgelegd:
  • Achterstad:
    "Vanaf den overweg N.O.L.S. bij het perceel sectie C no 4017 bijlangs den kamp van Ensing tot den oostelijken hoek van het perceel sectie C no 4352 (J.Katerberg)."

In de openbare raadsvergadering van 2 maart 1936 werd de naam Achterstad gewijzigd in Oosterstraat.


Gemeentelijk Lyceum: Omhoog

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum
Bouw Lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

De gemeente Emmen kende tot de Tweede Wereldoorlog geen HBS of Gymnasium. Daarvoor moest men bijvoorbeeld naar Coevorden. Pas in 1931 werd de Vereniging Emmer Lyceum opgericht, die streefde naar een "echte" middelbare school in Emmen. Dat deze school er niet één, twee, drie, kwam lag mede aan de financiële positie van de gemeente. Pas in 1944 kon de gemeente Emmen de begroting sluitend krijgen.

Op 6 september 1944, tijdens de Tweede Wereldoorlog, ging het Gemeentelijk Lyceum van start. Van 1944 tot omstreeks 1949 was het Gemeentelijk Lyceum eerst nog gevestigd in Hotel Postma aan de Stationsstraat. Omstreeks 1949 kwam het schoolgebouw aan de Oosterstraat gereed. Het ontwerp ervan kwam van de hand van architect Dijkstra.

 

De oprichting van het Emmer Lyceum in 1944: een "foute" start? Door G.Groenhuis.

Op woensdag 6 september 1944 werd in Emmen het gemeentelijk lyceum geopend. De nieuwe onderwijsinstelling was de eerste school voor middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs in de gemeente. Voor 1944 waren kinderen voor HBS- of Gymnasium onderwijs aangewezen op de Rijks HBS scholen van Coevorden en Ter Apel, de bijzondere HBS scholen van Stadskanaal en Hoogeveen en het stedelijk gymnasium te Assen. Dat Emmen met een bevolking van ongeveer 10.000 inwoners een school voor middelbaar onderwijs kreeg, was minder verwonderlijk dan het feit dat de gemeente er zo lang geen had gehad. Maar het tijdstip waarop het Emmer Lyceum van de grond kwam, is op z'n minst merkwaardig te noemen. Hoe kwam men ertoe midden in de oorlog een lyceum op te richten? Suggereert de stichtingsdatum niet, dat van een "foute" start moet worden gesproken? Weliswaar was de toenmalige wethouder van onderwijs Roelof Zegering Hadders onverdacht 1), maar hij had een NSB burgemeester boven zich, de overige wethouders waren eveneens de Nieuwe Orde toegedaan en een gemeenteraad ontbrak. In hoeverre hebben deze oorlogsomstandigheden de stichting van het gemeentelijk lyceum beïnvloed? Wat ging aan de opening van de school op de dag na Dolle Dinsdag vooraf?

Vereniging Het Emmer Lyceum.

Vast staat dat het gemeentebestuur ven Emmen vóór de jaren dertig geen brood heeft gezien in een school voor "hooger onderwijs". Sinds 1913 werd om de zes jaar aan het Rijk vrijstelling gevraagd van de verplichting op grond van artikel 6 van de Hoger Onderwijswet een gymnasium op te richten. In de ontheffingsaanvraag die in 1926 werd verstuurd, gaf het gemeentebestuur als argumenten voor de verlenging van de vrijstelling, dat zich te weinig leerlingen zouden aanmelden en de gemeente de kosten niet kon dragen. Bij Koninklijk Besluit van 24 december 1926 werd de vrijstelling daarop opnieuw verleend tot 1 september 1932. In dat jaar is voor het eerst nagelaten een ontheffingsaanvraag naar Den Haag te sturen. De brief met het betreffende verzoek is wel geschreven, maar niet verzonden 2).

De oorzaak van deze beleidsverandering was niet moeilijk te achterhalen. In 1931 was in Emmen de eerste aanzet gegeven om tot de oprichting van een lyceum, een combinatie van HBS en Gymnasium te komen. Op 12 januari 1931 kwam de vereniging Het Emmer Lyceum tot stand, die zich de stichting en de instandhouding van een lyceum voor alle gezindten ten doel stelde. Als oprichters en eerste bestuursleden traden op:

  • mr.dr.Jan Liebbe Bouma, van 1927 tot 1943 burgemeester van Emmen (voorzitter).
  • mr.Arend Jonker, advocaat en procureur in Emmen (secretaris).
  • Lambertus Hendrik Berdenis van Berlekom, ontvanger registratie der domeinen te Emmen (penningmeester).
  • ds.Albertus de Kat Angelino, hervormd predikant te Emmen (vice-voorzitter).
  • Eppo Vegter, hoofd van een lagere school in Emmen (vice-secretaris en vice penningmeester)
  • dr.Johannes Post, huisarts te Emmen.
  • Hermannus Cornelis Bruggeman, pastoor van Zwartemeer.
  • ds.Johannes Adrianus Verhoog, gereformeerd predikant van Klazienaveen.
  • Karel Palm, manufacturier te Nieuw Amsterdam.

In de statuten van de vereniging werd vastgelegd dat men een Lyceum voor alle groepen van de bevolking wilde oprichten. De samenstelling van het bestuur weerspiegelde de samenwerking van de verschillende gezindten. Rooms-katholieken, hervormden en gereformeerden hadden elk één van hun geestelijke leidslieden in het bestuur, de joden waren vertegenwoordigd door Karel Palm. Behalve de godsdienstige richtingen waren in de schoolvereniging ook de voornaamste politieke stromingen aanwezig. Zo was Meester Vegter een overtuigde socialist, burgemeester Bouma antirevolutionair en behoorde Bruggeman tot de RKSP. Artikel 8 van de statuten bepaalde dat nimmer meer dan twee bestuursleden gekozen mochten worden, die zowel tot dezelfde politieke partij als tot dezelfde godsdienstige gezindte behoorden. Ging de bereidheid om een samenwerkingsschool op te richten verrassend in tegen de hokjesgeest van de tijd, de voorwaarden die bij dit gezamenlijk optrekken in acht werden genomen tonen aan dat ook in Emmen "verzuild" werd gedacht.

Nog in een derde opzicht lijkt de samenstelling van het bestuur tot uitdrukking te brengen dat men geheel Emmen wilde vertegenwoordigen. De leden kwamen niet alleen uit het kerndorp Emmen, maar ook uit de zogenaamde buitendorpen. Daarbij is ongetwijfeld rekening gehouden met de samenstelling van de bevolking in de verschillende dorpen. Zwartemeer, vertegenwoordigd door pastoor Bruggeman, telde 37% rooms-katholieken terwijl dit percentage voor geheel Emmen 16,95% was. De joodse bevolking was vooral geconcentreerd in Emmen en Nieuw Amsterdam en het laatste dorp had, zoals gezegd, de joodse zakenman Karel Palm in het bestuur 3).

Namens de vereniging richtten Bouma en Jonker op 16 januari 1931 een brief aan het gemeentebestuur van Emmen met het verzoek de vereniging een subsidie van f 12.000,- per jaar te willen verlenen, ingaande op de datum waarop het te stichten lyceum de eerste leerlingen zou toelaten. De brief werd in de vergadering van B&W van 23 januari 1931 behandeld en op de agenda van de Raadsvergadering van 1 februari geplaatst 4). Nog voordat het verzoek door de Raad werd besproken, diende penningmeester Berdenis van Berlekom op 30 januari een voorlopige begroting voor de eerste jaren in. De exploitatierekening zou f 11.850,- belopen. Het overgrote deel daarvan, f 11.700,-, zou aan salarissen opgaan. In een begeleidend schrijven nam Berdenis van Berlekom stelling tegen de indruk die door krantenberichten was gewekt als zou met een stichtingskapitaal van f 20.000,- de oprichting van het lyceum verzekerd zijn. Hij betoogde dat aanmerkelijk meer geld nodig zou zijn en dat het Emmer Lyceum zonder rijkssubsidie geen levenskansen zou hebben.

Op formele gronden besloot de Raad het verzoek om subsidie aan te houden. Men wilde wachten totdat de vereniging rechtspersoonlijkheid zou hebben verkregen. Daarmee conformeerde de gemeenteraad zich aan een voorwaarde die bij het verlenen van rijkssubsidies in acht werd genomen 5).

Het raadsbesluit betekende niet dat het gemeentebestuur de zaak van het Emmer Lyceum liet voor wat ze was. B&W informeerden bij het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de gymnasia die sinds 1921 waren opgericht en schreven vervolgens de negen scholen die het Bureau kon melden aan met de vraag of zij subsidie uit 's rijkskas hadden ontvangen. In antwoord op een herinnering van de Gedeputeerde Staten van Drenthe dat opnieuw vrijstelling voor de oprichting van een gymnasium moest worden aangevraagd, antwoordden B&W geen ontheffing meer te zullen aanvragen, omdat ze in Emmen met haar 41.000 inwoners, waar alleen twee scholen voor openbaar uitgebreid lager onderwijs waren, de mogelijkheid open wilden houden "een gelegenheid op te richten tot het ontvangen van hooger onderwijs". Mocht het bestuur van de vereniging Het Emmer Lyceum er niet in slagen een lyceum op te richten, dan wilde de gemeente de handen vrij hebben om alsnog tot de stichting van een gymnasium te kunnen overgaan, "hoewel wij ons niet ontveinzen, dat aan de oprichting van een lyceum of hoogere burgerschool veel meer behoefte bestaan dan aan een gymnasium...".

Na 1932 werd het voorlopig stil rond het Emmer Lyceum. Penningmeester Berdenis van Berlekom vertrok naar Amsterdam. Eerst in 1938 werd weer aandacht aan de subsidieaanvraag geschonken. Een losse notitie, gedateerd 11 juni 1938, maakt melding van het verzoek en van het raadsbesluit de zaak aan te houden tot de verzoekende vereniging rechtspersoonlijkheid zou hebben verkregen met de aantekening: "Of dit is geschied is op de afdeling onderwijs niet bekend". Deze notitie zal bestemd zijn geweest voor de RKSP wethouder van onderwijs, de bekwame autodidact A.Sibon, voor zijn wethouderschap postbode te Klazienaveen. Hij stelde het in 1931 aangehouden adres van de vereniging het Emmer Lyceum in de vergadering van B&W op 13 juni 1938 opnieuw aan de orde. Maar de zaak was zo dood als een pier. De besluitenlijst vermeldt: "ter kennisgeving aan te nemen" 6).

Hoe het de vereniging het Emmer Lyceum na 1931 is vergaan, is niet bekend. Het persoonlijk archief van de secretaris is volgens zijn dochter, mevrouw L.Overwater Jonker te Breda, niet meer aanwezig. Mr.K.Vegter te Havelte, de zoon van de vice-secretaris, deelde mee dat zich onder de nagelaten papieren van zijn vader evenmin bescheiden betreffende de vereniging het Emmer Lyceum bevonden. Wethouder Zegering Hadders die in 1939 Sibon opvolgde, kan zich niet herinneren ooit van de vereniging te hebben gehoord. De wetenschap dat, zoals beschreven, de afdeling onderwijs van de gemeentesecretarie in 1938 niet meer vast kon stellen of de vereniging rechtspersoonlijkheid had verkregen, maakt aannemelijk dat zij een stille dood gestorven is.

Bemoeiingen van burgemeester Bouma.

Het was burgemeester Bouma die in september 1941 de draad weer opnam. Het is mogelijk dat de activiteiten die in Coevorden ter verkrijging van een gymnasium werden ontplooid, daarop van invloed zíjn geweest. Denkbaar is ook dat Bouma opnieuw voor een lyceum in Emmen is gaan ijveren in een poging iets van zijn beschadigde reputatie te herstellen. Hij was in maart 1941 tot de NSB toegetreden en had daardoor velen van zich vervreemd. Er is overigens reden te betwijfelen of Bouma werkelijk tot het nationaal-socialisme was bekeerd. In zijn omgeving was bekend dat hij hogerop wilde en van mening was, dat de vooroorlogse ministers van Binnenlandse Zaken hem veel te lang in Emmen hadden laten zitten. Hij nam dat in het bijzonder zijn partijgenoot mr.J.A.de Wilde kwalijk, die van mei 1933 tot juni 1937 dat departement had beheerd. Het NSB lidmaatschap zou zijn in het slop geraakte carrière nieuw leven hebben moeten inblazen. Als het inderdaad zo is geweest, dan is zijn taxatie juist gebleken. In 1943 werd hij tot Commissaris van de Provincie Drenthe benoemd. In die kwaliteit zou hij in het najaar van 1944 zijn medewerking weigeren aan de Duitse eis te voldoen via de burgemeesters spitters en gravers voor de verdedigingswerken op te roepen 7). Maar voor het zover was, legde Bouma de grondslag voor de oprichting van het gemeentelijk lyceum in Emmen. In een uitgebreid schrijven aan de Secretaris Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming, de pro-Duitse professor dr.J.van Dam, vroeg Bouma op 18 september 1941 om medewerking voor de stichting van een lyceum in Emmen. Toen de Secretaris Generaal niet reageerde, herhaalde Bouma onder verwijzing naar zijn eerste brief zijn verzoek. Vermoedelijk om de niet bij de NSB aangesloten Van Dam onder druk te zetten, besloot Bouma zijn nieuwe geestverwanten in te schakelen. Begin april zond hij een afschrift van zijn brief van 18 september 1941 aan dr.T.W.de Groot, het hoofd van de afdeling Middelbaar Onderwijs van het Opvoedersgilde. Het lijkt wel zeker dat Bouma nog meer kameraden te hulp heeft geroepen in zijn pogingen Emmen aan een lyceum te helpen. Zoals nog zal blijken, verwees zijn opvolger in Emmen later naar mondelinge toezeggingen die de Secretaris Generaal van het Departement van Financiën, de nazi mr.M.M.Rost van Tonningen aan Bouma zou hebben gedaan. Bouma zijn directe bemoeiingen met de stichting van het lyceum eindigden in 1943 toen hij benoemd werd tot Commissaris der Koningin van Drenthe.

Inspanningen van burgemeester Best.

Tot nieuwe burgemeester van Emmen werd benoemd mr.Johannes Best uit Almelo. Het besluit waarbij hij door de Rijkscommissaris van het bezette Nederland werd aangesteld is van 23 augustus 1943, maar Bouma installeerde zijn opvolger eerst op zaterdag 6 november. Het gemeentehuis van Emmen zag zwart van de nationaal-socialistische functionarissen, want Best behoorde natuurlijk tot de NSB. De rede waarmee hij het burgemeesterschap aanvaardde liet daarover geen enkele twijfel bestaan. "De boodschap van Mussert", zo zei hij, "die zal blijken de Vader te zijn van ons nieuwe Vaderland", was de kern van zijn overtuiging. Het Nationale Dagblad van maandag 15 slachtmaand 1943 sprak dan ook van een magistrale rede. Het Drentsch Dagblad legde de nadruk op de beleidsplannen die Best in zijn rede had ontvouwd. De krant drukte de voornemens van de nieuwe burgemeester in kapitale letters. De stichting van een lyceum was één van zijn voornemens. Letterlijk zei Best: "Dat ik verlangend ben om een verdere stoot te geven, waardoor het plan om alhier een Lyceum te doen ontstaan werkelijkheid wordt spreekt vanzelf. 8)

De oprichting van het Emmer Lyceum was inderdaad een van de eerste zaken die Best aanpakte. Uitgaande van de mededelingen die Bouma hem had gedaan, schreef hij al op 16 november 1943 twee brieven die de zaken weer in beweging moesten brengen. Aan het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming deelde hij laconiek mee dat er gelden voor een gemeentelijk lyceum ter beschikking waren gesteld door het Departement van Financiën, mits begonnen werd met één klas, dat daarom met de voorbereiding van een en ander was begonnen en dat hij informeerde of het Departement daarbij mogelijk aanwijzingen wilde geven. Het tweede briefje ging naar de inspecteur voor het toezicht op de lycea in Nederland, dr.J.van Andel. Daarin schreef Best dat de Secretaris Generaal van het Departement van Financiën, mr.M.M.Rost van Tonningen had goedgekeurd aan de gemeente Emmen de nodige gelden ter beschikking te stellen voor de oprichting van een lyceum, mits met één klas werd aangevangen. Toch was burgemeester Best minder zeker van zijn zaak dan hij in de hierboven genoemde briefjes deed voorkomen. Op 17 november 1943, een dag later dus, stuurde hij een dringend briefje aan Rost van Tonningen van de volgende inhoud:

"Kameraad!"

"Voor kort werd tusschen U en mijn voorganger Kameraad Bouma, thans Commissaris der Provincie Drenthe, afgesproken dat U goedkeurde, dat de gelden voor het beginnen van een lyceum met één klas gevoteerd werden."

"Daar ik thans bezig ben, voortbouwend op wat Kameraad Bouma reeds deed, deze zaak tot een einde te brengen, verzoek ik U mij een ambtelijk schrijven te doen toekomen, waarin uw toezegging vastgelegd werd, zodat ik tegenover andere instanties dezen brief kan aanhalen."

"Hou Zee, w.g. Best"

In afwachting van de belangrijke brief van Rost van Tonningen werkten Best de wethouder van onderwijs Zegering Hadders aan de voorbereiding van de start van het lyceum. Inspecteur Van Andel nodigde Best uit voor een bespreking in Den Haag, waarvoor na enig heen en weer geschrijf over een geschikte datum uiteindelijk 16 december 1943 werd vastgesteld. Omdat Rost van Tonningen niet antwoordde, herhaalde Best op 8 december 1943 zijn verzoek onder verwijzing naar het afgesproken onderhoud met de inspecteur der lycea, op 16 december 1943. Rost van Tonningen liet ook na deze tweede brief van Best niets van zich horen. Waarschijnlijk heeft Van Andel tijdens het gesprek in Den Haag medio december laten doorschemeren, dat de ambtenaren van de betrokken departementen niets voor de oprichting van een lyceum in Emmen voelden en dat Rost daarom in alle talen zweeg, want twee dagen later zond burgemeester Best opnieuw een dringende brief aan Rost van Tonningen om te redden wat er te redden viel. Hij schreef Rost te weten dat de chef van de Afdeling Begrotingszaken van zijn Departement, de heer Vogel, hem een brief aan het gemeentebestuur van Emmen ter tekening zou voorleggen, waarin de aanvankelijk verleende toestemming zou worden ingetrokken. Met klem drong Best er bij Kameraad Rost op aan die brief niet te tekenen. Hij schreef verder:

"Gun mij de mogelijkheid om eerst te trachten de zaak voor elkaar te brengen. Het meest op prijs zou ik stellen als U mij een brief deed toekomen, waarin wordt medegedeeld, dat uwerzijds geen bezwaar bestaat om voor te bereiden, de oprichting van een Lyceum mits begonnen wordt met een eerste klas van minstens 20 leerlingen en mits bij die voorbereiding geen geld wordt uitgegeven. Er wordt ook niets verknoeid bij die voorbereiding."

"Hou Zee, Best".

Intussen werd in Emmen een schoolcommissie en een college van curatoren aangezocht. Op 31 december 1943 werden de heren S.Proemstra, E.Vegter, ir.J.A.ten Velde en J.B.Weinans en de dames N.J.Maas-Van Amerongen, C.Nieuwenhoven-Mulder en B.M.Nijhof Van 't Hof gevraagd zitting te nemen in de te vormen schoolcommissie van het Emmer Lyceum. Tussen 3 en 7 januari 1944 kwamen de reacties binnen. Vijf van de zeven aangezochte personen bedankten om uiteenlopende redenen. Vermoed mag worden dat die weigeringen mede werden ingegeven door de afkeer om met de NSB burgemeester te moeten samenwerken. Een wel zeer moedig bedankbriefje kwam van mevrouw Nijhoff, de echtgenote van de directeur van de Emmer Zuivelfabriek, die terug schreef; "In beleefd antwoord op Uw in margine vermeld schrijven, deel ik U hierdoor mede, dat ik, tijdens den duur van den oorlog geen enkele openbare functie kan accepteren".

De twee die de uitnodiging aanvaardden, waren de politie-inspecteur Weinans en de belastingambtenaar Proemstra. De laatste, die als schrijver van Drentse gedichtjes enige bekendheid genoot, was "fout".

De samenstelling van het College van Curatoren verliep succesvoller. Best had zijn wethouder van onderwijs Zegering Hadders de vrije hand gelaten in het aanzoeken van curatoren, mits hij tenminste één NSB-er in het gezelschap zou opnemen. Zegering Hadders loste het netelige probleem op door een NSB-er uit te nodigen die hij als een redelijk man kende. De man bewees, dat de wethouder hem juist had getaxeerd, door van alle vergaderingen weg te blijven. Hij wordt in het notulenboek van de vergadering van curatoren niet eenmaal genoemd 9). De overige curatoren waren: R.Zegering Hadders, pastoor Swildens van Emmer Compascuum, H.R.van Bruggen, de gemeentesecretaris van Emmen en mr.D.Loorbach, advocaat en procureur. Op 20 januari 1944 werd de inspecteur der lycea Van Andel telegrafisch uitgenodigd een vergadering van curatoren bij te wonen op dinsdag 25 januari. Per brief werd hem meegedeeld dat gesproken zou worden over een ontwerpverordening voor het lyceum en over het aantrekken van de nodige leraren. Mocht Van Andel verhinderd zijn, dan ontving men graag schriftelijk zijn advies. Vier dagen later stuurde hij inderdaad een telegram met de boodschap niet naar Emmen te kunnen komen, maar liet hij weten graag van de verdere gang van zaken op de hoogte te willen blijven. Uit alles blijkt dat het gemeentebestuur van Emmen inspecteur Van Andel steeds nauw bij de oprichting van het lyceum heeft betrokken. Toen hij in februari naar Emmen kwam voor mondeling overleg werd hij door de gemeenteauto in Assen van de trein gehaald. Voor de stichting van het Emmer lyceum in oorlogstijd is zijn bemoeienis met de zaak van grote betekenis geweest. Inspecteur Van Andel stond aan de goede kant en kon bij de sollicitatieprocedures zijn invloed gebruiken om "foute" leraren te weren. Er zijn aanwijzingen dat hij dat ook heeft gedaan. Voor de Emmer wethouder van onderwijs, wiens positie als enige niet NSB-er in het gemeentebestuur uiterst moeilijk was, moet de medewerking van inspecteur Van Andel in dat opzicht een belangrijke steun zijn geweest.

Zonder dat de wethouder van onderwijs daarvan door burgemeester Best op de hoogte was gesteld, was er intussen een ernstige kink in de kabel gekomen. Op 25 januari 1944 stuurde Rost van Tonningen een brief aan Best, waarin kort en goed werd meegedeeld dat hij niet op medewerking uit Den Haag kon rekenen. De argumenten voor de weigering waren tweeërlei: er was een nijpend tekort aan bevoegde docenten en het zou onmogelijk zijn over de nodige lokaliteiten te kunnen beschikken. De oprichting moest worden uitgesteld "tot beter tijden".

Terwijl Best de voorbereiding voor de opening van het lyceum in september liet doorgaan, mobiliseerde hij invloedrijke kameraden om de weigering ongedaan te maken. Hij zocht daartoe allereerst contact met de Groningse hoogleraar J.M.N.Kapteyn met wie hij wel eens gesproken had over de Stichting Vroeghistorie Noordland. Kapteyn, die al in 1941 optrad als leider van het genootschap Saxo-Frisia, was door en door "fout". Zijn Germaanse ideeën over een uit Saksers en Friezen te vormen Noordland vielen bij de bezetter in goede aarde, omdat zij strookten met de politieke bedoelingen inzake een latere herindeling van Nederland 10). Best vroeg aan Kapteyn of hij zijn invloed ten gunste van de lyceumstichting wilde aanwenden bij twee prominente Duitse autoriteiten: professor Von Stokar en dr.Schwartz. Von Stokar was hoogleraar in de prehistorie in Keulen geweest en in het bezette Nederland een van de topambtenaren van "Generalkommissar" Friedrich Wimmer. Hij hield zich sinds 1942 vooral met het Hoger Onderwijs bezig en probeerde onder meer de gebombardeerde universiteit van Keulen naar Leiden te verplaatsen 11). Dr.Heinrich Schwartz was hoofd van de "Hauptabteilung Erziehung und Kirchen" van Wimmers "Generalkommissariat" sinds 1940. Hij was belast met de gelijkschakeling van het onderwijs en tegenstander van bijzonder onderwijs. Best mocht daarom aannemen dat Schwartz bereid zou zijn aan de stichting van een openbare school mee te werken 12).

Professor Kapteyn heeft onmiddellijk aan het verzoek van burgemeester Best voldaan. Dr.Schwartz ontving Best twee dagen later. Vermoedelijk heeft de Duitser hem aangeraden zich opnieuw tot Rost van Tonningen te wenden, want op 25 februari 1944 schreef Best aan Schwartz dat hij op dezelfde dag een schrijven aan de Secretaris-Generaal had verstuurd en zond hij hem een kopie van die brief "nebst eine Ubersetzung davon in Deutsche Sprache". Geheel in stijl ondertekende Emmens eerste burger met: "Heil Hitler". In de brief aan de Secretaris-Generaal deelde Best mee dat het lokaliteitenprobleem was opgelost. Er was ruimte aanwezig, die zo goed als niet verbouwd behoefd te worden. De kosten konden beperkt blijven tot een paar honderd gulden voor het aanbrengen van enkele deuren. Hij vroeg toestemming nu ook te mogen proberen een oplossing voor de docentenkwestie te vinden.

Het beroep van Best op dr.Schwartz heeft kennelijk resultaat gehad. Voor zijn doen ongewoon snel schreef Rost van Tonningen op 29 februari 1944 een geruststellend antwoord op het laatste schrijven van burgemeester Best. Tussen de regels door kon Best in deze brief een stilzwijgende goedkeuring lezen van het feit dat hij zich niet bij de weigering had neergelegd. Helemaal gerustgesteld werd hij, toen de Secretaris Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming hem op 14 maart 1944 berichtte, dat hij er geen bezwaar tegen had als werd voortgegaan met het nemen van voorbereidende maatregelen om te komen tot oprichting van een lyceum in Emmen, ook al werd daaraan direct toegevoegd dat voorshands voor zo'n school geen rijkssubsidie in uitzicht kon worden gesteld.

Voorbereidingen.

Wethouder van onderwijs Zegering Hadders die, zoals gezegd, door zijn burgemeester geheel buiten de correspondentie met Kapteyn, Schwartz en Rost van Tonningen was gehouden trof in het voorjaar van 1944 de nodige maatregelen om voor het in september te openen lyceum voldoende leraren te vinden. Gezien het lerarentekort was dat geen eenvoudige opgave. Toch meldden zich op de geplaatste oproepen enkele gegadigden. Verschillende leraren die reageerden, wilden echter eerst nadere informatie over de Emmense situatie voordat zij hun sollicitatie wilden inzenden. Onder hen bevond zich onvermijdelijk ook een aantal NSB-ers. Eén van hen, een 49-jarige leraar Duits uit Rotterdam, vroeg in een brief van 17 april 1944 nadere informatie over de houding van de bevolking tegenover de Beweging. Hij was zo deelde hij trots mee, lid van de NSB sinds 1935 en had als stamboeknummer 62112. Uit een tweede brief van de Rotterdammer blijkt, dat burgemeester Best zijn partijgenoot uitvoerig heeft geschreven. De man bedankte kameraad Best hartelijk voor de ontvangen informatie, maar deelde mee niet te zullen solliciteren, omdat zijn vijftienjarige dochter in Emmen haar gymnasiale studie niet zou kunnen voortzetten.

Een wel zeer "foute" sollicitant was drs.H.G.Koolman, leraar in aardrijkskunde en geschiedenis, die meedeelde dat hij op 1 september 1941 tot leraar aan de eerste rijks nationaal-socialistische middelbare school met internaat te Schaarsbergen bij Arnhem was benoemd, sinds de opheffing van die school als leraar in Den Haag werkzaam was en graag in aanmerking kwam voor de functie van rector van de nieuwe school. Als referenten noemde hij een aantal nationaal-socialistische prominenten. Natuurlijk begon ook deze partijgenoot zijn sollicitatie met: "Kameraad" en ondertekende hij met: "Met N.S. groet Hou Zee". Toch schokt veertig jaar later Koolmans "foute" brief minder dan een derde sollicitatie, waarin een niet bij de NSB aangesloten docent ongevraagd als aanbeveling meedeelde dat hij "arisch" is. Voor de functie van rector meldden zich uiteindelijk tien kandidaten.

Terwijl de sollicitaties in juni aan inspecteur Van Andel ter hand werden gesteld om advies, zocht burgemeester Best 5 juni 1944 opnieuw contact met Rost van Tonningen. Op 14 juni sprak hij met hem. Acht dagen later meldde Rost van Tonningen zich bij de Waffen SS in de Isabella kazerne in 's-Hertogenbosch om een officiersopleiding te volgen. Hij bleef daar tot 8 augustus, toen hij als "Untersturmfuhrer" van de Reserve de militaire dienst weer verliet 13). Best liet de strijdbare partijgenoot tijdens zijn militaire opleiding echter niet met rust. Op 26 juni 1944 schreef hij Rost dat het lokaliteitenprobleem was opgelost en dat zich al 26 leerlingen voor de nieuwe cursus hadden aangemeld. Ook het lerarenprobleem bestond niet meer. In overleg met inspecteur Van Andel was de keus voor een rector bepaald en er waren voldoende leraren voor de eerste klas gevonden. Een brief met dezelfde inhoud en bovendien de opmerking dat de Secretaris Generaal van het Departement van Financiën de oprichting had goedgekeurd, stuurde Best op 26 juni aan de Secretaris Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming. Een derde brief, in het Duits gesteld, ging naar Herrn dr.Schwartz.

Op 27 juni 1944 werden de twee benoemde leden van de schoolcommissie, de heren J.B.Weinans en S.Proemstra ervan in kennis gesteld, dat het lyceum in september zou worden geopend. Ook werd meegedeeld dat er een rector was benoemd en wel dr.D.A.Wumkes, conrector van het gymnasium te Dordrecht, en dat het College van Curatoren was uitgebreid met de heren mr.J.A.ten Holte en mr.J.W.Boonk. De twee juristen waren plaatselijke advocaten. Mr.Ten Holte had in 1942 het kantoor van Mr.Arend Jonker overgenomen. Beide nieuwbenoemde curatoren behoorden niet tot de NSB, zodat het college nog steeds maar één "foute" figuur telde, die evenwel niet aan het werk deelnam. Terzelfder tijd werd aan het Departement van Binnenlandse Zaken de begroting voor de cursus 1944-1945 aangeboden met het verzoek die te willen goedkeuren. Het ging om een totaalbedrag van f 14.107,-. Het grootste deel daarvan was nodig voor de post salarissen. De rector, die in volledige betrekking zijn werk zou beginnen, stond genoteerd voor f 5.672,-, de overige leraren samen voor ongeveer f 4.000,-. Voor huur en onderhoud van de gebouwen volstond de begroting met het luttele bedrag van f 50,-. Emmen kreeg het lyceum voor een koopje.

De goedkeuring van het Departement bleef niettemin uit en burgemeester Best werd zenuwachtig. Op 14 juli 1944 verzond hij een dringend telegram naar "grenadier" Rost van Tonningen. Daaruit kan worden afgeleid dat Rost van Tonningen tijdens het gesprek met burgemeester Best op 14 juni financiële toezeggingen had gedaan, maar dat een schriftelijke bevestiging daarvan was uitgebleven.

Burgemeester Best had een stevig steuntje in de rug van Rost van Tonningen op dat moment hard nodig. Want op het Departement van Financiën lag administrateur Vogel, met wie Best het al eerder aan de stok had gehad, duidelijk dwars en wat nog erger was, de Secretaris Generaal van Binnenlandse Zaken had zich met een brief op poten tot de Commissaris van de Provincie Drenthe gewend met de boodschap, dat men zich daar met de gang van zakenrond de oprichting van het Emmer Lyceum in het geheel niet kon verenigen. Voor het Departement van Binnenlandse Zaken was de zaak van het lyceum in Emmen afgedaan na de afwijzende brief van Rost van Tonningen van 25 januari 1944. Er was maar één lichtpuntje in het boze verhaal: omdat de noodlijdende gemeente in 1943 voor het eerst weer een sluitende begroting had, zou Emmen de oprichting zonder goedkeuring kunnen doorzetten op eigen kosten.

Bouma benaderde burgemeester Best met een brief die er niet om loog. Waarom, zo informeerde hij, had men in Emmen het Departement van Binnenlandse Zaken gepasseerd? Weliswaar was Emmen in 1943 niet verplicht tot consultatie omdat de gemeente niet langer rood stond, maar het stond niet vast dat ook in 1944 een sluitende begroting binnen bereik lag en dan zou goedkeuring voor de gemeentelijke uitgaven en dus ook voor het Emmer Lyceum weer nodig zijn. Bouma herinnerde eraan dat hij als burgemeester van Emmen steeds voor de oprichting van het lyceum had gepleit en zei het te zullen betreuren als door een minder juiste behandeling van een zaak, die voor Emmen van zoveel gewicht was, de medewerking van de Departementen van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en van Binnenlandse Zaken in gevaar zou worden gebracht.

Duidelijk geschrokken vroeg Best in een telegram van 27 juli 1944 een onderhoud aan met een van de naaste medewerkers van de afwezige Rost van Tonningen, F.L.Rambonnet, een uiterst kwalijk heer 14) die als waarnemend Secretaris Generaal van Financiën optrad. De brief van Rambonnet van 31 juli die daarop reageerde, bevatte de boodschap dat er geen termen aanwezig waren de begroting van het lyceum aan hem of aan zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken voor te leggen, omdat Emmen niet langer een noodlijdende gemeente was. Gesteund door deze verklaring schreef Best op 10 augustus aan Bouma hoe de vork in de steel zat. Hij verdedigde zijn beleid met het argument dat Emmen zich in een overgangssituatie van noodlijdende gemeente naar gemeente met een sluitende begroting bevond. Zes dagen later richtte Best zich opnieuw tot de Commissaris van Drenthe met een brief over de oprichting van het lyceum, waarin hij zijn optreden nogmaals probeerde te rechtvaardigen. Bouma behoefde zich geen zorgen te maken, zo was de teneur van het verhaal, het lyceum kon in september 1944 beginnen.

Burgemeester Best en wethouder Zegering Hadders hadden in een merkwaardige samenwerking Emmen aan een lyceum geholpen. Merkwaardig, omdat men de indruk krijgt dat binnen het Emmense gemeentehuis twee circuits bestonden, een "fout" circuit rond NSB burgemeester Best en een "goed" circuit waarvan Zegering Hadders de spil was. Best opereerde in de schoolkwestie buiten Zegering Hadders om als hij partijgenoten voor zijn karretje spande en verzweeg de drukke correspondentie met Rost en Rambonnet. In de openingsrede die Best op 6 september 1944 hield, verontschuldigde Best zich voor het feit dat hij de intrekking van de toezegging van het Departement van Financiën had stilgehouden met het excuus, dat hij dat had gedaan om de heren niet te ontmoedigen.

Aan de andere kant liet hij wethouder Zegering Hadders de vrije hand bij het aantrekken van leraren en het benoemen van curatoren. Dat hij daarbij, zoals we eerder zagen, van zijn wethouder vroeg tenminste één NSB-er in het Curatorium op te nemen, zal gezien moeten worden als een gebaar in de richting van zijn achterban. Niets wijst erop dat Best geprobeerd heeft van het Emmer Lyceum een nationaal-socialistische instelling te maken. Hij heeft er aan meegewerkt dat de school voor alle Emmenaren aanvaardbaar zou zijn en bewust nagelaten een NSB stempel op het nieuwe lyceum te zetten. Het ligt voor de hand deze tolerante houding met het verloop van de oorlog in verband te brengen. Na Stalingrad en de invasie in Normandië werd steeds duidelijker dat Duitsland de strijd zou verliezen.

De gang van zaken bij de benoeming van dr.D.A.Wumkes tot rector van het lyceum past geheel in het hierboven geschetste beeld. Hij accepteerde Wumkes, hoewel die van zijn anti-nationaal-socialistische gezindheid geen geheim had gemaakt, maar dekte zich door een NSB-er nummer 2 op de voordracht te maken. Wumkes werd gekozen uit tien sollicitanten, onder wie één notoire fascist en nog een tweede niet geheel zuivere Nederlander. Eind juni was het een uitgemaakte zaak dat Wumkes de beste kandidaat was. Op 29 juni werd een voordracht opgesteld die de volgende namen bevatte:

  • Dr.D.A.Wumkes, Dordrecht, geb. 1904, Conrector Stedelijk Gymnasium, Dordrecht
  • J.J.Th.van den Hoorn, geb. 1908, Leraar Stedelijk Gymnasium, Dordrecht
  • H.A.M.Douwes, geb. 1908, Leraar te Oldenzaal

Maar een week later is er een tweede voordracht opgemaakt. Dit op 5 juli gedateerde lijstje noemt naast Wumkes als nummer 1 twee andere namen. Als nummer 2 stond nu de al eerder door en door "foute" sollicitant drs.H.G.Koolman genoteerd en als nummer 3 een zekere L.Dalhuizen. Is het te gewaagd te veronderstellen dat beide circuits hun eigen voordracht hebben opgemaakt en dat Best op de voordracht van het "foute" circuit zijn kameraad Koolman op de tweede plaats heeft gezet? Koolman was door hoge partijgenoten warm aanbevolen. Door hem alsnog op de voordracht te plaatsen kwam Best aan zijn nationaal-socialistische vrienden tegemoet zonder aan de benoeming van Wumkes te tornen. Om die reden zal Zegering Hadders van de wijziging van de eerste voordracht geen halszaak hebben gemaakt.

Niettemin nam Zegering Hadders een zeker risico met deze tweede voordracht. Als Wumkes de benoeming tot rector op het laatste moment zou weigeren, dan kreeg het Emmer Lyceum een NSB-er als rector. Inspecteur Van Andel, die nauw bij de benoemingsprocedures was betrokken, heeft met dat argument Wumkes dringend aangeraden het rectoraat in Emmen op zich te nemen. In een persoonlijk gesprek in Den Haag zei hij hem openlijk dat hij de benoeming moest aanvaarden "daar anders een NSB-er deze functie zou krijgen" 15).

Opening.

Op 6 september 1944 was het zover. Het nieuwe lyceum kon geopend worden. Inspecteur Van Andel, die voor de officiële opening als feestredenaar was uitgenodigd, had laten weten verhinderd te zíjn, zodat in zijn plaats burgemeester Best de openingsrede uitsprak. Zijn redevoering is evenals het antwoord van Wumkes bewaard en beide toespraken zijn curieus. Best schetste de voorgeschiedenis van de stichting en verwees met veel waardering naar het werk van de vereniging het Emmer Lyceum. Als verklaring voor het mislukken van de poging van de vereniging al in de jaren dertig het lyceum van de grond te krijgen, noemde hij de slechte positie van de gemeentelijke financiën. Voor het armlastige, noodlijdende en onder voogdij gebukt gaande Emmen was de oprichting van een lyceum niet mogelijk. Aan het eind van zijn toespraak ging Best in op het karakter van de school. Hij bracht daarbij zijn nationaal-socialistische overtuiging als volgt ter sprake:

"Herhaalde malen heb ik bemerkt dat men mij doende, zo van terzijde aanzag en wat wantrouwig was om met die man met het speldje samen te werken. Zou die NSB-er er zo maar een gewoon Lyceum willen brengen? Hij zal 't wel openen met een erewacht van Jeugdstormers en veel tromgeroffel. Stelt U gerust. Deze bijeenkomst is nogal gewoon. En zo wil ik ook voortgaan met dit Lyceum. Gewoon! Men behoeft niet te vrezen, dat ik plotseling een grapje zal uithalen, (daar ben ik te oud voor), waardoor de goede sfeer en harmonie waarin tot nu toe de opbouw geschiedde verstoord zullen worden. Daar is het Lyceum mij te lief voor. Maar is er dan niets, waarin ik mijn eigen gezindheid wil uitleven, wellicht reeds uitgelegd heb, in dit Lyceum? Ja, dat is er wel!"

"Eén ding staat vast in mijn hart. Hier leeft een goed volk, een Noords volk. Dit volk is veel te kort gekomen. Drenthe was, om met Picardt te spreken, niet de bruid waarom men wierf. Welnu, om de levensmogelijkheden van dit goede Drentse Volk te vergroten, opdat het zich hoger zou kunnen verheffen heb ik dit lyceum gewild. Daarom ook kreeg ik de steun van Dr.Schwartz, van professor Kapteyn, van Rost van Tonningen en Rambonnet. Is het U duidelijk, dat dit dus moet zijn een lyceum voor en dus ook dóór het Drentse volk".

Wumkes, de nieuwe rector, bedankte in zijn toespraak burgemeester Best voor de ruimheid dat hij hem had benoemd, wetende dat hij niet dezelfde politieke kleur had. Hij wees er onder meer op dat de wereld voor een bankroet stond en dat de jeugd met valse leuzen was opgezweept tot fel fanatisme. Maar, zo ging hij verder, nu kwam de tijd waarop rekenschap gevraagd zou worden. Op het Lyceum zou de opvoeding in nationale zin plaats hebben, "een nationalisme gegrondvest op de vrijheidsgedachte van onze voorouders. Devies: labore et constantia".

Wumkes toespraak mag op z'n minst vrijmoedig genoemd worden. Durfde hij zo duidelijk te zeggen waar het op stond in de euforie van de naderende bevrijding? Best is in ieder geval geïrriteerd geweest. Er is een persoonlijke notitie van zijn hand bewaard gebleven, waaruit dat duidelijk blijkt. Hij noteerde onder:

"Rectortje! Rectortje! Tracht toch goed te verstaan Drenthe en het Drentse volk. Dan zult ge begrijpen wat dit volk nodig heeft. Het heeft meer behoefte aan leven en ontplooien in eigen zin dan aan Hollandse vrijheid."

"Rectortje, Rector! Bepaald beleefd was je niet, niet helemaal "fair" als je spreekt van "rekenschap vragen". Dat ruikt ietepietje naar "politiek in de school".

Niettemin legde Best de nieuwe rector geen strobreed in de weg bij het inrichten van de school. Zowel aan de instelling van een voorbereidende klas om een betere aansluiting tussen het lager onderwijs en het lyceum te verkrijgen als aan de opening van een derde klas in september 1945 werkte hij van harte mee. Voordat Best bij de bevrijding door Zegering Hadders als waarnemend burgemeester werd vervangen, heeft hij nog een begin gemaakt met de plannen voor de bouw van een passende behuizing van het lyceum. Ook in andere opzichten toonde Best zich coöperatief.

Een "foute" start?

Was de oprichting van het Emmer Lyceum in september 1944 een "foute" start? Hebben de oorlogsomstandigheden de stichting van het gemeentelijk lyceum in Emmen beïnvloed? Duidelijk is dat twee NSB burgemeesters, Bouma en Best, een groot aandeel in de oprichting hebben gehad en daarbij gebruik hebben gemaakt van hun relaties in het "foute" kamp. Het is mogelijk dat Zegering Hadders van deze nationaal-socialistische hulp niet op de hoogte is geweest. Er is reden te veronderstellen dat het "goede" en het "foute" circuit in het Emmense gemeentehuis elkaar zoveel mogelijk buiten de eigen zaken hielden. Helemaal onwetend van de correspondentie met de "kameraden" kan men in het "goede" circuit niet geweest zijn. De tot dit circuit behorende gemeentesecretaris Van Bruggen, die zoals we zagen door Zegering Hadders in het Curatorium werd benoemd en veel met de oprichting van het lyceum te maken had, heeft tenminste één brief van Best aan Rost van Tonningen onder ogen gehad. Onder een afschrift van de brief van Best aan deze nazi van 26 juni 1944 staat zijn handtekening.

Maar veel belangrijker is, dat de nationaal-socialistische steun niet heeft geleid tot de oprichting van een lyceum dat op wat voor wijze dan ook door de geest van het nationaal-socialisme was aangeraakt. Rector en leraren stonden aan de goede kant. Doordat de ene NSB-er die in het Curatorium was benoemd, zich niet met het lyceum bemoeide, was ook het college van curatoren onder leiding van wethouder Zegering Hadders onbesmet. De schoolcommissie was door de weigering van vijf van de zeven aangezochte leden niet van de grond gekomen. De steun van nazi's als Rost van Tonningen en Schwartz is bovendien voor de oprichting niet van betekenis geweest. Beslissend voor de stichting van het Drentsch Lyceum zoals de school op 6 september 1944 officieel werd genoemd, was de omstandigheid dat Emmen in 1944 in financieel opzicht weer baas in eigen huis was. Het feit dat de gemeente er in 1943 in slaagde haar begroting sluitend te krijgen, waardoor zij onder de voogdij van het Departement van Binnenlandse Zaken vandaan kwam, is voor de oprichting van het gemeentelijk lyceum doorslaggevend geweest.

Noten:

  1. De liberaal Roelof Zegering Hadders werd in 1939 wethouder van Emmen. Hoewel hij zich als voorzitter van het provinciaal comité van Eenheid en Democratie en als lid van het hoofdbestuur van deze antifascistische organisatie al in de jaren dertig openlijk tegen het nationaal-socialisme had gekeerd, werd hij tijdens de bezetting niet als wethouder ontslagen. Hij bleef na overleg met de wel vervangen Commissaris van Drenthe De Vos van Steenwijk op zijn post, omdat hij meende daardoor de goede zaak beter te kunnen dienen dan door heen te gaan. Zie voor de houding van Zegering Hadders tegenover de NSB in de jaren dertig de niet uitgegeven Zwolse MO scriptie van R.Lenstra. Het nationaal-socialisme in de gemeente Emmen, 1931-1940 aanwezig op het Rijksarchief Assen.
  2. Deze brief en alle verder in dit artikel geciteerde stukken bevinden zich, tenzij anders is aangegeven, in het gemeentearchief (GA) Emmen in de verzamelmap "Lyceum".
  3. GA Emmen, De Statuten van de vereeniging "Het Emmensch Lyceum" gevestigd te Emmen. Map "Algemeen". In de oorspronkelijke statuten staat "Emmensch" getypt, in de gestencilde vorm is dit veranderd in "Emmer". Later wordt steeds van het "Emmer Lyceum" gesproken.
  4. GA Emmen, Notulen B&W d.d. 23-1-1993.
  5. GA Emmen, Raadsnotulen d.d. 5-2-1931. Het besluit werd zonder hoofdelijke stemming genomen.
  6. GA Emmen, Notulen B&W d.d. 13-6-1938.
  7. L.de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b eerste helft (Amsterdam, 1981), 103.
  8. GA Emmen, Dossier Best. Hierin ook de geciteerde verslagen van zijn rede in het Nationale Dagblad en het Drentsch Dagblad.
  9. Notulenboek van de curatorenvergaderingen. Aanwezig in de gemeentelijke scholengemeenschap HAVO-VWO te Emmen.
  10. De Jong, deel 5, 263. Ibidem, deel 6, 399-405 en 564.
  11. De Jong, deel 7, 550. Sytze van der Zee, 25000 landverraders (Den Haag, 1967), 97.
  12. De Jong, deel 5, 335.
  13. Van der Zee, 184.
  14. De Jong, deel 10b, 291. De Jong noemt Rambonnet onder meer een "roofridder".
  15. Dit schreef mij dr. Wumkes in een brief d.d. 21 augustus 1982.

Bibliotheek Omhoog

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum

In 1962 werd bij het Lyceum een bibliotheek gebouwd. De Emmer Courant van 19 januari 1962: "In het kader van de verbouwing van het gemeentelijk lyceum tot een permanent gebouw, is men momenteel aan de voorzijde van het gebouw bezig met de bouw van een enigszins bijzonder bouwwerk. Het wordt de nieuwe bibliotheek van het lyceum. Door zijn ronde vorm opvallend gebouwtje met zijn hoge puntdak, zal ongetwijfeld een verfraaiing betekenen van de nogal lage linker vleugel van het gebouw. De bibliotheek wordt via een gang verbonden met het bestaande gebouw. Op de voorgrond ziet men de vijver."

Aula Omhoog

Foto Historisch Emmen Oosterstraat gemeentelijk lyceum
Eerste steenlegging van de aula in 1968

Het "bijzondere bouwwerk", dat als bibliotheek was gebouwd, is nog inzet geweest om dienst doen als overblijflokaal voor de leerlingen. In 1967 ging de gemeenteraad schoorvoetend akkoord met de bouw van een foyer bij de Nieuwe Aula behorende bij het culturele centrum De Muzeval. De Emmer Courant van 28 februari 1967: "Wethouder R.Zegering Hadders zei dat de foyer eigenlijk in de eerste plaats een overblijflokaal is voor de leerlingen van het gemeentelijk lyceum. De omstandigheden waaronder de leerlingen hun boterham moeten opeten passen niet meer in deze tijd. Het Slakkenhuis is voor dit doel veel te klein."

Bronvermelding: Omhoog

  • Kadastrale kaart 1880, Drents Archief.
  • Emmer Courant 19 januari 1962.
  • Emmer Courant 28 februari 1967.
  • Correctie mei 2010: T.Engelsman.
  • Emmer Lyceum: overname uit "Vergezichten op Drenthe". Uitgave Boom-Pers Meppel, 1983. ISBN 90-6009.570.7
  • Foto's:
    • R.Boelens.
    • E.Hof.
    • Dhr.v.d.Brink.
    • Dhr.Grinhuis.
    • S.Hoek Beugeling.

Free counter and web stats

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.